Gerechtelijke vaststelling ouderschap (Afd. 4, Titel 11, Boek 1 B.W.)
Inleiding gerechtelijke vaststelling ouderschap
Het ouderschap van een kind kan ook door de rechter worden bepaald, op verzoek van hetzij de moeder – tot het 16e levensjaar van het kind – hetzij het kind zelf.
Erkenning van het ouderschap is geregeld in Afd. 4, Titel 11 van Boek 1 B.W.. De Afdeling omvat twee artikelen: art. 1:207 B.W. en art. 1:208 B.W..
Hoe werkt gerechtelijke vaststelling afstamming?
Het ouderschap kan ook gerechtelijk worden vastgesteld, zelfs als de ouder is overleden. De grond hiervoor is dat de ouder de verwekker van het kind is (en dus de biologische vader, wat met een DNA-onderzoek kan worden aangetoond) of met de verwekking heeft ingestemd. Dit zal bij de rechtbank moeten worden verzocht door het kind, of, indien het kind jonger dan zestien jaar is, door diens moeder (art. 1:207 lid 1 B.W.).
De moeder moet het verzoek indienen binnen vijf jaar na de geboorte van het kind. Is de verwekker echter onbekend, dan begint de termijn pas te lopen vanaf het moment dat zijn identiteit bekend is (art. 1:207 lid 3 B.W.). Voor het kind geldt geen termijn.
Als het kind overlijdt voordat het ouderschap is vastgesteld, dan kan een kind van het kind de vaststelling verzoeken. Hiervoor is vereist dat de verwekker nog in leven is. Ook geldt dat het verzoek binnen een jaar na overlijden van het kind moet worden gedaan, of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis is gekomen (art. 1:207 lid 4 B.W.).
Gerechtelijke vaststelling afstamming niet mogelijk
Gerechtelijke vaststelling is niet mogelijk, indien (art. 1:207 lid 2 B.W.):
1. Het kind twee ouders heeft;
2. Tussen de moeder en de verwekker een ouder/kind-relatie, grootouder/kleinkind-relatie of broer/zus-relatie bestaat;
3. De verwekker jonger is dan zestien jaar, tenzij hij voor deze leeftijd is overleden.
Zodra de vaststelling in kracht van gewijsde is gegaan, heeft deze terugwerkende kracht tot de geboorte van het kind (art. 1:207 lid 5 B.W.). Dit heeft geen gevolgen voor derden die te goeder trouw zijn.
Daarnaast ontstaat er geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen. Hebben derden, te goeder trouw, (delen van) de nalatenschap verbruikt, dan hoeven zij dit niet aan de nieuwe erfgenaam, het kind, terug te betalen.
Kosten van verzorging en opvoeding
De rechter kan het kind op verzoek een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding of van levensonderhoud en studie toekennen (art. 1:208 B.W.). Dit alimentatieverzoek kan tegelijkertijd met het verzoek om gerechtelijke vaststelling worden ingediend.
Auteur & Last edit
[MdV, 25-12-2020; laatste bewerking AvB 2-08-2021]
Gerechtelijke vaststelling ouderschap (Afd. 4, Titel 11, Boek 1 B.W.)
Inleiding gerechtelijke vaststelling ouderschap
Het ouderschap van een kind kan ook door de rechter worden bepaald, op verzoek van hetzij de moeder – tot het 16e levensjaar van het kind – hetzij het kind zelf.
Erkenning van het ouderschap is geregeld in Afd. 4, Titel 11 van Boek 1 B.W.. De Afdeling omvat twee artikelen: art. 1:207 B.W. en art. 1:208 B.W..
Hoe werkt gerechtelijke vaststelling afstamming?
Het ouderschap kan ook gerechtelijk worden vastgesteld, zelfs als de ouder is overleden. De grond hiervoor is dat de ouder de verwekker van het kind is (en dus de biologische vader, wat met een DNA-onderzoek kan worden aangetoond) of met de verwekking heeft ingestemd. Dit zal bij de rechtbank moeten worden verzocht door het kind, of, indien het kind jonger dan zestien jaar is, door diens moeder (art. 1:207 lid 1 B.W.).
De moeder moet het verzoek indienen binnen vijf jaar na de geboorte van het kind. Is de verwekker echter onbekend, dan begint de termijn pas te lopen vanaf het moment dat zijn identiteit bekend is (art. 1:207 lid 3 B.W.). Voor het kind geldt geen termijn.
Als het kind overlijdt voordat het ouderschap is vastgesteld, dan kan een kind van het kind de vaststelling verzoeken. Hiervoor is vereist dat de verwekker nog in leven is. Ook geldt dat het verzoek binnen een jaar na overlijden van het kind moet worden gedaan, of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis is gekomen (art. 1:207 lid 4 B.W.).
Gerechtelijke vaststelling afstamming niet mogelijk
Gerechtelijke vaststelling is niet mogelijk, indien (art. 1:207 lid 2 B.W.):
1. Het kind twee ouders heeft;
2. Tussen de moeder en de verwekker een ouder/kind-relatie, grootouder/kleinkind-relatie of broer/zus-relatie bestaat;
3. De verwekker jonger is dan zestien jaar, tenzij hij voor deze leeftijd is overleden.
Zodra de vaststelling in kracht van gewijsde is gegaan, heeft deze terugwerkende kracht tot de geboorte van het kind (art. 1:207 lid 5 B.W.). Dit heeft geen gevolgen voor derden die te goeder trouw zijn.
Daarnaast ontstaat er geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen. Hebben derden, te goeder trouw, (delen van) de nalatenschap verbruikt, dan hoeven zij dit niet aan de nieuwe erfgenaam, het kind, terug te betalen.
Kosten van verzorging en opvoeding
De rechter kan het kind op verzoek een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding of van levensonderhoud en studie toekennen (art. 1:208 B.W.). Dit alimentatieverzoek kan tegelijkertijd met het verzoek om gerechtelijke vaststelling worden ingediend.
Auteur & Last edit
[MdV, 25-12-2020; laatste bewerking AvB 2-08-2021]
Gerechtelijke vaststelling ouderschap (Afd. 4, Titel 11, Boek 1 B.W.)
Zoeken binnen de kennisbank
Lawyrup, jouw gratis kennisbank over burgerlijk (proces)recht!