LawyrupBurgerlijke rechtsvorderingVerdragen burgerlijk procesrechtEuropese wetgeving burgerlijk procesrechtEuropese Verordening huwelijkszaken en ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II-bis)

Europese Verordening bevoegdheid huwelijkszaken en ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II-bis)

Inleiding Europese Verordening bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging huwelijkszaken en ouderlijk gezag (Brussel II-bis)

De Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000(4) voorzag in regels betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en van naar aanleiding van procedures in huwelijkszaken gegeven beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de gemeenschappelijke kinderen van de echtgenoten. De inhoud van deze verordening werd grotendeels overgenomen uit de overeenkomst van 28 mei 1998 met hetzelfde onderwerp.

De Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad d.d. 27 november 2003 is een herziening van Verordening (EG) 1347/2000. De Verordening regelt zoals de naam al aangeeft de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in het huwelijksrecht en de ‘ouderlijke verantwoordelijkheid’ (het ouderlijk gezag).

Inhoud van verordening bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging huwelijkszaken en ouderlijk gezag

Toepassingsgebied en definities (Hoofdstuk I)

art. 1 Toepassingsgebied en definities

art. 2 Definities

Bevoegdheid (Hoofdstuk II)

Afd. 1 Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk

art. 3 Algemene bevoegdheid

art. 4 Tegenvordering

art. 5 Omzetting scheiding van tafel en bed in echtscheiding

art. 6 Exclusieve aard van de bevoegdheid op grond an art. 3 – 5

art. 7 Residuele bevoegdheid

Afd. 2 Ouderlijke verantwoordelijkheid

art. 8 Algemene bevoegdheid

Lid 1 bepaalt, dat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

Dit onder (voor)behoud van de artikelen 9, 10 en 12 (art. 8 lid 2 Brussel II-bis).

In het arrest HR 25 maart 2022 (gewone verblijfplaats kind uit VS) gaat de Hoge Raad in op de criteria voor de vaststelling van de ‘gewone verblijfplaats’ van het kind. De Raad voor de Kinderbescherming had de rechtbank verzocht om het gezag van de vader en de stiefmoeder – die in de VS wonen – over de minderjarige – die met hun instemming bij een oom en tante (pleegouders) in Nederland was gaan wonen – te beëindigen. Het kind was op verzoek van de RvdK uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld. De vraag rijst, of de Nederlandse rechter bevoegd is over deze zaak te oordelen. De rechtbank meende van wel, het Hof niet. De Hoge Raad casseert de beslissing van het Hof, die tot niet-ontvankelijkheid had geconcludeerd. De Raad verwijst naar een aantal uitspraken van het HvJ EU over de uitleg van dit begrip:

“Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU houdt deze maatstaf in – kort gezegd – dat de gewone verblijfplaats van een kind een zekere integratie van dat kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van een lidstaat moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is. De gewone verblijfplaats van een kind komt overeen met de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt en moet worden bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak. Voorts heeft het HvJEU overwogen dat Verordening Brussel II-bis in dit verband uitgaat van de opvatting dat het belang van het kind moet primeren <voorrang krijgen, MdV>.”

De Hoge Raad verwijst naar: zie onder meer HvJEU 28 juni 2018, zaak C-512/17, ECLI:EU:C:2018:513, punten 41-42 en HvJEU 12 november 2014, zaak C-656/13, ECLI:EU:C:2014:2364, punt 48. Het Hof had deze uitgangspunten niet juist toegepast, althans zijn beslissing – leidend tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek – niet voldoende gemotiveerd. De Hoge Raad doet het vraagstuk van de bevoegdheid zelf af:

“Vast staat dat de minderjarige ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift door de raad al bijna een jaar onafgebroken in Nederland bij haar pleegouders (oom en tante) verbleef en daar naar school is gegaan. Voorts heeft het hof (in rov. 5.9) – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de minderjarige mede de Nederlandse nationaliteit bezit, de Nederlandse taal spreekt, in het verleden vaker periodes (bij familie) in Nederland heeft verbleven en ook tijdelijk naar een basisschool in Nederland is gegaan. Ten slotte vermeldt het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof dat de minderjarige in een gesprek met de voorzitter van het hof te kennen heeft gegeven dat zij zich thuis voelt en rust ervaart bij de pleegouders en dat zij in Nederland wil blijven wonen. Dit geheel van feitelijke omstandigheden laat geen andere conclusie toe dan dat sprake is van een zekere integratie van de minderjarige in een sociale en familiale omgeving in Nederland, en daarmee dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in de zin van art. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift door de raad in Nederland was gelegen.”

art. 9 Behoud van de bevoegdheid van de vorige gewone verblijfplaats van het kind

art. 10 Bevoegdheid in gevallen van kinderontvoering

art. 11 Terugkeer van het kind

art. 12 Prorogatie van rechtsmacht

art. 13 Bevoegdheid gebaseerd op de aanwezigheid van het kind

art. 14 Residuele bevoegdheid

art. 15 Verwijzing naar een gerecht dat beter in staat is de zaak te behandelen

Afd. 3 Gemeenschappelijke bepalingen

art. 16 Aanhangigmaking van een zaak bij een gerecht

art. 17 Toetsing van de bevoegdheid

art. 18 Toetsing van de ontvankelijkheid

art. 19 Aanhangigheid en onderling samenhangende procedures

art. 20 Voorlopige en bewarende maatregelen

Erkenning en tenuitvoerlegging (Hoofdstuk III)

Afd. 1 Erkenning

art. 21 Erkenning van een beslissing

art. 22 Gronden tot weigering van de erkenning van beslissingen ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk

art. 23 Gronden tot weigering van de erkenning van beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid

art. 24 Geen toetsing van de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht

art. 25 Verschillen in toepasselijk recht

art. 26 Geen onderzoek naar de juistheid van een rechterlijke beslissing

art. 27 Aanhouding van de uitspraak

Afd. 2 Verzoek om uitvoerbaarheidverklaring

art. 28 Uitvoerbare beslissingen

art. 29 Relatief bevoegd gerecht

art. 30 Procedure uitvoerbaarheidverklaring

art. 31 Beslissing van de rechterlijke instantie

art. 32 Kennisgeving van de beslissing

art. 33 Rechtsmiddelen

art. 34 Hogere voorzieningen terzake bevoegde rechterlijke instanties

art. 35 Aanhouding van de uitspraak

art. 36 Gedeeltelijke tenuitvoerlegging

Afd. 3 Gemeenschappelijke bepalingen Afd. 1 en Afd. 2

art. 37 Stukken

art. 38 Ontbrekende stukken

art. 39 Certificaten betreffende beslissingen in huwelijkszaken en certificaten betreffende beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid

art. 40 Toepassingsgebied

art. 41 Omgangsrecht

art. 42 Terugkeer van een kind

art. 43 Verbetering van het certificaat

art. 44 Rechtsgevolgen van het certificaat

art. 45 Stukken

Afd. 5 Authentieke akten en overeenkomsten

art. 46 Authentieke akten

Afd. 6 Overige bepalingen

art. 47 Procedure van tenuitvoerlegging

art. 48 Modaliteiten van uitoefening van het omgangsrecht

art. 49 Kosten

art. 50 Rechtsbijstand

art. 51 Zekerheid en depot

art. 52 Legalisatie of soortgelijke formaliteit

Samenwerking tussen centrale autoriteiten inzake ouderlijke verantwoordelijkheid (Hoofdstuk IV)

art. 53 Aanwijzing

art. 54 Algemene taken

art. 55 Samenwerking in specifieke gevallen op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid

art. 56 Plaatsing van het kind in een andere lidstaat

art. 57 Werkwijze

art. 58 Vergaderingen

Verhouding tot andere instrumenten (Hoofdstuk V)

art. 59 Verhouding tot andere instrumenten

art. 60 Verhouding tot bepaalde multilaterale verdragen

art. 61 Verhouding tot het Verdrag van ‘s-Gravenhage van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen

art. 62 Geldingsbereik

art. 63 Verdragen met de Heilige Stoel

Overgangsbepalingen (Hoofdstuk VI)

art. 64 Overgangsbepalingen

Slotbepalingen (Hoofdstuk VII)

art. 65 Herziening

Uiterlijk op 1 januari 2012 en vervolgens om de vijf jaar dient de Commissie, op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens, bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag over de toepassing van deze verordening in, dat zonodig vergezeld gaat van voorstellen tot wijziging van deze verordening.

art. 66 Lidstaten met twee of meer rechtsstelsels

art. 67 Inlichtingen betreffende de centrale autoriteiten en aanvaarde talen

art. 68 Gegevens betreffende de gerechten en de rechtsmiddelen

art. 69 Wijzigingen in de bijlagen

art. 70 Comité

art. 71 Inwerkingtreding

Auteur & Last edit

[MdV, 29-03-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.