Schade door strafbaar feit

Inleiding schade door strafbaar feit

Een andere categorie van persoonlijk letsel in de privésfeer is schade opgelopen door een strafbaar feit. Lawyrup maakt hier een uitstapje naar het strafrecht, wat echter niet tot de core content van deze kennisbank behoort. Onderstaande is dus niet meer dan “signaleringskennis”.

Op zichzelf is het niet per se nodig, dat de dader strafrechtelijk veroordeeld wordt. Ook in een civiele procedure kan schadevergoeding gevorderd worden. Een strafrechtelijke veroordeling kan wel helpen voor de bewezenverklaring in de civiele procedure.

Voegen in de strafzaak als benadeelde partij

De benadeelde kan zich echter ook als “benadeelde partij” voegen in de strafzaak, waarbij de volgende beperkingen en regels gelden. Zie art. 51f Wetboek van Strafvordering tot en met art. 51h Wetboek van Strafvordering. In PHR 20 maart 2015 (Turner Raw Materials Intermediate/Attero Noord) (onder nrs. 2.1 tot en met 2.10) is een interessante toelichting te lezen over de verhouding tussen de strafrechtelijke en de civiele procedure. Onderstaand zijn meerdere citaten uit die conclusie overgenomen.

Voordeel van het stellen in de strafzaak is, dat de procedure laagdrempeliger is. Nadeel is dat deze accessoir is aan (afhankelijk is van) de strafrechtelijke procedure. De schadevordering mag ook niet te complex zijn, anders wijst de strafrechter die af.

Art. 361 lid 3 Sv. schrijft voor dat indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, de rechtbank bepaalt dat de vordering (geheel of ten dele) niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering – respectievelijk het deel daarvan dat niet ontvankelijk is − slechts kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter. Deze regel vloeit voort uit het uitgangspunt dat de vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij ondergeschikt is aan de strafzaak.

Met een niet-ontvankelijkverklaring op deze grond gaan voor de benadeelde partij geen rechten verloren: zij kan haar vordering tot schadevergoeding alsnog in eerste aanleg aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De Hoge Raad heeft overwogen dat, in het licht van art. 6 lid 1 EVRM, art. 361 lid 3 Sv de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering, kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. Het idee om de strafrechter een verwijzingsbevoegdheid naar een civiele procedure toe te kennen is niet in de wet overgenomen.

Een ander voordeel is dat de verplichting tot vergoeden van de schade wordt opgelegd via een dwangmaatregel (zoals voorlopige hechtenis). En als de verdachte niet betaalt, kan bij de overheid (het CJIB) een voorschot gevraagd worden. Bij meer ingewikkelde schades heeft een civiele procedure de voorkeur. De civiele rechter is ook meer thuis in het schadevergoedingsrecht. Zie ook het “overzichtsarrest” HR 28 mei 2019 (uitleg HR vergoeding in strafzaak).

Zie ook de paper Slachtoffer in strafzaak op de website van de Rechtspraak. NB die paper is wat gedateerd.

Wie is ontvankelijk als benadeelde partij in een strafzaak?

Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces (art. 51f lid 1 Sv). Ook privaat- dan wel publiekrechtelijke rechtspersonen zijn ontvankelijk als benadeeld partij indien zij door het strafbare feit getroffen zijn in een belang dat de betrokken bepaling behoort te beschermen.

Ook de faillissementscurator is ontvankelijk als benadeelde partij namens de gezamenlijke schuldeisers indien zij door het ten laste gelegde feit rechtstreeks schade hebben geleden. Gezien de bijzondere positie van de curator is een schriftelijke volmacht als bedoeld in artikel 51c lid 2 Sv. niet nodig.

Alleen schade die rechtstreeks verband houdt met ten laste gelegde strafbare feit

Voor vergoeding komt alleen in aanmerking die schade die rechtstreeks het gevolg is van het feit zoals in de tenlastelegging is omschreven. Schade die is veroorzaakt door strafbare feiten die samenhangen met het ten laste gelegde, maar welke niet zijn ten laste gelegd, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Deze schade dient dan via een civiele procedure te worden gevorderd.

Het gaat hier zodoende allereerst om het strafbare feit dat ten laste is gelegd, maar geldt ook voor feiten die ad informandum zijn gevoegd en die op de dagvaarding zijn vermeld (art. 361 lid 2 Sv).

De benadeelde partij is dus ook ontvankelijk in haar vordering indien aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank worden gebracht en waarmee door de recht bij de strafoplegging rekening is gehouden (dit geldt sinds de inwerkingtreding van de wet van 17 december 2009, Stb. 2010/1).

Van rechtstreekse schade is zodoende sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd.

Indien de vervolging niet leidt tot veroordeling en oplegging van straf (of tot een schuldigverklaring zonder toepassing van straf), wordt de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De strafrechter gaat niet buiten de telastelegging en bewezenverklaring om beoordelen of er in de rechtsbetrekking naar burgerlijk recht tussen partijen feiten zijn die een aanspraak op schadevergoeding (uit onrechtmatige daad, uit wanprestatie etc.) kunnen dragen.

In een procedure bij de burgerlijke rechter is de eisende partij vrij om zelf de grondslag van haar vordering te bepalen: de ‘geschonden norm’ kan een geschonden strafbepaling zijn (handelen in strijd met de wet), maar ook een regel van ongeschreven recht (handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, art. 6:162 BW) of het niet nakomen van een verplichting uit overeenkomst. Wanneer de benadeelde partij ervoor kiest, zich te voegen in een door de officier van justitie aangebrachte of nog aan te brengen strafprocedure, kan zij niet op iedere door haar gewenste grondslag een vordering instellen. De inhoud van de telastelegging wordt door de officier van justitie bepaald. De benadeelde partij lift, om zo te zeggen, mee in de wagen die door de officier van justitie in beweging is gezet, maar zit niet aan het stuur.

Naarmate de grondslag van de vordering beperkter is, komt het relativiteitsbeginsel eerder in beeld. Een voorbeeld is te vinden in het arrest van 7 december 1993, NJ 1994/244 m.nt. Th.W. van Veen. Hier was een verdachte veroordeeld wegens mishandeling door het afschieten van een gaspistool. De vordering van een omstander, die stelde gehoorschade te hebben opgelopen, werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het telastegelegde feit niet zag op een handeling jegens die omstander en dus ook niet diens schade.

Gedeelte van de schade vorderen in strafzaak?

Er bestaat ook de mogelijkheid om een gedeelte van de schade te vorderen op grond van artikel 51f lid 3 Sv. De restantvordering welke niet is gevorderd in het strafproces kan vervolgens alsnog in een civiele procedure worden gevorderd. Anders dan in het vóór invoering van de Wet Terwee geldende recht – heeft het slachtoffer de bevoegdheid heeft om haar vordering tot schadevergoeding te splitsen in een gedeelte dat zij aan de strafrechter voorlegt en een gedeelte ten aanzien waarvan zij zich het recht voorbehoudt dit aan de burgerlijke rechter voor te leggen (art. 51f lid 3 Sv).

De strafrechter heeft een vergelijkbare mogelijkheid tot splitsing. Hij kan, op verzoek of ambtshalve, beslissen dat een bepaald gedeelte van de vordering tot schadevergoeding rijp is voor een inhoudelijke beslissing (toe- of afwijzing) in het kader van de strafzaak en dat behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat laatste gedeelte verklaart de strafrechter de benadeelde partij dan niet-ontvankelijk op de voet van art. 361 lid 3 Sv.. Vgl. HR 19 maart 2002 (schietpartij Super de Boer), NJ 2002/497; gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 oktober 2013 (brandstichting auto) , JBPR 2014/21 m.nt. M.R. van Zanten.

Deze mogelijkheid is vooral opportuun op het moment dat:

1. de vordering nog niet helemaal duidelijk is. Bijvoorbeeld omdat er nog geen eindtoestand is, of

2. indien door complexiteit van de schade het niet mogelijk zal zijn om de gehele schade tijdens een strafprocedure aannemelijk te maken. (zodoende alleen dat gedeelte vorderen waarvoor een beperkt onderzoek op de strafzitting toereikend is om deze vast te stellen.)

Het is ook mogelijk een voorschot op de later – in een civiele procedure – te vorderen schade te vragen. Het is wel oppassen geblazen, want als onvoldoende duidelijk is dat het een voorschot betreft – dan kan ook gelden voor een bepaald schadebestanddeel, zoals het smartengeld – dan blokkeert de toewijzing het vorderen van meer schade. De standaard teksten op het slachtofferformulier zijn niet voldoende om te concluderen dat het om een voorschot gaat.

Zie ook Rb. Midden-Nederland 19-11-2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5638, HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8963, NJ 2002/497, Hof Arnhem-Leeuwarden 26 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1122, Rb. Almelo 31 januari 2007, ECLI:NL:RBALM:2007:BB8776, Rb. Den Haag 30 september 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:11282, RAV 2016/17, Rb. ’s-Hertogenbosch 3 augustus 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BR4888, Rb. Limburg 23 november 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:10961 en Rb. Limburg 28 november 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:10317.

Niet-ontvankelijkheid vordering in civiele procedure

Wanneer dezelfde schade ook in een civiele procedure gevorderd wordt, terwijl deze vordering in de strafzaak al is toegewezen, dan is de benadeelde in de civiele procedure niet-ontvankelijk, aldus Gerechtshof Den Haag 12 januari 2016 (Peter Willie/Stichting Onderwijsgroep Galilei). De beslissing in de strafzaak heeft kracht van gewijsde in de civiele zaak. Maar op gezag van gewijsde moet wel een beroep gedaan worden (zie de pagina Algemene bepalingen vonnis met betrekking tot art. 236 Rv.). Een dergelijk verweer kan in bepaalde gevallen wellicht nog worden bestreden door de strekking en omvang van de veroordeling in de strafzaak te nuanceren.

In de omgekeerde situatie, wanneer de beslissing van de burgerlijke rechter in de tijd voorafgaat aan de uitspraak van de strafrechter en dezelfde vordering (of een gedeelte daarvan) al is toegewezen, kan de strafrechter de eisende partij (in zoverre) niet-ontvankelijk verklaren bij gebrek aan belang omdat zij al een titel heeft. HR 26 april 2011 (fraude PGB), NJ 2011/205; HR 2 december 2014 (schadevordering Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn), NJ 2015/16, rov. 4.5.2 en 4.5.3..

Rechtsmiddelen bij toewijzing en afwijzing vordering benadeelde partij

Verdachte gaat in beroep en betwist toewijzing

Indien de verdachte het niet eens is met toewijzing door de strafrechter van (een gedeelte van) de vordering tot schadevergoeding, kan hij hoger beroep instellen tegen het vonnis van de strafrechter. De strafzaak wordt dan in hoger beroep behandeld door de strafkamer van het gerechtshof. De voeging van de benadeelde partij in de strafzaak duurt van rechtswege voort in hoger beroep voor zover de vordering is toegewezen (art. 421 lid 2 Sv).

Verdachte of OvJ gaat in beroep en benadeelde betwist (gedeeltelijke) afwijzing

Indien de vordering van de benadeelde partij niet of niet geheel is toegewezen en de verdachte (dan wel de officier van justitie) hoger beroep heeft ingesteld in de strafzaak, moet de benadeelde partij zelf actie ondernemen. Zij kan, tot ten hoogste het bedrag van haar vordering in eerste aanleg, zich als benadeelde partij voegen in de strafzaak in hoger beroep (art. 421 lid 3 Sv). Het gerechtshof doet dan uitspraak over de vordering van de benadeelde partij.

Noch verdachte, noch OvJ gaan in beroep

Deze regels bieden een benadeelde partij geen soelaas wanneer de verdachte noch de officier van justitie hoger beroep instelt: dan komt er geen strafzaak in hoger beroep. Voor die situatie is een bijzondere regeling getroffen in art. 421 lid 4 Sv:

“Indien geen hoger beroep is ingesteld, kan de benadeelde partij tegen het deel van het vonnis waarbij haar vordering is afgewezen, tegen deze afwijzing in hoger beroep komen bij het gerechtshof. De tweede afdeling van de Zesde titel van Boek II is niet van toepassing. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering inzake het rechtsgeding in hoger beroep en cassatie zijn van overeenkomstige toepassing. Voor het geding wordt geen griffierecht geheven.”

Auteur & Last edit

[MdV, 27-02-2021]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.