Burgerlijk procesrecht

Inleidend

Het burgerlijk procesrecht regelt de wijze van procederen in – zoals de term al zegt – burgerlijke (oftewel “civielrechtelijke“) zaken. Dit betreft dus procedures tussen burgers onderling. Onder “burgers” zijn behalve “natuurlijke personen” ook te verstaan rechtspersonen, zoals stichtingen, verenigingen, B.V.’s en N.V.’s.. Maar ook wanneer de overheid in het civiele domein optreedt – bvb. als eigenaar van een onroerend goed – dan is zij (ook al is zij een “publiekrechtelijk orgaan”) onderworpen aan het burgerlijk procesrecht. Sommige procedures tegen de Belastingdienst (bvb. het verzet tegen een dwangbevel) vallen onder het burgerlijk procesrecht.

De wettelijke regeling inzake civielrechtelijke procedures staat in het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (afgekort: “Rv.”). Dat wetboek bevat vier onderdelen (“Boeken”).

Hoe verloopt een procedure (Boek 1 Rv.)

In het Nederlands procesrecht zijn er in hoofdzaak twee soorten procedures. Boek 1 bevat de regels over het voeren van procedures. Daarnaast kennen veel gerechten eigen Procesreglementen voor verschillende soorten procedures, soms ook per rechtsgebied (faillissementsrecht, arbeidsrecht, familierecht).

  1. procedures die met een dagvaarding worden ingeleid (art. 78 Rv.), en
  2. procedures die met een verzoekschrift worden ingeleid (art. 261 Rv.).

Daarnaast behandelt het wetboek van Rv. de (internationale) rechtsmacht van de Nederlandse rechter: is de Nederlandse rechter bevoegd een procedure te behandelen? Dit komt aan de orde in de Algemene bepalingen (art. 1 t/m 14 Rv., Boek 1, titel 1, afd. 1).

Algemene procesregels

Belangrijk voor alle procedures zijn ook de algemene voorschriften voor procedures (art. 19 t/m 35 Rv., Boek 1, Titel 1, Afd. 3). Daar zijn onder meer opgenomen de zgn. “exhibitieplicht”: partijen mogen geen feiten voor de rechter verzwijgen en moeten alle relevante feiten zo volledig mogelijk aan hem presenteren.

Je hebt een vonnis. En nu? (Boek 2 Rv.)

In dit boek wordt geregeld hoe rechterlijke vonnissen in civiele procedures ten uitvoer gelegd kunnen worden (“executie” van vonnissen). Kerngedachte is dat dit gebeurt met gebruikmaking van de bevoegde instanties (zoals de gerechtsdeurwaarder). De burger mag immers geen eigenrichting plegen.

Met de regeling van het executierecht in Boek 2 Rv. is Titel 4, Boek 3 nauw verbonden: “De middelen tot bewaring van zijn recht”. In veel gevallen wordt namelijk al voorafgaand aan of tijdens de procedure conservatoir (dat is hetzelfde als “bewarend”) beslag gelegd. Daarmee kan de schuldeiser voorkomen, dat hij na lang procederen een mooi vonnis heeft, maar alle vermogensbestanddelen waarop hij verhaal had kunnen nemen zijn gevlogen.

De regels inzake conservatoir beslag van art. 700 e.v. Rv. staan dan ook in nauw verband met die van het executoriaal beslag (art. 430 e.v. Rv.).

Bijzondere procedures (Boek 3)

Het derde boek bevat zoals de titel luidt “Rechtspleging van onderscheiden aard” (art. 621 t/m 1019dd Rv.). Het bevat 18 Titels over allerlei specifieke procedures (NB titel 3 en 8 ontbreken):

te weten regels over rechtspleging inzake:

  • verkeersmiddelen en vervoer (titel 1)
  • een nalatenschap of gemeenschap (titel 2)
  • middelen tot bewaring van zijn recht (titel 4) (!)
  • rekenprocedure (titel 5)
  • personen- en familierecht (titel 6)
  • enige bijzondere rechtsplegingen (titel 7)
  • formaliteiten voor de tenuitvoerlegging van in vreemde staten tot stand gekomen executoriale titels (titel 9)
  • rechtspersonen (titel 10)
  • jaarrekeningen en jaarverslagen (titel 11)
  • onredelijk bezwarende bedingen en algemene voorwaarden (titel 12)
  • de teruggave van cultuurgoederen (titel 13)
  • de verbindend verklaring van overeenkomsten inzake massaschade (titel 14)
  • intellectuele eigendom (titel 15)
  • pachtzaken (titel 16)
  • deelgeschillen inzake letsel- en overlijdensschade (titel 17)
  • arbeidsovereenkomsten waarbij de arbeid verricht wordt op het continentaal plat (titel 18)

Arbitrage (Boek 4 Rv.)

Dit relatief kleine onderdeel van het wetboek is helemaal gewijd aan arbitrageproceduresArt. 1020 t/m 1077 Rv.. Arbitrage is een procedure waarbij het geschil wordt beslist door “arbiters” en niet door de overheidsrechter. Partijen kunnen bij het aangaan van een overeenkomst of later, wanneer er een geschil is gerezen, afspreken dat ze de zaak aan arbiters zullen voorleggen. Het voordeel daarvan kan zijn, dat deze arbiters een bepaalde deskundigheid hebben over het onderwerp van geschil. Nadeel is dat arbitrage erg duur kan zijn, omdat partijen de arbiters helemaal zelf moeten betalen.

De eerste titel gaat over Nederlandse arbitrages en titel 2 gaat over internationale arbitrage.

Internationale rechtsmacht

Daarnaast behandelt het wetboek de (internationale) rechtsmacht van de Nederlandse rechter: is de Nederlandse rechter bevoegd een procedure te behandelen? Dit komt aan de orde in de Algemene bepalingen (art. 1 t/m 14 Rv., Boek 1, titel 1, afd. 1).

Europese procedures

De EU heeft overigens ook enkele Verordeningen uitgevaardigd, waarmee grensoverschrijdende procedures binnen EU vergemakkelijkt worden.

Dit is te onderscheiden in twee soorten regelingen:

(1) procesregels die wederzijdse tenuitvoerlegging en erkenning van vonnissen regelen. Dit is de zgn. EEX-Vo, de verordening inzake erkenning en tenuitvoerlegging. Op basis hiervan kan een vonnis uit een Lidstaat in een andere Lidstaat erkend en tenuitvoer gelegd worden zonder dt de procedure opnieuw gevoerd moet worden in de andere Lidstaat. Zie het blog Europese executoriale titel.

(2) enkele eenvoudige incassoprocedures waarmee de EU wil bevorderen, dat de burger laagdrempelige toegang heeft tot de rechter in andere lidstaten.

Hiervoor heeft de EU met name om de betalingsmoraal te bevorderen de procedure voor kleine vorderingen (tot EUR 2.000) ingevoerd. De burger kan zelf via een formulier rechtstreeks bij de rechter in de andere Lidstaat een vordering instellen. De grens wordt per 14 juli 2017 verhoogd naar EUR 5.000, zie Revision of Small Claims Proceeding). Zie voor een gedetailleerde toelichting het blog Incasso binnen Europa – de Europese procedure voor geringe vorderingen.

Daarnaast is er de de procedure inzake een EU betalingsbevel. Die heeft nadelen – als de gedaagde zich gaat verweren moet je toch naar een gewone procedure in het buitenland – maar uit ervaring blijkt het schrikeffect bij de debiteur dusdanig is dat die soms ineens wel betaalt. Zie voor een gedetailleerde toelichting het blog Incasso binnen Europa, het Europees betalingsbevel.

Overigens is de hoge handelsrente van art. 6:119a B.W. (thans 8,05% waar krijg je dat nog) ook ingevoerd door de EU ter bevordering van de betalingsmoraal.

Project digitalisering van de rechtspraak

Een belangrijke ontwikkeling is het zgn. KEI project, waarmee de rechtspraak geleidelijk over zal stappen op digitale procesvoering en afstapt van papieren stukkenwisseling. Overigens zal de burger die zelf mag procederen (in procedures waarvoor geen verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat geldt) nog steeds schriftelijk (op papier) mogen procederen.

Digitaal procederen wordt sinds 1 september 2017 stapsgewijs ingevoerd. Eerst zullen advocaten ermee in aanraking komen. De rechtbanken in de arrondissementen Midden Nederland en Gelderland hebben de eer als eerste gebruik te maken van digitale procesvoering. Overigens geldt digitaal procederen ook al bij de Hoge Raad.

Vervolgens zal digitale procesvoering stapsgewijs worden doorgevoerd tot per 1 januari 2020 alle procedures langs digitale weg gevoerd zullen worden. Dit zal ook inhoudelijke wijzigingen van het procesrecht met zich meebrengen. Het onderscheid tussen dagvaardingsprocedures en verzoekschriftprocedures zal vervagen, doordat er één uniforme procesinleiding zal komen. Er zal wel een onderscheid blijven tussen “vorderingen” (nu dagvaardingszaken) en “verzoeken”.

Zie ook de internetconsultatie met het concept Voorontwerp. En de subpagina’s over KEI.

[MdV, 7-12-2016; bijgewerkt 29-12-2017]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.