LawyrupBurgerlijk wetboekPersonen en familierecht (Boek 1 B.W.)Gezag over minderjarige kinderen (Titel 14, Boek 1 B.W.)Ouderlijk gezag over minderjarige kinderen (Afd. 2, Titel 14, Boek 1 B.W.)

Het gezamenlijk gezag van ouders binnen en buiten huwelijk en het gezag van één ouder na scheiding (Par. 1)

Zoals art. 1:251 lid 1 B.W. aangeeft, oefenen getrouwde ouders het gezag gezamenlijk uit. Dit geldt ook voor het geregistreerd partnerschap (art. 1:253aa lid 1 B.W.).

Na ontbinding van het huwelijk blijven zij het gezag gezamenlijk uitoefenen, tenzij de ontbinding het gevolg is van de dood van een ouder of van scheiding van tafel en bed (art. 1:251 lid 2 B.W.). Ook na beëindiging van het geregistreerd partnerschap blijven de ouders het gezamenlijk gezag uitoefenen. De bepalingen inzake gezamenlijk gezag uit paragraaf 1 zijn dan ook van overeenkomstige toepassing op het geregistreerd partnerschap (art. 1:253aa lid 2 B.W.). Art. 1:251 lid 2 B.W. en art. 1:251a lid 2 en lid 3 B.W. zijn hiervan echter uitgezonderd.

Gezag bij één ouder

In uitzonderlijke omstandigheden kan de rechter op verzoek van een ouder het gezag over een kind toewijzen aan één ouder (art. 1:251a lid 1 B.W.). Deze ouder moet stellen en aannemelijk maken dat het kind anders klem en verloren zou raken tussen de ouders en dat hierin op korte termijn geen verbetering zal komen, of – meer algemeen – dat wijziging van het gezag in het belang van het kind noodzakelijk is.

Er moet wel sprake zijn van ernstige belemmeringen in de verzorging en opvoeding van het kind wil de rechter het gezamenlijke gezag omzetten in eenhoofdig gezag. Dit zal vervolgens gebeuren bij echtscheidingsbeschikking of, indien nader onderzoek over het gezag nodig is, bij latere beschikking (art. 1:251a lid 2 B.W.).

Zijn er nog andere kinderen in het spel, waarvoor nog niet het gezag is geregeld, dan kan de rechter de beslissing tot eenhoofdig gezag daartoe ambtshalve, of op verzoek van een ouder of de Raad voor de Kinderbescherming aanvullen (art. 1:251a lid 3 B.W.).

Informele rechtsingang eenoudergezag minderjarige kinderen

De rechter mag de beslissing tot eenhoofdig gezag ambtshalve geven indien hem blijkt dat een minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen (art. 1:251a lid 4 B.W.). Dit zal moeten blijken uit een informeel verzoek van de minderjarige omtrent de gezagswijziging na scheiding van zijn ouders.

Gezamenlijk ouderlijk gezag minderjarige kinderen zonder huwelijk of geregistreerd partnerschap

Indien ouders niet getrouwd zijn of geen geregistreerd partnerschap hebben, maar wel het gezag gezamenlijk willen uitoefenen, moeten zij samen de griffier van de rechtbank verzoeken tot aantekening in het register betreffende het over minderjarigen uitgeoefende gezag (art. 1:152 lid 1 B.W.).

Alleen de juridische ouders kunnen dit verzoek doen. Hebben de ouders al eerder het gezamenlijke gezag uitgeoefend, dan kunnen zij het verzoek niet opnieuw doen zonder tussenkomst van de rechter.

Weigering aantekening ouderlijk gezag minderjarige kinderen

De griffier zal in de volgende situaties het verzoek niet inwilligen (art. 1:252 lid 2 B.W.):

a. Eén of beide ouders is onbevoegd tot gezag door minderjarigheid (de moeder kan zich ex art. 1:253ha B.W. meerderjarig laten verklaren);

b. Het gezag van één van de ouders is beëindigd en de ander oefent alleen het gezag uit (de ouder kan ex art. 1:277 B.W. een verzoek tot herstel in het ouderlijk gezag indienen);

c. Een voogd heeft het gezag (de ouders kunnen de rechter verzoeken de beslissing omtrent voogdij te wijzigen);

d. De voorziening in het gezag ontbreekt (de ouders kunnen de rechter ex art. 1:253d B.W. verzoeken tot gezamenlijke voogdij);

e. De ouder die het gezag heeft oefent deze met een ander dan een ouder uit (het gezag van die niet-ouder zal eerst ex art. 1:253n B.W. moeten worden beëindigd, voordat het gezamenlijke gezag kan worden geregistreerd).

Tegen de weigering van de griffier staat alleen beroep open indien de weigering is gebaseerd op de onbevoegdheid tot het gezag vanwege een geestelijke stoornis (art. 1:252 lid 3 B.W.). De rechtbank zal de aantekening echter alleen gelasten als er geen gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

Herleven gezamenlijk ouderlijk gezag minderjarige kinderen

Het hertrouwen van twee ouders (art. 1:253 lid 1 B.W.), het opnieuw aangaan van een geregistreerd partnerschap (art. 1:253 lid 4 B.W.) of de verzoening van twee ouders waardoor een scheiding van tafel en bed eindigt (art. 1:253 lid 3 B.W.) heeft als rechtsgevolg dat het gezamenlijk gezag van rechtswege herleeft. Mits één van hen het gezag uitoefende (niet samen met een ander), en de ander niet onbevoegd is tot het gezag (art. 1:253 lid 1 B.W.).

Is de andere ouder niet bevoegd tot het gezag, dan kan hij de rechter daartoe verzoeken. De rechter zal het gezag niet toekennen als gegronde vrees bestaat dat daarbij de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd (art. 1:253 lid 2 B.W.).

Geschillen omtrent het gezamenlijk ouderlijk gezag over minderjarige kinderen

Ongeacht de aard en ernst ervan, kunnen geschillen omtrent het gezamenlijk gezag door (één van) de ouders aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt dan binnen zes weken een beslissing die hij in het belang van het kind wenselijk acht (resp. art. 1:253a lid 6 B.W. en art. 1:253a lid 1 B.W.). Zo’n verzoek kan inhouden het vaststellen van een regeling inzake het ouderlijk gezag.

Deze kan het volgende omvatten (art. 1:253a lid 2):

a. Een verdeling van de verzorgings- en opvoedingstaken aan iedere ouder, of een tijdelijk contactverbod ex art. 1:377a lid 3 B.W. aan een ouder;

b. De beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. De wijze waarop belangrijke informatie over het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft, en de wijze waarop die ouder wordt geraadpleegd;

d. De wijze waarop informatie wordt verschaft door derden die beroepshalve over informatie over het kind beschikken (ex art. 1:377c B.W.).

Art. 1:253a lid 4 B.W. verklaart art. 1:377e B.W. en art. 1:377g B.W. van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat ouders (of één van hen) de rechtbank kunnen verzoeken de verdeling van zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, en dat de rechter een minderjarige van minimaal twaalf jaar kan horen omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van zijn ouders.

Voordat de rechter een regeling vaststelt, moet hij proberen overeenstemming te bereiken tussen de ouders (art. 1:253a lid 5 B.W.). Lukt dit niet, dan kan hij op verzoek of ambtshalve een dwangmiddel opleggen of bepalen dat de regeling ten uitvoer zal worden gelegd.

Ouderschapsplan vóór regeling inzake gezamenlijk ouderlijk gezag

Ouders die het gezamenlijk gezag over hun kind hebben, maar hun samenleving hebben beëindigd, moeten ex art. 1:247a B.W. een ouderschapsplan vaststellen.

Zolang zij dat niet hebben gedaan, kunnen zij geen regeling inzake de uitoefening van het gezamenlijk gezag verzoeken. De rechter houdt het verzoek ambtshalve aan totdat er een ouderschapsplan is gemaakt, tenzij het belang van het kind de regeling vergt (art. 1:253a lid 3 B.W.).

Het gezag van ouders anders dan na scheiding (Par. 2)

Het ouderlijk gezag alleen van de moeder

Art. 1:253b lid 1 B.W. regelt dat de biologische moeder van rechtswege alleen gezag over haar kind uitoefent in de gevallen dat alleen haar moederschap vaststaat, of dat de ouders niet gehuwd zijn (geweest) en het gezag niet gezamenlijk uitoefenen. Tenzij de moeder bij haar bevalling onbevoegd is tot gezag, doordat zij minderjarig is of onder curatele staat. Zij verkrijgt alsnog (van rechtswege) het gezag op het moment dat zij daartoe weer bevoegd wordt (art. 1:253b lid 2 B.W.).

Heeft een ander op dat moment het gezag, dan verkrijgt zij niet zonder meer het gezag. Zij zal de rechtbank moeten verzoeken haar met het gezag te belasten (art. 1:253b lid 3 B.W.). Als het de andere ouder is die het gezag heeft, wijst de rechter haar het gezag slechts toe indien hij dit in het belang van het kind wenselijk acht (art. 1:253b lid 4 B.W.). Als het een voogd is die het gezag uitoefent, wordt het gezag aan de moeder in beginsel toegewezen, tenzij er gegronde vrees bestaat voor verwaarlozing van de belangen van het kind (art. 1:253b lid 5 B.W.).

Het ouderlijk gezag alleen van de vader

De juridische vader kan, indien hij bevoegd is tot gezag, maar nooit het gezamenlijk gezag met de biologische moeder heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken tot gezamenlijk gezag of tot gezag over het kind alleen (art. 1:253c lid 1 B.W.). Het verzoek om de vader met het gezamenlijk gezag te belasten kan ook door de biologische moeder worden gedaan (art. 1:253c lid 5 B.W.).

Stemt de moeder niet in met het gezamenlijk gezag, dan wordt het verzoek slechts afgewezen, indien het kind anders klem en verloren zou raken tussen de ouders en dat hierin op korte termijn geen verbetering zal komen, of – meer algemeen – dat afwijzing in het belang van het kind noodzakelijk is (art. 1:253c lid 2 B.W.).

Het verzoek om de vader alleen met het gezag te belasten wordt alleen ingewilligd als de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt (art. 1:253c lid 3 B.W.). Is er nog geen gezag, of heeft een voogd het gezag over het kind, dan wordt het verzoek van de vader tot gezag in beginsel toegewezen, tenzij gegronde vrees bestaat dat bij toewijzing de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd (art. 1:253c lid 4 B.W.).

Geen voorziening in ouderlijk gezag over minderjarige kinderen

Art. 1:253d B.W. geeft regels voor de situatie dat een voogd het gezag uitoefent en dit gezag komt te ontbreken. De ouders kunnen de rechter, mits zij tot gezag bevoegd zijn, tot gezag of gezamenlijk gezag verzoeken (art. 1:253d lid 1 B.W.). Dit verzoek wordt alleen afgewezen indien gevreesd wordt dat bij toewijzing de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd (art. 1:253d lid 2 B.W.).

Als beide ouders de rechter hebben verzocht tot het gezag alleen, dan wijst hij het gezag toe aan degene die daartoe het beste in staat is (art. 1:253d lid 3 B.W.). Doorgaans zal de Raad voor de Kinderbescherming onderzoeken wie het beste tot opvoeding en verzorging van het kind in staat is.

Heeft een ouder, voordat over het verzoek om gezag van de andere ouder is beslist, van rechtswege het gezag gekregen, dan zal de rechter het verzoek nog slechts toewijzen indien hij dit in het belang van het kind wenselijk acht (art. 1:253d lid 4 B.W.).

Verlies ouderlijk gezag over minderjarige kinderen

Als de vader of de moeder op diens verzoek alleen met het ouderlijk gezag belast wordt, heeft dat als gevolg dat de andere ouder het ouderlijk gezag verliest (art. 1:253e B.W.). Uiteraard verliest geen van hen het ouderlijk gezag indien gezamenlijk ouderlijk gezag is toegewezen.

Procesrecht gezag over minderjarige kinderen

Het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering kent in Titel 6, Boek III Rv. de procesregels voor procedures met betrekking tot familierecht, waaronder procedures met betrekking tot het gezag over kinderen, zowel in een (echt)scheidingsprocedure als daarbuiten. Zie de pagina Procedures personen- en familierecht.

Auteur & Last edit

[AvB, 22-09-2021]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.