LawyrupBurgerlijk wetboekVerbintenissenrecht (Boek 6 B.W.)Onrechtmatige daad (Titel 3, Boek 6 B.W.)Oneerlijke handelspraktijken (Afd. 3A, Titel 3, Boek 6 B.W.)

Oneerlijke handelspraktijken (Afd. 3A, Titel 3, Boek 6 B.W.)

Inleiding oneerlijke handelspraktijken

In Afd. 3A, Titel 3, Boek 6 B.W. is een regeling opgenomen die een wettelijke basis geeft om op te kunnen treden tegen oneerlijke handelspraktijken. De afdeling omvat 10 bepalingen (art. 6:193a B.W.tot en met art. 6:193j B.W.). De regeling is in werking getreden met ingang van 15 oktober 2008 en wordt ook wel aangeduid als Wet Oneerlijke handelspraktijken (Wet OHP of WOHP).

Deze wettelijke regeling (Stbl. 2008/397) is een uitvloeisel van de Europese Richtlijn nr. 2005/29/EG van 11 mei 2005 ter bescherming van consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen binnen de interne markt (PbEU L 149). In verband met de te late implementatie in de nationale wetgeving (de deadline was 12 juni 2007) diende de Richtlijn tot dat moment rechtstreeks te worden toegepast, althans diende de bestaande wetgeving met inachtneming van de bedoeling van de Richtlijn geïnterpreteerd worden.

Omdat de Richtlijn ter bevordering van de interne markt een algehele uniformering van het recht binnen de EU nastreeft, mogen de nationale wetgevers geen zwaardere eisen inzake oneerlijke concurrentie stellen, tenzij binnen specifieke sectoren (bvb. de financiële sector) of ter bescherming van specifieke belangen (bvb. vestigingseisen).

De wet omvat ook een regeling inzake de procedure die kan worden aanhangig gemaakt. Zie de pagina Collectief actierecht.

Positie van benadeelde concurrent en van de geadresseerde die geen particulier is

De bescherming is bedoeld voor de consument, en dus niet voor de concurrent van de ondernemer die zich schuldig maakt aan oneerlijke handelspraktijken. De benadeelde concurrent zal zich moeten beroepen op de algemene regeling van de onrechtmatige daad.

Ook de benadeelde niet-particulier die met de oneerlijk handelende ondernemer contracteert, zal het moeten hebben van de reguliere bepalingen inzake onrechtmatige daad (art. 6:162 B.W.) of van de wettelijke regeling inzake dwaling of bedrog, of van de derogerende werking van de goede trouw (art. 6:248 B.W.).

Uitzondering voor acquisitiefraude

Er is de nodige discussie gevoerd over de vraag of de regeling ook reflexwerking zou kunnen hebben, met name voor kleinere niet-particuliere bedrijven en organisaties (zoals stichtingen en verenigingen) tot wie zich de oneerlijke concurrentie of misleidende reclame zich richt, en die op basis daarvan met de ondernemer die acquisitiefraude pleegt in zee gaat. De wetgever heeft ten behoeve van deze groep in 2016 aanvullende bescherming in de wet opgenomen door de Wet Acquisitiefraude, die geïmplementeerd is in art. 6:194 B.W.. Zie de pagina Misleidende reclame. Deze regeling grijpt terug op art. 6:193a t/m 6:193j B.W.. Voor het overige wordt echter geen reflexwerking aangenomen van de regeling in art. 6:193 e.v. B.W. ten behoeve van de consument die geen particulier is.

Consumentenbescherming

De regeling is met name gericht op de bescherming van de (Europese) consument tegen oneerlijke handelspraktijken. Dit als onderdeel van het streven naar de eenwording van de interne markt van de EU, waarbij het vertrouwen bij handelstransacties – ook over de grenzen heen – van belang is.

Definities

In art. 6:193a B.W wordt allereerst een aantal definities gegeven van onder meer het begrip consument, handelaar en handelspraktijk.

In art. 6:193b B.W wordt in algemene termen gedefinieerd wat een oneerlijke handelspraktijk is. Dit begrip wordt verder uitgediept in art. 6:193c B.W en volgende, waarbij er ook een zwarte lijst in de wet is opgenomen van per definitie oneerlijke handelspraktijken (art. 6:193g B.W) en agressieve handelspraktijken (art. 6:193i B.W) .

Met name worden als oneerlijke handelspraktijk aangeduid een misleidende handelspraktijk en een agressieve handelspraktijk.

Definitie misleidende handelspraktijk

Een handelspraktijk is misleidend indien informatie wordt verstrekt die feitelijk onjuist is, of die de gemiddelde consument misleidt of kan misleiden (art. 6:193c B.W).

Agressieve handelspraktijk

In art. 6:193h B.W wordt uitgewerkt wat is te verstaan onder een agressieve handelspraktijk.

Welke stappen kan de consument nemen?

Het gevolg van oneerlijke handelspraktijken is dat de handelaar (het bedrijf) onrechtmatig handelt tegenover de consument die hierdoor benadeeld wordt (art. 6:193b lid 1 B.W). Daaronder valt met name misleidend handelen of agressief handelen, en meer in het algemeen wanneer waardoor de consument door het handelen van de oneerlijke handelspraktijk een besluit over een overeenkomst neemt , dat hij anders niet had genomen. Daarbij valt ook te denken aan handelen in strijd met de vereisten van professionele toewijding, en handelen waardoor het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt. Hierbij wordt uitgegaan van de “gemiddelde” consument.

Lijdt de consument daardoor schade, dan is dat dus een onrechtmatige daad en kan hij die schade op de handelaar verhalen. Zie ook de pagina Onrechtmatige daad. Wanneer er een overeenkomst gesloten is, kan in sommige gevallen binnen de overeenkomst (in het kader van nakoming en/of ontbinding c.q. vernietiging) schadevergoeding worden gevraagd. Dit gevolg van aansprakelijkheid is nog eens expliciet in de wet opgenomen in (art. 6:193j lid 2 B.W).

De consument kan daarnaast ook vernietiging van de overeenkomst vorderen (art. 6:193j lid 3 B.W). De rechter kan ook onder instandlating van de overeenkomst partiële vernietiging uitspreken. Voor een voorbeeld zie Rb. Amsterdam 30-03-2018 (opdracht tot claimen vergoeding schade vertraging Schiphol), waar de oneerlijke handelspraktijk inhield dat een hoger tarief voor de opdracht online lager was dan niet online en de consument daar niet op gewezen was. De Kantonrechter ontbond voor zover het hogere tarief gold. Dat was een korting van EUR 94,= maar de proceskosten waren bijna EUR 241,=.

Voor vernietiging is niet per se vereist dat de handelaar opzettelijk gehandeld heeft, of dat de consument daadwerkelijke financiële schade heeft gelezen, aldus Rb.Noord-Nederland 11-09-2018 (Easysit).

Zoals blijkt uit de uitspraak van Rb. Den Haag 18-11-2017 (Tommy c.s./Tell Sell c.s.) kan de wet oneerlijke handelspraktijken – en met name art. 6:193j lid 2 B.W – ook voor bedrijven een grondslag bieden voor het vorderen van schadevergoeding. De maatstaven van de wet zoals die voor consumenten hebben te gelden dienen dan als grondslag voor de schadeclaim van een benadeeld bedrijf (reflexwerking).

Rechtspraak

Rb.Noord-Nederland 11-09-2018 (Easysit) – (r.o. 4.3) De kantonrechter overweegt dat – anders dan bij dwaling het geval is – voor vernietiging vanwege een oneerlijke handelspraktijk in beginsel niet vereist is dat door de consument aan Easysit kenbaar moet zijn gemaakt dat het volledig fabriceren van de stoelen in eigen fabriek voor hem van essentieel belang was voor het sluiten van de overeenkomst. Een handelspraktijk is misleidend – en daarmee oneerlijk – indien informatie wordt verstrekt die feitelijk onjuist is of die de gemiddelde consument misleidt of kan misleiden, al dan niet door de algemene presentatie van de informatie (artikel 6:193c BW). Het begrip handelspraktijk omvat iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan een consumenten. Ook het in een verkeerde veronderstelling brengen of laten ten aanzien van de oorsprong en de manier van produceren van een product valt daaronder (artikel 6:193c lid 1 sub b BW). Niet vereist is dat de verkoper dit met opzet doet. Het gaat erom of een gemiddelde consument door de (onjuiste) informatie op het ‘verkeerde been’ kan worden gezet en of die informatie van dien aard is dat deze de gemiddelde consument er toe kan brengen om een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. Voor misleiding is ook niet nodig dat de consument daadwerkelijk (financiële) schade heeft geleden.

Rb. Amsterdam 30-03-2018 (opdracht tot claimen vergoeding schade vertraging Schiphol) – partiële ontbinding overeenkomst van opdracht omdat dienst online goedkoper werd aangeboden en de consument hier niet op was gewezen.

Rb. Den Haag 18-11-2017 (Tommy c.s./Tell Sell c.s.) – art. 6:193j B.W. kan ook voor een door oneerlijke handelspraktijken benadeeld bedrijf grondslag voor de schadevergoeding bieden.

Rb. Amsterdam 5-09-2017 (Direct Pay/klant T-Mobile) – klant mag telefoonabonnement per direct opzeggen omdat hij niet juist is geïnformeerd over de opzegtermijn.

Auteur & Last edit

[MdV, 6-09-2018; bijgewerkt 06-06-2019]

0 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.