LawyrupBurgerlijk wetboekPersonen en familierecht (Boek 1 B.W.)Huwelijkse voorwaarden (Titel 8, Boek 1 B.W.)Huwelijkse voorwaarden in het algemeen (Afd. 1, Titel 8, Boek 1 B.W.)

Algemene bepalingen huwelijkse voorwaarden in het algemeen (Afd. 1, Titel 8, Boek 1 B.W.)

Inleiding algemene bepalingen huwelijkse voorwaarden

Afd. 1, Titel 8 van Boek 1 B.W. geeft de algemene regels ten aanzien van huwelijkse voorwaarden. De afdeling bevat 18 artikelen (art. 1:114 B.W. tot en met art. 1:131 B.W.), waarvan er een groot deel (art. 1:119 en art. 1:122 tot en met 1:130) is vervallen.

Wijzigingen wettelijke regime huwelijksgoederengemeenschap en huwelijkse voorwaarden

In 2012 en 2018 is het regime van de huwelijksgoederengemeenschap en de huwelijkse voorwaarden gewijzigd. Deze wijzigingen worden hieronder besproken.

Wijzigingen regime huwelijkse voorwaarden (2018)

Tot 2018 ging de wet bij het sluiten van een huwelijk automatisch uit van gemeenschap van goederen, en moesten huwelijkse voorwaarden expliciet overeengekomen worden (Stb. 2017, 177). Dit betekent dan ook dat echtgenoten die vóór 2018 getrouwd waren zonder huwelijkse voorwaarden, getrouwd zijn in gemeenschap van goederen. Door middel van huwelijkse voorwaarden kan worden overeengekomen dat de echtgenoten geen gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap.

Art. 1:130 B.W. is met deze wetswijziging op 1 januari 2018 vervallen. De bepaling ging om niet op naam gestelde goederen die door een echtgenoot waren aangebracht, maar buiten de gemeenschap van goederen waren gehouden. Tegenover derden kon de echtgenoot slechts bewijzen dat dit het geval was door vermelding in de akte van huwelijkse voorwaarden of door een door partijen en notaris ondertekende akte. Voor deze bepaling is geen overgangsrecht geregeld. Dit was ook niet nodig aangezien het huwelijksvermogensregime in 2018 zodanig is veranderd dat erfenissen, giften en goederen die voor het huwelijk zijn verkregen niet meer automatisch in de gemeenschap vallen (Kamerstukken II 2015/16, 33987, 16). Nu geldt gewoon: wie stelt, moet bewijzen.

Wijziging regime huwelijkse voorwaarden (2012)

In 2012 zijn de artikelen 1:122 B.W. t/m 1:128 B.W. vervallen (Stb. 2011, 205).

Art. 1:122 B.W. bepaalde dat Titel 7 van Boek 1 in principe ook van toepassing was op huwelijkse voorwaarden, maar dat daarvan bij huwelijkse voorwaarden van kon worden afgeweken. Deze bepaling is nu te vinden in art. 1:93 B.W..

Art. 1:123 B.W. bepaalde dat, indien echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden een gemeenschap van vruchten en inkomsten waren overeengekomen, art. 1:124 t/m 1:127 B.W. van toepassing waren. Bij huwelijkse voorwaarden kon gekozen worden uit drie stelsels, waarvan ‘vruchten en inkomsten’ er één was. Dit hield in dat alleen de goederen die tijdens het huwelijk verkregen waren, in de gemeenschap vielen (art. 1:124 B.W.). Goederen die waren verkregen vóór het huwelijk en goederen verkregen door erfopvolging, making of gift bleven buiten de gemeenschap. Ook goederen waarvan de echtgenoot meer dan de helft zelf had betaald vielen buiten de gemeenschap. Hetzelfde gold voor de schulden der gemeenschap (art. 1:125 B.W.) en goederen en schulden die behoren tot het bedrijf of beroep van één van de echtgenoten (art. 1:126 B.W.). Indien de gemeenschap van vruchten en inkomsten werd ontbonden, en de schulden konden niet worden voldaan uit de gemeenschap, dan kwamen die schulden voor rekening van de echtgenoot die deze schulden had gemaakt (art. 1:127 B.W.).

Art. 1:128 B.W. regelde een tweede stelsel voor huwelijkse voorwaarden, de zogenaamde gemeenschap van winst en verlies. Hierop waren ook de artikelen 1:124 t/m 1:126 B.W. van toepassing, alleen art. 1:127 B.W. niet. Dit betekende dat de schulden die waren gemaakt door de ene echtgenoot, voor rekening van beide echtgenoten kwamen.

Overgangsrecht huwelijkse voorwaarden (2012)

Deze bepalingen gelden niet meer voor huwelijkse voorwaarden die na 1 januari 2012 zijn aangegaan. Zij zijn nog wel van toepassing op huwelijkse voorwaarden die vóór deze datum zijn aangegaan.

Op 1 september 2002 is art. 1:129 B.W. vervallen (Stb. 2002, 152). Hiermee werd het derde stelsel voor huwelijkse voorwaarden, de deelgenootschap, weliswaar geschrapt, maar niet afgeschaft. Op de deelgenootschap was Afdeling 2 van Boek 1 B.W. (verrekenbedingen) van toepassing. Naar huidig recht zijn de regels omtrent de deelgenootschap nog steeds te vinden in een aantal bepalingen over verrekenbedingen, alleen moet de deelgenootschap bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen worden. De oude bepaling blijft slechts onder twee voorwaarden van toepassing op huwelijken met een deelgenootschap:

– Het huwelijk is aangegaan vóór 1 september 2002, en

– De deelgenootschap houdt geen periodiek, maar alleen een finaal verrekenbeding in (bij ontbinding wordt de gemeenschap dan verdeeld alsof er een gemeenschap van goederen was).

Totstandkoming huwelijkse voorwaarden

Huwelijkse voorwaarden kunnen zowel vóór het huwelijk als tijdens het huwelijk door de (aanstaande) echtgenoten worden gemaakt (art. 1:114 B.W.). Deze moeten bij notariële akte worden aangegaan. De overeenkomst is nietig indien niet aan dit vormvoorschrift wordt voldaan (art. 1:115 lid 1 B.W.). De notaris kan een volmacht tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden slechts verlenen indien deze schriftelijk is en het de bepalingen bevat die in de huwelijkse voorwaarden worden opgenomen (art. 1:115 lid 2 B.W.).

De onkundige derde en huwelijkse voorwaarden

Huwelijkse voorwaarden hoeven niet te worden ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, maar het is wel verstandig om de voor derden relevante bepalingen wel in te schrijven. De onkundige derde kan zich namelijk niet met succes beroepen op bepalingen, indien deze waren ingeschreven in het huwelijksgoederenregister van de rechtbank binnen het rechtsgebied waarin het huwelijk is voltrokken (art. 1:116 lid 1 B.W.). In 2012 is een derde lid toegevoegd dat bepaalt dat het register bij AMvB elders gehouden kan worden (art. 1:116 lid 3 B.W.) (Stb. 2011, 205).

Vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden

Onder curatele gestelden zijn ingevolge art. 1:381 lid 2 B.W. onbekwaam rechtshandelingen te verrichten. Het sluiten van een huwelijk is zo’n rechtshandeling. Indien voor het sluiten van het huwelijk toestemming vereist was door een curator (in geval van curatele wegens drank- of drugsmisbruik), dan is voor het maken van huwelijkse voorwaarden voorafgaand aan het huwelijk ook toestemming van de curator vereist (art. 1:117 lid 1 B.W.).

Als toestemming van de rechter vereist is (in geval van curatele wegens lichamelijke of geestelijke toestand), is vasthechting van zijn beschikking aan de akte voldoende. Gebeurt dit niet, dan zijn de huwelijkse voorwaarden ongeldig.

Deze huwelijkse voorwaarden beginnen te werken op het moment waarop het huwelijk wordt voltrokken. Hiervan kan niet worden afgeweken (art. 1:117 lid 2 B.W.).

Tijdens het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden

Ook indien de echtgenoot die onder curatele staat tijdens het huwelijk huwelijkse voorwaarden wil maken of wijzigen, is toestemming nodig van zijn curator (art. 1:118 B.W.). Tot 2012 was hiervoor goedkeuring van de rechtbank vereist, maar dat vereiste is met art. 1:119 B.W. vervallen (Stb. 2011, 205).

Huwelijkse voorwaarden die tijdens het huwelijk zijn gemaakt of gewijzigd beginnen te werken de dag nadat de akte is verleden. In de akte kan echter een ander tijdstip worden aangewezen (art. 1:120 lid 1 B.W.).

De tijdens het huwelijk gemaakte of gewijzigde bepalingen kunnen de onkundige derde slechts worden tegengeworpen, indien ze minstens veertien dagen in het huwelijksgoederenregister ingeschreven waren (art. 1:120 lid 2 B.W.).

Grenzen huwelijkse voorwaarden

In beginsel zijn echtgenoten vrij om met de huwelijkse voorwaarden af te wijken van de wettelijke gemeenschapsregels zoals bepaald in Titel 7 van Boek 1 B.W. Tot op zekere hoogte, want deze mogen niet in strijd zijn met de volgende dwingende wetsbepalingen: art. 1:99 B.W., art. 1:102 B.W., art. 1:103 B.W.-1:108 B.W., art. 1:109-1:113 B.W. en art. 1:117-1:120 B.W.. Ook mogen de huwelijkse voorwaarden niet in strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde (art. 1:121 lid 1 B.W.).

Daarnaast kunnen de huwelijkse voorwaarden niet bepalen dat een echtgenoot een groter aandeel in de schulden zal hebben dan in de goederen (art. 1:121 lid 2 B.W.). Het aandeel in de passiva moet dus even groot zijn als het aandeel in de activa.

Ten slotte kan niet worden afgeweken van rechten die voortkomen uit het ouderlijk gezag (Titel 14, Boek 1 B.W.) of van rechten die de wet (krachtens het erfrecht uit Boek 4 B.W.) toekent aan de langstlevende echtgenoot (art. 1:121 lid 3 B.W.).

Worden in de huwelijkse voorwaarden toch bepalingen opgenomen die de hierboven genoemde grenzen overschrijden, dan zijn deze nietig.

Bewijsregels tussen echtgenoten

Als tussen echtgenoten (die niet in gemeenschap van goederen getrouwd zijn) onenigheid bestaat over een niet op naam gesteld goed, en beiden kunnen niet bewijzen tot wie dit goed behoort, dan zal dat goed aan ieder voor de helft toebehoren (art. 1:131 lid 1 B.W.). Tot 2012 regelde deze bepaling het bewijsvermoeden ook voor echtgenoten die wel in gemeenschap van goederen waren getrouwd (Stb. 2011, 205). Kon ten aanzien van het goed niet worden bewezen aan welke echtgenoot het toebehoorde, dan werd het als gemeenschapsgoed aangemerkt. Deze regeling is nu in art. 1:94 lid 6 B.W. te vinden.

Lid 2 regelt ten slotte dat het bewijsvermoeden niet ten nadele van schuldeisers kan werken (art. 1:131 lid 2 B.W.). Hier geldt dan weer: wie stelt, moet bewijzen.

Auteur & Last edit

[AvB, 12-05-2021]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.

Vond je deze content nuttig? Steun Lawyrup met een donatie naar keuze.

Doneren