Inning restvordering authentieke akte (Rabobank/Visser)

Inleiding Rabobank/Visser arrest

De Hoge Raad heeft al geruime tijd geleden dit arrest gewezen over de bevoegdheid tot executie op grond van een authentieke akte. Het ging hier om de inning van een restvordering na openbare verkoop van een woning op basis van een in een notariële akte vastgelegd recht van hypotheek. Vindplaats NJ 1993/449.

Recentelijk is dit arrest weer bevestigd in de prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad d.d. 8 februari 2013 inzake Rabo Hypotheekbank tegen een geldnemer die een soortgelijke hypotheek had verstrekt.

De strekking van deze beslissing was, dat een vordering alleen krachtens een authentieke (notariële) akte – dus zonder tussenkomst van de rechter) geïncasseerd kan worden, wanneer de vordering waarvoor die inning plaatsvindt voldoende duidelijk in de akte tot uitdrukking komt. Er kan niet worden volstaan met een standaard verwijzing naar de administratie van de bank. De Hoge Raad citeert zichzelf:

“Aan de grosse van een authentieke akte komt slechts executoriale kracht toe met betrekking tot op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven vorderingen alsmede met betrekking tot toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding.

In geval de akte wel betrekking heeft op één of meer vorderingen, die aan de in de vorige alinea bedoelde vereisten voldoen, maar niet de grootte van het verschuldigd bedrag vermeldt, is de grosse van de akte niettemin voor tenuitvoerlegging vatbaar, wanneer deze de weg aangeeft langs welke op voor de schuldenaar bindende wijze de grootte van het verschuldigd bedrag kan worden vastgesteld, behoudens de mogelijkheid van tegenbewijs door de schuldenaar.

De hiervoor onder 3.1 weergegeven inhoud van de onderhavige akte laat geen andere conclusie toe dan dat deze wel aan de laatstgenoemde eis betreffende de bepaalbaarheid van het verschuldigd bedrag voldoet, maar geen betrekking heeft op vorderingen die aan de eerdergenoemde vereisten voldoen.

Het hof heeft dus terecht geoordeeld dat de grosse van deze akte geen executoriale titel oplevert.”

Hetzelfde lot trof de akte die in 2013 door de kort geding rechter in het kader van het executiegeschil aan de Hoge Raad werd voorgelegd. De beslissing van de Hoge Raad vermeldt ook nog enkele relevant overwegingen ten aanzien van de gebondenheid van de Hoge Raad aan zijn naar aanleiding van prejudiciële vragen gegeven uitspraken.

[MdV, 17-12-2016]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]