LawyrupBurgerlijk wetboekOverige wetten burgerlijk rechtWet Flexibel Werken (WFW)

Goed werkgeverschap en goed werknemerschap

De regeling kan worden bezien in het licht van de redelijke en billijke uitvoering van de arbeidsovereenkomst, waar werkgever en werknemer tegenover elkaar toe verplicht zijn op grond van art. 7:611 B.W.. Oftewel het goed werkgeverschap en goed werknemerschap. Werknemer en werkgever moeten dan ook zoveel mogelijk in goed overleg met elkaar tot invulling en aanpassing van de arbeidsovereenkomst zien te komen. Maar de WFW reikt ze daarbij handvatten aan. Voor de algemene regel van art. 7:611 B.W. zie de pagina Algemene bepalingen arbeidsovereenkomst.

Uitsluitingen toepassing WFW voor gepensioneerden en militairen

De regeling geldt niet voor werknemers die de AOW leeftijd al hebben bereikt (art. 1a Wet Flexibel Werken). Voor militaire ambtenaren geldt een afzonderlijke regeling bij AMvB (art. 2 lid 2 Wet Flexibel Werken).

Voorwaarde: tenminste 26 weken in dienst

De wet stelt als voorwaarde voor het mogen  doen van het verzoek, dat de werknemer tenminste 26 weken in dienst is bij de werkgever. Als er sprake is van een keten van overeenkomsten van bepaalde tijd dan worden de schakels bij elkaar opgeteld en dienen die eveneens samen tenminste 26 weken te bedragen (art. 2 lid 1 Wet Flexibel Werken).

Het verzoek kan zien op aanpassing voor al dan niet wisselende perioden en met al dan niet verschillende omvang van de uit zijn arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling voortvloeiende arbeidsduur, arbeidsplaats of werktijd.

Militairen: aparte regeling

Voor militaire ambtenaren is een afzonderlijke regeling bij AMvB gemaakt (art. 2 lid 2 Wet Flexibel Werken).

Wijze van indienen verzoek aanpassing arbeidsduur, arbeidsplaats of werkduur

De werknemer moet het (schriftelijke) verzoek bij de werkgever indienen tenminste twee maanden voor het moment van ingaan van de wijziging (art. 2 lid 3 Wet Flexibel Werken). Daarbij moet de werknemer (logischerwijs) aangeven:

a. de gewenste omvang van de aanpassing van de arbeidsduur per week, of, als de arbeidsduur over een ander tijdvak is overeengekomen, over dat tijdvak;

b. de gewenste arbeidsplaats; of

c. de gewenste spreiding van de werktijd van de uren over de week, of het anderszins overeengekomen tijdvak.

Aanpassing arbeidsduur of werktijden: zwaarwegende bedrijfsbelangen

De werkgever willigt het verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur of de werktijd in, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

Bij vermindering van de arbeidsduur is volgens art. 2 lid 9 Wet Flexibel Werken in ieder geval sprake van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang, indien die vermindering leidt tot ernstige problemen:

a. voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen uren;

b. op het gebied van de veiligheid, of

c. van roostertechnische aard.

Bij vermeerdering van de arbeidsduur is volgens art. 2 lid 10 Wet Flexibel Werken in ieder geval sprake van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang, indien die vermeerdering leidt tot ernstige problemen:

a. van financiële of organisatorische aard;

b. wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of

c. omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe ontoereikend is.

Aanpassing van de arbeidsplaats

Voor het verzoek van de werknemer om aanpassing van de arbeidsplaats gelden minder zware eisen. De wet schrijft slechts voor, dat de werkgever over dit verzoek met de werknemer overlegt, indien (voordat) hij het verzoek afwijst (art. 2 lid 6 Wet Flexibel Werken).

Spreiding werktijden

De verzochte gewijzigde spreiding van de uren over de week (of ander tijdvak) moet de werkgever in principe toekennen overeenkomstig de wensen van de werknemer. De werkgever kan de gewenste spreiding van de uren wijzigen, indien hij daarbij een zodanig belang heeft dat de wens van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken (art. 2 lid 7 Wet Flexibel Werken).

Wijze van behandeling van het verzoek door de werkgever

De werkgever moet uiteraard met de werknemer over het verzoek in overleg treden (redelijk overleg, hoor en wederhoor) (art. 2 lid 4 Wet Flexibel Werken).

De beslissing op het verzoek moet door de werkgever schriftelijk worden meegedeeld. Als de werkgever het verzoek niet inwilligt, of de spreiding van de uren, de aanpassing van de arbeidsplaats of werktijd vaststelt in afwijking van de wensen van de werknemer, wordt dit onder schriftelijke opgave van de redenen meegedeeld (art. 2 lid 8 Wet Flexibel Werken).

Hernieuwd verzoek van de werknemer

Een nieuw verzoek – na toewijzing dan wel afwijzing van een eerder verzoek – niet eerder dan na een jaar worden gedaan (art. 2 lid 3, laatste volzin Wet Flexibel Werken).

Geen ontslag wegens verzoek tot aanpassing op grond van de WFW

De werknemer mag niet worden afgestraft met een ontslag wegens een verzoek op grond van de Wet Flexibel Werken (art. 3 Wet Flexibel Werken).

Evaluatie van de wet

De regeling is niet ingebed in Titel 10 Boek 7 B.W., wellicht omdat dit een regeling is die een voorlopig karakter heeft. De wet wordt na 5 jaar geëvalueerd (art. 4 Wet Flexibel Werken).

Auteur & Last edit

[MdV, 22-05-2021; laatste bewerking 1 juni 2021]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.

Vond je deze content nuttig? Steun Lawyrup met een donatie naar keuze.

Doneren