LawyrupBurgerlijk wetboekRechtspersonen (Boek 2 B.W.)Jaarrekening en bestuursverslag (Titel 9, Boek 2 B.W.)Vrijstellingen jaarrekening rechtspersonen met kleinere bedrijven (Afd. 11, Titel 9, Boek 2 B.W.)

Vrijstellingen jaarrekening rechtspersonen met kleinere bedrijven (Afd. 11, Titel 9, Boek 2 B.W.)

Inleiding vrijstellingen jaarrekening rechtspersonen met kleinere bedrijven

Afd. 11, Titel 9, Boek 2 B.W. bevat vier bepalingen waarin rechtspersonen met kleinere ondernemingen vrijstellingen wordt gegeven van een aantal wettelijke eisen voor de inhoud van de jaarrekening (art. 2:395a B.W. tot en met art. 2:398 B.W.).

Deze bepalingen worden nader uitgewerkt.

Criteria vrijgestelde kleine bedrijven

In art. 2:395a lid 1 B.W. worden drie criteria gegeven voor de bepaling van de grens, wat is te verstaan onder ‘kleinere bedrijven’. Aan twee van deze drie criteria moet zijn voldaan.

Deze bedrijven zijn vrijgesteld van de bepalingen in de leden 3 tot en met 6 van dit artikel. Overigens wordt deze criteria ook elders in de wet benut, zoals voor de maximale wettelijke betaaltermijn. Zie de pagina Verbintenissen tot betaling van een geldsom. Ook in de Wet Homologatie onderhands akkoord wordt dit criterium benut. In art. 374 lid 2 Fw. wordt voor MKB bedrijven bepaald dat hen geen lager percentage dan 20% mag worden aangeboden. Zie de pagina Aanbieden WHOA akkoord en stemming.

Waarde activa

a. de waarde van de activa volgens de balans met toelichting bedraagt, op de grondslag van verkrijgings- en vervaardigingsprijs, niet meer dan € 350.000;

Netto-omzet

b. de netto-omzet over het boekjaar bedraagt niet meer dan € 700.000;

Aantal personeelsleden

c. het gemiddeld aantal werknemers over het boekjaar bedraagt minder dan 10.

Aan deze eisen moet zijn voldaan op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata. Wat die laatste zinsnede inhoudt is niet erg helder. Over hoeveel jaren moet je meten en wat als het bedrijf net is gestart?

Vrijstelling jaarrekening microbedrijf

Art. 2:395a lid 1 B.W. bepaalt dat lid 3 tot en met 6 van dit artikel van toepassing zijn wanneer op twee opeenvolgende balansdata voldaan is aan de criteria uit sub a, b en c van dit artikel. Een microbedrijf dient aan 2 of 3 criteria te voldoen om in aanmerking te komen voor de leden 3 t/m 6.

Het vereiste uit art. 2:395a lid 1 sub a B.W. houdt in dat de waarde van de activa van het bedrijf niet meer bedraagt dan € 350.000,-. De grondslag van de activa bestaat uit de verkrijgings- en de vervaardigingsprijs.

Het vereiste uit art. 2:395a lid 1 sub b B.W. houdt in dat de netto-omzet over het boekjaar bij het micro-bedrijf niet meer bedraagt dan € 700.000,-.

Het vereiste uit art. 2:395a lid 1 sub c B.W. houdt in dat het microbedrijf niet meer dan 10 werknemers over het boekjaar in dienst heeft.

Wanneer een bedrijf een geconsolideerde jaarrekening opmaakt dient het bedrijf volgens art. 2:395a lid 2 B.W. de waarde van de activa, de netto-omzet en het getal van werknemers in de groepsmaatschappijen te vermelden. Dit geldt niet wanneer een rechtspersoon art. 2:408 B.W. toepast.

Het in art. 2:364 lid 3 en 4 B.W. bepaalde over de overlopende activa en passiva is volgens art. 2:395a lid 3 B.W. niet van toepassing voor de toepassing van overige bedrijfskosten zoals bepaald in art. 2:377 lid 3 sub j B.W. Bij het opmaken van een balans vermeldt het bedrijf dat er geen sprake is van overlopende activa en passiva onderaan de balans.

Uit de voorgeschreven opgaven uit afdeling 3 van boek 2 B.W. behoeft geen andere vorm te worden toegepast voor de voorgeschreven artikelen bij een micro-bedrijf. Dit blijkt uit art. 2:395a lid 4 B.W. De voorgeschreven artikelen zijn:

art. 2:364 lid 1 B.W

art. 2:365 lid 1 sub a B.W.

art. 2:370 lid 1 sub b B.W.

art. 2:373 lid 1 B.W. waarbij de posten worden samengetrokken tot deze als één post aangemerkt kunnen worden.

art. 2:374 lid 1 B.W.

art. 2:375 lid 1 B.W. waarbij de posten worden samengetrokken tot deze als één post aangemerkt kunnen worden én waarbij voor het totale bedrag aan schulden wordt aangegeven tot welk bedrag de resterende looptijd langer dan een jaar is en waarbij de looptijd ten hoogste een jaar is.

De naamloze vennootschap vermeldt de gegevens uit art. 2:378 lid 3 B.W. onderaan de balans.

Van de in afdeling 4 voorgeschreven opgaven behoeft geen andere opgave te worden gedaan dan voorgeschreven in art. 2:377 lid 1 sub a B.W. Dit blijkt uit art. 2:395a lid 4 B.W. Uitzondering op dit artikel is dat de vermelding van baten en lasten uit de gewone bedrijfsuitoefening zoals in

art. 2:377 lid 3 sub a, d en e B.W.;

art. 2:377 lid 3 onder g (met uitzondering van de vermelding van de baten en lasten van overige externe kosten);

art. 2:377 lid 3 sub h en i, waarbij de posten worden samengetrokken tot één post;

art. 2:377 lid 3 sub j B.W.

Volgens art. 2:395a lid 6 B.W. geeft aan dat afdeling 5, afdeling 6 (alleen de voorschriften betreffende de voorgeschreven opgaven in de toelichting), afdeling 7, afdeling 8 en afdeling 9 zijn niet van toepassing op het micro-bedrijf.

Als een rechtspersoon alle voor hem toepasbare fiscale grondslagen toepast, kan in afwijking van afdeling 6 van titel 9 Boek 2 B.W. de waardering van activa en passiva en voor bepaling van het resultaat ook in aanmerking de grondslagen voor de bepaling van belastbare winst zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van de wet VPB (de Wet op de Vennootschapsbelasting). Dit blijkt uit art. 2:395a lid 7 B.W.

Indien een rechtspersoon deze grondslagen toepast, maakt zij daarvan melding in de toelichting van de balans. Het is vervolgens mogelijk dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld kunnen worden omtrent het gebruik van deze grondslagen en de toelichting die daarbij gegeven wordt.

Art. 2:394 lid 3 en 4 B.W. zijn slechts van toepassing op het micro-bedrijf volgens art. 2:395a lid 8 B.W..

Vrijstelling jaarrekening kleinbedrijf

De leden 3 tot en met 9 van art. 2:396 B.W. zijn volgens lid 1 van dit artikel van toepassing op een kleinbedrijf dat voldoet aan twee of drie van de vereisten in sub a, b of c uit art. 2:396 lid 1 B.W.

Het vereiste van art. 2:396 lid 1 sub a B.W. houdt in dat de waarde van de activa volgens de balans, inclusief toelichting, niet meer dan € 6.000.000,- bedraagt. De grondslag bestaat uit de verkrijgings- en vervaardigingsprijs.

Het vereiste van art. 2:396 lid 1 sub b B.W. houdt in dat de netto-omzet over het boekjaar niet meer dan € 12.000.000,- bedraagt.

Het vereiste van art. 2:396 lid 1 sub c B.W. houdt in dat het kleinbedrijf niet meer dan 50 werknemers in dienst heeft.

Wanneer een bedrijf een geconsolideerde jaarrekening opmaakt dient het bedrijf voor de toepassing van art. 2:396 lid 2 B.W. de waarde van de activa, de netto-omzet en het geval der werknemers van groepsmaatschappijen welke in de consolidatie opgenomen moeten worden. Dit geldt niet wanneer een kleinbedrijf gebruikt maakt van art. 2:408 B.W..

Uit de voorgeschreven opgaven uit afdeling 3 behoeft geen andere opgaven te worden gedaan dan voorgeschreven in de artikelen:

art. 2:364 B.W.

Art. 2:365 lid 1 sub a B.W.

Art. 2:368 lid 2 sub a B.W.

Art. 2:370 lid 1 sub d B.W.

Art. 2:373 lid 1 t/m 5 B.W.

Art. 2:375 lid 3 B.W.

Art. 2:376 B.W. (alsmede zonder uitsplitsing naar soort schuld of vordering).

Art. 2:370 lid 2 B.W. en art. 2:375 lid 2 B.W. (waarbij de aanduiding van de rentevoet achterwege blijft, en de opgaven van het ingehouden deel van het resultaat).

Dit blijkt uit art. 2:396 lid 3 B.W..

Bij de vrijstelling van het kleinbedrijf worden de posten op de winst- en verliesrekening zoals in art 2:377 lid 3 onder sub a t/m d en g, lid 4 sub a t/m c en sub f, worden samengetrokken tot een post genoemd het brutobedrijfsresultaat. Dit blijkt uit art. 2:396 lid 4 B.W..

Voor het kleinbedrijf hoeft de in art. 2:378 lid 1 B.W. genoemde overzicht wordt slechts de herwaarderingsreserve genoemd, behoudens de tweede zin van art. 2:378 lid 3 B.W. Voor het kleinbedrijf zijn de artikelen 2:379 B.W., art. 2:380 B.W., art. 2:381 lid 2 en 3 B.W., art. 2:381b aanhef en sub a B.W. en art. 2:383 lid 1 B.W. niet van toepassing.

Bij het opmaken van de balans en winst- en verliesrekening dient de rechtspersoon de naam en woonplaats van de maatschappij in de geconsolideerde jaarrekening te vermelden en daarbij ook het groepsdeel waartoe de rechtspersoon behoort.

De informatie die ingevolge artikel 2:382 B.W. wordt vermeld, wordt door het kleinbedrijf beperkt tot de mededeling van het gemiddelde aantal werkzame werknemers die tijdens het boekjaar bij de rechtspersoon werkzaam zijn. Dit blijkt uit art. 2:396 lid 5 B.W.

Als een rechtspersoon alle fiscale grondslagen toepast, zal de rechtspersoon in afwijking van afdeling 6 van titel 9 de waardering van activa en passiva en voor bepaling van het resultaat de bepalingen van hoofdstuk 2 van de wet VPB voor het bepalen van de belastbare winst. Als de rechtspersoon deze grondslagen toepast, maakt de rechtspersoon melding van de toepassing in de toelichting van de balans. Het is vervolgens mogelijk dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld worden omtrent het gebruik van deze grondslagen en de toelichting die hierbij gegeven wordt. Deze bepalingen blijken uit art. 2:396 lid 6 B.W..

Voor het kleinbedrijf zijn volgens art. 2:396 lid 7 B.W. de artikelen 2:380c, 2:380d, 2:383b t/m 2:383e, 2:391, 2:392 en 2:393 lid 1 B.W. niet van toepassing.

Volgens art. 2:396 lid 8 B.W. is van art. 2:394 B.W. slechts lid 3 van toepassing met betrekking tot de beperkte balans en de toelichting hierbij. Wanneer een toelichting openbaar is gemaakt door de rechtspersoon, blijven de gegevens zoals bedoeld in art. 2:380a B.W. achterwege.

Wanneer een rechtspersoon geen winst beoogt, is de rechtspersoon volgens art. 2:396 lid 9 B.W. niet gehouden om art. 2:394 B.W. toe te passen, mits:

– de rechtspersoon in lid 8 bedoelde stukken aan schuldeisers en aandeelhouders van aandelen of certificaten daarvan op hun verzoek onmiddellijk toekomt op hun verzoek. Dit geldt ook voor andere vormen van vergaderrecht. Het gaat hier om toezending of inzage ten kantore (art. 2:396 lid 9 sub a B.W.).

– De accountant bij het handelsregister een verklaring heeft gedeponeerd waarin staat dat de rechtspersoon in het boekjaar geen werkzaamheden heeft verricht buiten de doelomschrijving van de rechtspersoon (art. 2:396 lid 9 sub a B.W.).

Vrijstelling jaarrekening middelgrote vennootschappen

Volgens art. 2:397 lid 1 B.W. gelden de leden 3 t/m 7 van dit artikel voor een rechtspersoon die op twee opeenvolgende balansdata zonder onderbreking heeft voldaan aan twee of drie vereisten uit sub a, b of c van dit artikel.

Het vereiste uit art. 2:397 lid 1 sub a B.W. houdt in dat een middelgrote vennootschap de waarde van de activa van het bedrijf niet meer bedraagt dan €20.000.000,-.  De grondslag van de activa bestaat uit de verkrijgings- en de vervaardigingsprijs.

Het vereiste uit art. 2:397 lid 1 sub b B.W. houdt in dat de netto-omzet over het boekjaar bij het middelgrote bedrijf niet meer bedraagt dan €40.000.000,-.

Het vereiste uit art. 2:397 lid 1 sub c B.W. houdt in dat het middelgrote bedrijf niet meer dan 250 werknemers over het boekjaar in dienst heeft.

Wanneer een middelgroot bedrijf een geconsolideerde jaarrekening opmaakt moet het bedrijf voor de toepassing van het vereiste in lid 1 van dit artikel de waarde van de activa, netto-omzet en het getal van werknemers in de groepsmaatschappij vermelden in de geconsolideerde jaarrekening. Dit artikel geldt niet als het bedrijf artikel 2:408 B.W. toepast. Deze bepaling blijkt uit art. 2:397 lid 2 B.W..

Het middelgrote bedrijf dient in haar winst- en verliesrekening de posten te noemen uit art. 2:377 lid 3 sub a t/m d en g, samen met lid 4 sub a t/m c en f, samengetrokken tot een post genaamd brutobedrijfsresultaat. De rechtspersoon dient volgens art. 2:397 lid 3 B.W. te vermelden in welke mate de netto-omzet ten opzichte van het jaar ervoor is gedaald of gestegen.

Op het middelgrote bedrijf zijn de artikelen 2:380 B.W. en art. 2:382a B.W. niet van toepassing volgens art. 2:397 lid 4 B.W..

Bij een openbaar gemaakte balans met toelichting is slechts vermelding met toelichting nodig voor voorgeschreven opgaven van de artikelen 364365 lid 1 onder a en d366367 onder a-d368 lid 2 onder a370 lid 1 onder b–d373374 leden 3 en 4375 lid 1 onder a, b, f en g en lid 3, en art. 376 B.W. en de overlopende posten. Art. 2:370 lid 2 B.W. en art. 375 lid 2 B.W. zijn van toepassing op het totaal van de vorderingen en schulden als de rechtspersoon een afzonderlijke vermelding van de posten uit lid 1 moet doen.

De rechtspersoon heeft toestemming om de openbaar te maken winst- en verliesrekening en de daarbij behorende toelichting te beperken overeenkomstig lid 3 en 4 van dit artikel. Deze regel volgt uit art. 2:397 lid 5 B.W..

De informatie die door de middelgrote vennootschap volgens art. 2:381 lid 2 B.W. moet worden vermeld, wordt beperkt tot informatie over de aard en het zakelijke doel van de vennootschap volgens dit artikel. Lid 3 van art. 2:381 B.W. is niet van toepassing op de middelgrote vennootschap, tenzij de rechtspersoon een Naamloze Vennootschap (NV) is, dan zijn de vermeldingen beperkt tot transacties tussen de vennootschap en haar aandeelhouders, daarbij ook transacties tussen de vennootschap en de leden van het bestuur of de Raad van Commissarissen. Dit blijkt uit art. 2:397 lid 6 B.W.

Volgens art. 2:397 lid 7 B.W. worden de gegevens zoals in art. 2:392 lid 1 sub d en e, en lid 3 B.W. niet openbaar gemaakt door de middelgrote vennootschap.

De middelgrote vennootschap hoeft in het bestuur verslag volgens art. 2:397 lid 8 B.W. geen aandacht te besteden aan niet-financiële prestatie-indicatoren zoals bedoeld in art. 2:391 lid 1 B.W..

Reikwijdte van de vrijstelling voor vereisten aan de jaarrekening voor kleinbedrijf

De artikelen 2:395a B.W., art. 2:396 B.W. of art. 2:397 B.W. gelden voor het eerste of tweede boekjaar voor een rechtspersoon volgens art. 2:398 lid 1 B.W. die op de balansdatum heeft voldaan aan de vereisten in het eerste boekjaar.

Voor zover de algemene vergadering binnen zes maanden geen ander besluit heeft gedaan, zijn de artikelen art. 2:395a lid 3 t/m 7 B.W., art. 2:396 lid 3 t/m 8 B.W., art. 2:397 lid 3 t/m 7 B.W. van toepassing volgens art. 2:398 lid 2 B.W.

Art. 2:398 lid 3 B.W. geeft aan dat art. 2:395a t/m 2:397 B.W. niet van toepassing op een beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten zoals bedoeld in art. 2:401 lid 1 B.W..

De bedragen uit art. 2:396 lid 1 B.W. en art. 2:397 lid 1 B.W. kunnen worden verlaagd bij algemene maatregel van bestuur, als het recht uit de Europese Gemeenschap deze verlaging verplicht. De bedragen kunnen ook verhoogd worden, voor zover dit geoorloofd is. Deze mogelijke aanpassing blijkt uit art. 2:398 lid 4 B.W.

Voor een stichting of een vereniging zijn de artikelen 2:396 lid 1 en 2:397 lid 1 B.W. van toepassing zoals bedoeld in art. 2:360 lid 3 B.W. en wordt uitgegaan van het totaal van de activa van de stichting of vereniging. Daarbij dient art. 2:396 lid 2 B.W. in acht te worden genomen, want hier wordt uitgegaan van het totaal van de activa van de stichting of vereniging. Ook de netto-omzet en het gemiddeld aantal werknemers van de onderneming of ondernemingen die deze stichting in stand houdt.

Op een participatieonderneming is volgens art. 2:398 lid 6 B.W. het artikel art. 2:395a B.W. niet van toepassing. De participatieonderneming dient te voldoen aan art. 2 zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel 15, van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU 2013, L 182).

De artikelen 2:395a B.W. tot en met 2:397 B.W. zijn volgens art. 2:398 lid 7 B.W. niet van toepassing op rechtspersonen die als organisatie van openbaar belang zijn aan te merken. In sub a t/m d staat wanneer hier sprake van is.

Volgens art. 2:398 lid 7 sub a B.W. moet een organisatie van openbaar belang effecten hebben die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt van een lidstaat volgens art. 4 lid 1, punt 14 van richtlijn 2004/39/EG.

Volgens art. 2:398 lid 7 sub b B.W. moet een organisatie van openbaar belang een kredietinstelling zijn in de zin van art. 3, punt 1 van richtlijn 2013/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (PbEU 2004, L 145);

Volgens art. 2:398 lid 7 sub c B.W. kan het gaan om verzekeringsondernemingen in de zin van art. 2 lid 1 richtlijn 91/674/EEG

Volgens art. 2:398 lid 7 sub d B.W. bij algemene maatregel van bestuur kan worden aangewezen dat een organisatie voor openbaar belang bestaat wegens hun omvang of functie in het maatschappelijk verkeer.

Auteur & Last edit

[MdV, 16-03-2022; laatste bewerking OP 20-08-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.