Verdeling executie-opbrengst niet-registergoederen (Afd. 3, Titel 2, Boek 2 Rv.)

Inleiding verdeling executie-opbrengst niet-registergoederen

Wanneer de executie is voltooid, zal de executie-opbrengst door de deurwaarder verdeeld moeten worden. Wanneer er maar één gerechtigde is, dan is dat eenvoudig: de hele executie-opbrengst valt na aftrek van de executiekosten toe aan de executant (art. 480 lid 1 Rv.).

Wanneer er echter meerdere partijen zijn, die aanspraak op de executie-opbrengst kunnen maken, dan zal er een verdeling moeten worden vastgesteld. Er moet dan een rangregeling worden getroffen. De wet regelt die verdeling voor de executie-opbrengst van niet-registergoederen in Afd. 3, Titel 2 van Boek 2 Rv..

De executie-opbrengst kan bij niet-registerzaken omvatten de verkoopopbrengst van de executoriale verkoop van roerende zaken, maar kan ook betrekking hebben op de opbrengst van de inning van vorderingen op derden (debiteuren).

Verdeling na inning van vorderingen op derden

De executant (B) int op basis van het executoriaal beslag onder de derde (C) wat hij van zijn eigen schuldenaar (A) te vorderen heeft. Door de inning gaat de vordering van A op C teniet. B kan zich verhalen op het geïnde, maar als er andere beslagleggers zijn, of beperkt gerechtigden (zoals een pandhouder) die ook een vordering pretenderen op de schuldenaar A, dan zal er een verdeling moeten worden gemaakt met inachtneming van ieders rang volgens het verhaalsrecht (zie de pagina verhaalsrecht).

In die zin ook Hoge Raad d.d. 23 april 1999 (RvdW 1999, 71 NBC/Sisal). De Hoge Raad besliste dat het niet nodig is dat de pandhouder zelf ook beslag gelegd moet hebben om aanspraak te kunnen maken op de rechten ex art. 480 lid 2 Rv.. En voorts dat de (door de inning door een andere executerende crediteur gepasseerde) pandhouder behoort tot de groep “beperkt gerechtigden” wiens aanspraak is vervallen door de inning van de vordering onder de derde-beslagene. Bij de rangregeling dient verdeeld te worden met inachtneming van de rang van de crediteur die een pandrecht had op de geïnde vordering.

Rangregeling ten overstane van een rechter-commissaris en verwijzing naar rechtbank

Komen de belanghebbenden er niet uit, dan kan “de meest gerede partij” en verzoek indienen tot het treffen van een rangregeling (art. 481 Rv.).

In art. 481 Rv. tot en met art. 490d Rv. wordt voorzien in een procedure, waarbij de verdeling door de rechtbank wordt vastgesteld als de belanghebbenden niet tot overeenstemming kunnen komen over de verdeling. In eerste instantie wordt getracht ten overstane van een rechter-commissaris (“R-C”) tot een vergelijk te komen. De belanghebbenden moeten hun vorderingen gestaafd met bescheiden indienen.

Komen ze er dan nog steeds niet uit, dan kan de R-C de strijdende partijen ter beslechting van het geschil verwijzen naar de rechtbank (art. 486 Rv.). Deze verwijzing vertoont gelijkenis met de renvooiprocedure in faillissement (zie de pagina verificatie).

Rangregeling na inning door pandhouder

Wanneer de pandhouder op basis van het recht van parate executie geïnd heeft, dan zal de resterende executie-opbrengst verdeeld moeten worden onder de andere, lager gerangschikte crediteuren (art. 490b Rv.). De wet voorziet dan in een vergelijkbare gang van zaken als bij de verdeling na executie door een beslaglegger als hiervoor uiteengezet.

In het proces verbaal van de rangregeling vastgesteld door de rechtbank Oost-Brabant d.d. 22 augustus 2016 heeft de rechtbank uiteengezet hoe een rangregeling dient te worden vastgesteld, wanneer de vorderingen op debiteuren door een pandhouder executoriaal zijn geïnd. Het ging in dit geval om een inning door een curator, maar namens de bank die pandhouder was (ex art. 57 lid 1 Fw. op basis van haar positie als separatist in het faillissement). In dat geval gelden de gewone executieregels van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, in het bijzonder art. 490b Rv. (aldus de rechtbank in r.o. 4.6).

Het arrest van de Hoge Raad d.d. 28 februari 2014 (NN/KBC Bank) ging over de vraag of de executie door KBC had plaatsgevonden als pandhouder of niet. Deze ingewikkelde casus betrof de executie door kredietverstrekker KBC Bank, die pandhouder/hypotheekhouder was van een aantal scheepscasco’s van de debiteur RMA. Als complicerende factor had KBC Bank ook nog eens de executie overgenomen van een aantal andere crediteuren van RMA. In die hoedanigheid was KBC gesubrogeerd in de rechten van die andere crediteuren. De belanghebbende die probeerde ook een deel van de opbrengst van de casco’s uitgekeerd te krijgen, stelde dat door de executieverkoop het pandrecht was vervallen. Het Hof besliste echter, dat KBC Bank in dat geval op basis van art. 480 lid 2 Rv. kan opkomen, omdat door de executie het pandrecht was komen te vervallen. Daardoor zat zij alsnog als pandhouder aan tafel, met de daaraan verbonden voorrang.

Deze zaak kreeg nog een vervolg met HR 21 december 2018. De andere crediteuren klaagden, dat KBC niet op de voet van art. 485a lid 2 Rv. tegenspraak tegen de verdeling had mogen indienen voor de – later ingediende – rente en kosten. Volgens hen staat die mogelijkheid alleen open voor crediteuren die nog helemaal geen vordering hebben ingediend. De Hoge Raad wijst die visie van de hand. Mits KBC de kosten van de vertraging voor haar rekening neemt kan zij wel tegenspraak indienen opdat de rente en kosten op haar vordering alsnog worden meegenomen. De Hoge Raad:

“… een schuldeiser als bedoeld in art. 482, tweede lid Rv, (kan) zijn vordering ook nog na de in dat artikel bedoelde termijn aanmelden mits hij daarbij een redelijk belang heeft en hij de daardoor veroorzaakte kosten en schade voor zijn rekening neemt en deze tot een door de rechter-commissaris voorlopig te begroten bedrag onverwijld stort bij de bewaarder van de executieopbrengst. Deze door de wetgever geboden coulance geldt, gelet op art. 490 Rv, tot het moment van sluiting van het proces-verbaal van verdeling. Nu art. 485a lid 2 Rv een algemene verwijzing bevat naar ‘een schuldeiser als bedoeld in art. 482 lid 2 Rv’, moet verder worden aangenomen dat die coulance geldt ongeacht of die schuldeiser al eerder een vordering heeft aangemeld (zie Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 205).”

Deze bepaling kan vanwege het verbod op toetsing van formele wet aan de Grondwet of algemene rechtsbeginselen niet op basis van art. 2:248 B.W. terzijde worden gesteld, tenzij de wetgever de betrokken belangen door bijzondere omstandigheden onvoldoende heeft verdisconteerd. Vgl. HR 18 mei 2018 (r.o. 3.8.1.) waarin deze vraag ook aan de orde was met betrekking tot toetsing van een wettelijke bepaling.

Storten onder een bewaarder

Wanneer er meerdere gerechtigden zijn, dan dient de deurwaarder de executie-opbrengst te storten onder een bewaarder als bedoeld in art. 445 Rv. (aldus art. 480 lid 2 Rv.). Vervolgens wordt getracht een regeling te bereiken over de verdeling, en wanneer die wordt bereikt kan alsnog dienovereenkomstig worden uitgekeerd.

Aansprakelijkheid van de Staat voor verdeling

Verzuimt de executerend deurwaarder de regels van art. 480 lid 2 Rv. na te leven dan is de Staat naast de deurwaarder mede aansprakelijk voor de schade die als gevolg daarvan ontstaat (art. 480 lid 3 Rv.).

Rechtspraak

Rangregeling

Rechtbank Oost-Brabant d.d. 22 augustus 2016

Hoge Raad d.d. 28 februari 2014 (NN/KBC Bank)

Hoge Raad d.d. 23 april 1999 (RvdW 1999, 71 NBC/Sisal)

Hoge Raad d.d. 29 oktober 2010 (NJ 2011, 236 Lehman c.s./Staat) aansprakelijkheid Staat voor schade ex art. 480 lid 3 Rv. t.g.v. fouten van deurwaarder bij verdelen executie-opbrengst aandelen

Andere relevante pagina’s

Executie van niet-registergoederen (Titel 2, Boek 2 Rv.)

Beslag op aandelen

NB de links naar wetten overheid op deze pagina verwijzen naar de versie van de wet voor digitaal procederen. Voor de versie van de wet zoals die geldt voor niet-digitaal procederen zie deze link: Afd. 3, Titel 2, Boek 2 Rv. niet-digitaal.

[MdV, 19-06-2018; bijgewerkt 16-01-2019]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.