Verloop van de procedure (Afd. 5, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Inleiding verloop van de procedure

De bepalingen over het verloop van de dagvaardingsprocedure zijn te vinden in Afd. 5, Titel 2, Boek 1 Rv. (niet-digitaal). Zie hier voor digitaal.

Aanhangig zijn van geding

Art. 125 lid 1 Rv. (niet-digitaal) bepaalt, dat de procedure aanhangig is vanaf het moment van uitbrengen van de dagvaarding. Dat is o.a. bij hoger beroep van belang voor de vraag, of het hoger beroep tijdig binnen de beroepstermijn is ingesteld, of bij conservatoir beslag voor de termijn waarbinnen de procedure uiterlijk moet worden aangevangen. Eenzelfde bepaling kent de wet bij digitaal procederen: art. 125 Rv. digitaal: de procedure is dan aangevangen met ingang van de dag waarop de procesinleiding is ingediend (wanneer de “verzend” knop is aangeklikt nadat alle vereiste velden voor het inleiden van een digitale procedure zijn ingevuld).

Het exploit van dagvaarding wordt bij niet-digitaal procederen aangebracht (placet) bij de griffie (met een B-formulier aangemaakt via het digitale roljournaal). Dit moet uiterlijk de dag voor de eerst dienende dag worden ontvangen door de griffie (lid 2). Het verschil zit er in, dat bij niet-digitaal er een ruime termijn kan zitten tussen de eerst dienende dag, en daarmee het moment waarop het griffierecht verschuldigd is. Wordt het exploit niet aangebracht, dan krijgt de procedure geen vervolg (lid 5). Het abusievelijk niet aanbrengen kan worden hersteld door binnen twee weken na de dag waartegen was opgeroepen een herstelexploot uit te brengen met een oproep tegen een nieuwe datum (nog steeds lid 5).

Bij digitaal procederen is “Send” onverbiddelijk de aanvang van de procedure. Daarbij kan wel een ruimere termijn (van maximaal 6 maanden) worden aangegeven, maar het griffierecht is toch direct verschuldigd.

Vervroeging van de aangezegde datum door gedaagde

De gedaagde kan in niet-digitale procedure de datum vervroegen, door zelf een exploit uit te brengen en de eiser op te roepen tegen een vroegere datum (art. 126 Rv. niet-digitaal). Bij digitaal procederen is dit niet aan de orde (art. 126 Rv. is bij KEI vervallen).

Verzuim aan te brengen; verval instantie

Verzuimt de eiser de dagvaarding op de dienende dag aan te brengen, dan kan de gedaagde de zaak aanbrengen en verval van instantie vragen (art. 127 lid 1 en 2 Rv. niet-digitaal). De eiser kan het verzuim wel alsnog herstellen.

Wanneer de gedaagde het exploit van vervroeging verzuimt aan te brengen, dan blijft de oorspronkelijke dagvaarding van eiser gelden (art. 127 lid 3 niet-digitaal).

Deze regels zijn uiteraard bij digitaal procederen volgens KEI niet van toepassing (vervallen). Daarvoor in de plaats komt de digitale procesinleiding; zie de betreffende pagina.

Griffierecht

De eiser moet het griffierecht binnen de termijn van art. 3, lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken voldoen. Anders kan de rechter verval van instantie gelasten (art. 127a Rv. niet-digitaal). De eiser krijgt nog wel een termijn om zich uit te laten. De bepaling is bij digitaal procederen ongewijzigd (art. 127a Rv. digitaal).

De gedaagde moet – zodra hij zich gesteld heeft – binnen dezelfde termijn betalen. Doet hij dat niet, dan wordt gehandeld als bij verstek (art. 128 lid 6 Rv. niet-digitaal). Bij digitaal procederen geldt hetzelfde (art. 128 Rv. digitaal).

Stellen gedaagde en antwoord; uitsteltermijnen

De gedaagde stelt zich op de eerst dienende (rol)datum in de procedure (art. 128 lid 1 Rv. niet-digitaal) en verkrijgt een termijn voor antwoord (lid 2). Voor de uitsteltermijnen zie het toepasselijke rolreglement. De conclusie van antwoord moet “met redenen omkleed” zijn. Ook over de andere uitsteltermijnen beslist de rechtbank aan de hand van het rolreglement (art. 133 Rv. niet-digitaal). Wordt een termijn niet benut dan verliest de partij die aan het woord is die beurt. Art. 30o Rv. digitaal biedt voor digitaal procederen een enigszins vergelijkbare bepaling (art. 133 Rv. vervalt in KEI).

Wanneer er een comparitie na antwoord gehouden wordt, volgen er in beginsel geen repliek en dupliek meer (art. 132 Rv. niet-digitaal).

Concentratie van verweer en excepties

Belangrijk is dat de gedaagde al zijn weren direct in de conclusie van antwoord naar voren moet brengen (art. 128 lid 3 Rv. niet-digitaal). Deze bepaling is in het nieuwe procesrecht verhuisd naar art. 30i Rv (digitaal). Doet hij dit niet, dan verliest hij het recht op een later tijdstip alsnog excepties naar voren te brengen. En verweert hij zich niet ten principale, dan vervalt ook dat recht. Overigens zit in verruiming van het verweer ten principale in de praktijk nog wel wat rek.

De achtergrond van deze regel is de Lex Hartogh, die tot doel had gechicaneer en uitstelgedrag bij het verweer tegen te gaan. Bij de voorlaatste herziening van het procesrecht is dit ook op andere punten voor beide partijen aangescherpt door de eis dat partijen direct al hun stellingen en alle informatie op tafel moeten leggen.

Ook moet de gedaagde de bewijsmiddelen die hij wil aanvoeren, alsmede evt. getuigen, bij antwoord vermelden (lid 5).

Vermindering of vermeerdering van eis

Eiser heeft echter ruimere mogelijkheden de eis te wijzigen en te vermeerderen (art. 129 Rv. niet-digitaal en art. 130 Rv. niet-digitaal). Zie ook de pagina vermeerdering van eis.

Comparitie na antwoord

Wanneer beide partijen één keer aan het woord geweest zijn, besluit de rechtbank binnen twee weken of er een zgn. “comparitie na antwoord” (art. 133 Rv. niet-digitaal) wordt gelast. Dit is een zitting waarop (1) partijen de gelegenheid krijgen hun stellingen nader toe te lichten, (2) de rechtbank aan partijen vragen kan stellen over de feiten en de verdeling van de bewijslast (art. 88 Rv. niet-digitaal) en waarbij (3) de rechter partijen zal proberen te bewegen om een schikking beproeven (art. 87 Rv. niet-digitaal).

Bij de KEI-procedure wordt de comparitie zoveel mogelijk meteen bepaald op een datum nadat de gedaagde zijn verweerschrift heeft ingediend (art. 30j Rv. digitaal). Voor het achterwege laten is bij KEI de instemming van partijen vereist. Art. 30k Rv. digitaal werkt de doeleinden van de comparitie iets nader uit. In KEI is art. 87 Rv. wel gehandhaafd, art. 88 Rv. is vervallen.

Pleidooi

Tot slot kunnen partijen desgewenst hun standpunten nog bij pleidooi toelichten. Als er een comparitie heeft plaatsgevonden, dan kan de rechtbank beslissen dat er geen pleidooi meer mag volgen (art. 134 Rv. niet-digitaal). In de KEI procedure is het pleidooi niet meer expliciet voorzien, maar de procedure geeft de rechtbank meer vrijheid om partijen de gelegenheid geven te reageren (vgl. art. 30o Rv. digitaal). Zij kunnen ook aan de rechter vragen om een nadere mondelinge behandeling of een pleidooi.

Tot slot wijst de rechter het vonnis. Zie de bepalingen over het vonnis.

Andere relevante pagina’s

Dagvaardingsprocedures (Titel 2, Boek 1 Rv.)

Algemene bepalingen dagvaardingsprocedure (Afd. 1, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Kantonzaken (Afd. 2, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Relatieve bevoegdheid (Afd. 3, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Dagvaarding (Afd. 4, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Reconventie (Afd. 6, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Verstek (Afd. 7, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Verzet (Afd. 8, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Bewijs (Afd. 9, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Incidentele vorderingen (Afd. 10, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Schorsing en hervatting (Afd. 11, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Vonnis (Afd. 12, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Afbreking van instantie (Afd. 13, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Kort geding (Afd. 14, Titel 2, Boek 1 Rv.)

[MdV, 31-01-2018]

 

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.