Misbruik van procesrecht

Inleiding misbruik van procesrecht

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake misbruik van procesrecht blijkt, dat er alleen dan sprake kan zijn van misbruik van (proces)recht in extreme gevallen. Als het gaat om een vordering van een eiser moet deze dermate evident zinloos en kansloos zijn, dat het op voorhand glashelder is dat deze feitelijk onmogelijk toewijsbaar is.

Maatstaf voor misbruik van procesrecht

Eén van de toonaangevende arresten inzake misbruik van (proces)recht is het arrest van de Hoge Raad d.d. 29-06-2007 (NJ 2007, 353) (Waterschap Regge & Dinkel/Milieutech). Deze procedure betreft een feitelijk wat ingewikkelde procedure tussen twee Waterschappen en MilieuTech, waarbij de Waterschappen (tot twee maal toe) een herroepingsprocedure gestart zijn tegen een arbitraal vonnis tussen die partijen.

Het draaide er om, dat de Waterschappen gesteld hadden, dat de arbiter was misleid omtrent meetgegevens, waardoor de arbitrage kennelijk ten nadele van de Waterschappen was uitgepakt. Nadat het Hof geoordeeld had, dat er sprake was van misbruik van procesrecht van de kant van de Waterschappen, casseert de Hoge Raad die beslissing.

Aan het slot van r.o. 4.4. van het arrest overweegt de Hoge Raad:

“…
De onderdelen klagen op grond hiervan terecht dat het oordeel van het hof dat de Waterschappen deze grondslag niet zouden kunnen bewijzen, ontoereikend is gemotiveerd en dat in elk geval niet valt in te zien dat de herroepingsvordering bij voorbaat ongegrond zou zijn geweest.”

R.o. 4.5. gaat verder:

“4.5 De grondslag van deze vordering is weliswaar in de tweede herroepingsprocedure niet als juist aanvaard, doch daaruit volgt niet dat de Waterschappen ten opzichte van Milieutech misbruik van procesrecht hebben gemaakt of onrechtmatig hebben gehandeld door deze procedure te voeren. Daarvan zou pas sprake kunnen zijn als de Waterschappen hun vordering hadden gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kenden of hadden behoren te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moesten begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden…”

En in r.o. 4.6.:

“4.6 De gedingstukken laten, zoals uit het voren overwogene volgt, geen andere conclusie toe dan dat de Waterschappen in de tweede herroepingsprocedure een vordering hebben ingesteld waarvan niet kan worden aangenomen dat deze op voorhand geheel kansloos was.”

In de conclusie van P-G Huydekooper bij dit arrest gaat de P-G in op het leerstuk van misbruik van procesrecht, en geeft daarbij een uiteenzetting van de overwegingen die een rol spelen bij een oordeel over misbruik van procesrecht.

De P-G noemt als de twee belangrijkste redenen voor een zeer marginale toets van de toelaatbaarheid van proceshandelingen:

(i) dat partijen de ruimte gelaten moet worden hun zaak in een procedure te voeren en te bepleiten op de wijze die hen goeddunkt en

(ii) dat wanneer die ruimte ingeperkt zou worden er slechts meer debat zou ontstaan over de toelaatbaarheid, hetgeen zoals de P-G opmerkt zelden tot zinvolle uitkomsten zal leiden.

Een essentiële opmerking uit de conclusie van de P-G luidt:

“25) Ik denk, zoals ik al aangaf, dat maar een minimale ruimte behoort te worden aanvaard voor de gedachte dat iemand misbruik van procesrecht zou maken wanneer aannemelijk is dat betrokkene wist/behoorde te weten dat hetgeen hij aan de rechter voorlegt (niet feitelijk onjuist maar) rechtens “onhoudbaar” is.

26) De marge is hier volgens mij dus nog iets smaller dan waar het gaat om feitelijke stellingen. De rechtvaardiging daarvoor bestaat er in dat de rechter ten aanzien van feitelijke gegevens wel kan worden misleid, maar ten aanzien van het recht (en dus ook ten aanzien van de juridische component van “gemengde” stellingen), niet. De rechter is altijd in staat daarover zijn onafhankelijke oordeel te geven.”

Terughoudendheid van de rechter vereist

Een tweede maatgevend arrest over het leerstuk van misbruik van procesrecht is het arrest van de Hoge Raad d.d. 6 april 2012 (NJ 2012/233). De Hoge Raad haalt daarin de overwegingen uit de zaak Waterschap Regge & Dinkel/Milieutech als volgt aan:

“5.1 De hiervoor in 3.2 omschreven reconventionele vordering van Achmea komt erop neer dat Duka de onderhavige procedure zonder grond tegen haar heeft aangespannen en daarom gehouden is alle door Achmea in verband met deze procedure gemaakte kosten te vergoeden. Naar het hof terecht heeft geoordeeld, is deze vordering alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (rov. 11). Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven.

Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007/353).

Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.”

Recent(er) arrest

In het arrest d.d. 13 februari 2015 heeft de Hoge Raad in r.o. 3.4.4. nog eens overwogen, dat voor de rechter terughoudendheid is geboden ten aanzien van het oordeel, dat een vordering misbruik van procesrecht vormt. Het ging daar om een arbeidszaak, waarin de werknemer – na eerst een loonvordering met wettelijke verhoging te hebben ingesteld, welke tot in hoger beroep was toegewezen – in een nieuwe procedure de wettelijke rente vorderde over de verhoging. Rechtbank en Hof meenden dat dit niet de bedoeling kon zijn, de Hoge Raad zag dit anders en zag ook geen aanleiding dit te beschouwen als misbruik van procesrecht.

[MdV, 13-01-2016]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.