Enquêteprocedure Ondernemingskamer (Boek 2, Titel 8, Afd. 2 B.W.)

Inleiding enquêteprocedure Ondernemingskamer

Ondernemingskamer

Het verzoek tot het instellen van een enquête kan uitsluitend worden ingeleid bij de Ondernemingskamer (art. 2:345 B.W.). Dit is een speciale afdeling van het Gerechtshof Amsterdam, speciaal voor het beslechten van geschillen binnen ondernemingen.

Deze procedure is mogelijk bij alle rechtspersonen, die naar hun aard een onderneming drijven (de B.V., de N.V., de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij) en bij verenigingen en stichtingen die een onderneming drijven waarvoor een ondernemingsraad moet worden ingesteld (art. 2:344 B.W.).

Op de website van de Ondernemingskamer staat veel informatie, ook over lopende procedures.

Reden tot instellen enquête

De grondslag voor het enquête-verzoek moet zijn, dat er “gegronde reden is om aan een juist beleid te twijfelen” (art. 2:350 B.W.). Dat moet dus in het verzoek worden gesteld en voldoende worden onderbouwd, anders wordt het verzoek afgewezen.

Wie kunnen het enquête-verzoek indienen?

In art. 2:346 e.v. B.W. is geregeld wie bevoegd zijn een enquête-verzoek te doen. In ieder geval aandeelhouders en de certificaathouders. Bij B.V.’s met een kapitaal tot 22,5 miljoen Euro mits zij staan voor tenminste 10% van het kapitaal. En boven dat bedrag mits zij staan voor tenminste 1%. Daarnaast ook andere belanghebbenden, waaronder de vennootschap zelf en haar curator en (sommige) werknemersverenigingen (art. 2:347 B.W.).

Verschaffers van risicodragend kapitaal kunnen gelijkgesteld worden en ook als belanghebbenden beschouwd worden (zie HR 29 maart 2013, NJ 2013, 304).

Vooraf aankaarten bij de vennootschap

Voorafgaand aan het verzoek moeten de verzoekers – op straffe van niet-ontvankelijkheid – hun bezwaren schriftelijk kenbaar gemaakt hebben aan het bestuur (en de Raad van Commissarissen, als die er is) (art. 2:349 B.W.). Voor indiening moet zoveel tijd zijn verstreken, dat deze redelijkerwijs de kans hebben gehad maatregelen te treffen. In de zaak ATR Leasing (zie hieronder) heeft de OK naar aanleiding van een niet-ontvankelijkheidsverweer overwogen, dat alleen het bestuur van de vennootschap zich erop kan beroepen dat zij niet eerst is benaderd met de klachten. Interessant is ook, dat de OK in die kwestie daarnaast overwoog, dat omdat het verzoek om onderzoek te doen zag op het verleden, het bestuur hier ook niet veel meer aan had kunnen veranderen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel van de OK.

Voorlopige voorzieningen

De kracht van de procedure bij de Ondernemingskamer ligt in de snelheid. Ook kan de Ondernemingskamer direct voorlopige voorzieningen treffen die ingrijpen in de gang van zaken binnen de onderneming (art. 2:349a lid 2 B.W.). De Ondernemingskamer is hierin doorgaans vrij doortastend en schrikt er niet voor terug dit ook daadwerkelijk te doen, als dit naar het oordeel van de Ondernemingskamer in het belang van de onderneming is.

Voor het treffen van voorlopige voorzieningen voorafgaand aan (dus vooralsnog zonder) het gelasten van een enquete-onderzoek heeft de Hoge Raad in het DSM-arrest d.d. 14 december 2007 criteria opgesteld. Die criteria zijn:

  • er moeten voldoende zwaarwegende redenen zijn om voorlopige maatregelen te gelasten, zonder dat er nog een onderzoek is bevolen
  • er moet een billijke afweging plaatsvinden van de belangen van alle betrokken partijen
  • de OK moet van deze bevoegdheid terughoudend gebruik maken

Doorbreken van patstelling tussen 50% aandeelhouders

De enquêteprocedure kan ook worden benut voor het doorbreken van een patstelling tussen de aandeelhouders, als die ertoe leidt dat een behoorlijk bestuur (een juist beleid) van de directie van een vennootschap daardoor in gevaar komt.

Het enkele feit, dat er een patstelling is, is echter niet voldoende. Er moeten wel bijkomende feiten zijn (en worden aangevoerd en aannemelijk gemaakt uiteraard), die deze stelling kan staven. Zie de beslissing inzake Best Golf en Country B.V. d.d. 20 april 1989, waarin de OK dit met zoveel woorden heeft opgemerkt.

In de beschikking van 21 november 1991 inzake ITP Holland Beleggingsmaatschappij  B.V. (N.J. 1992, 254) werd als verweer gevoerd, dat de enquêteprocedure niet geschikt is voor het beslechten van aandeelhoudersgeschillen. Daarvoor zou de geschillenregeling van Afd. 1, Titel 8 Boek 2 B.W. bedoeld zijn. Dat verweer wijst de OK echter ook van de hand. De mogelijkheid de weg van de geschillenregeling te volgen sluit een enquêteprocedure niet uit.

Wanneer een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken in de vennootschap geïndiceerd is, kan ook een enquêteprocedure uitkomst bieden, aldus de OK.

In de beschikking van de OK d.d. 16 november 2011 inzake Toeleiding naar Arbeid B.V. (TNA) wordt de mogelijkheid van het benutten van de enquêteprocedure om een impasse in het bestuur op te lossen nog duidelijker neergezet. Vanwege verschil van inzicht vragen beide DGA’s om een enquête, met voorlopige voorzieningen. Ter zitting worden zij het eens over de aanstelling van een interim-bestuurder, die de uitkoop van een van beiden moet begeleiden. Het enquête-onderzoek wordt daarmee naar de toekomst geschoven (en wordt in feite van ondergeschikt belang) en de voorlopige voorziening komt voorop te staan.

Beleidsvrijheid van de Ondernemingskamer

In het arrest van de Hoge Raad inzake ATR Leasing d.d. 30 maart 2007 klaagde de oorspronkelijk verzoekster tot enquête (de Stichting Jan Rebel), dat de OK in strijd met art. 24 Rv. buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden door een onderzoek te gelasten voor een ruimere periode dan zij had gevraagd.Art. 24 Rv. luidt:

De rechter onderzoekt en beslist de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit.

De OK had de periode verruimd naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van een belanghebbende – tussengekomen – partij (IMCA).

Het is aan de OK om te toetsen of er – aldus de Hoge Raad met verwijzing naar HR 20-11-11996, NJ 1997, 188 – voldoende reden is om aan een juist beleid te twijfelen en daarmee is voldaan aan het vereiste van art. 2:350 B.W.. Daarbij dient de OK alle betrokken belangen mee te laten wegen, waaronder die van de verzoeker, maar ook van andere bij de rechtspersoon betrokken partijen. Het belang van de rechtspersoon (de vennootschap) staat echter voorop.

De Hoge Raad overweegt dan (r.o. 4.4. tweede alinea):

Met het oog hierop, en gelet op de aard van deze op een spoedige beslissing gerichte procedure, past het niet de eis te stellen dat de OK slechts kan beslissen binnen de stricte grenzen van het verzoek. Deze beoordelingsvrijheid brengt mee, dat belanghebbenden, ook indien zij niet de bevoegdheid hebben een verzoek tot het bevelen van een onderzoek in te dienen, over alle aspecten van het verzoek hun standpunt kenbaar mogen maken.

Dus ook over de toewijsbaarheid van het verzoek of de periode waarover het onderzoek zich volgens hen moet uitstrekken. De OK heeft daarbij grote vrijheid om te gelasten een onderzoek te doen instellen, en de door haar nodig geachte voorlopige voorzieningen te treffen. Zie ook HR 6 juni 2003, NJ 2003, 486.

De enige beperking hierbij is in het licht van art. 24 Rv. dat de OK partijen niet mag verrassen. Er moet met betrekking tot het verzoek van de belanghebbenden geen deugdelijke hoor en wederhoor hebben plaatsgevonden.

[MdV, 25-11-2016; bijgewerkt 5-07-2018]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.