LawyrupBurgerlijke rechtsvorderingWijze van procederen (Boek 1 Rv.)Algemene bepalingen civiele procedures (Titel 1, Boek 1 Rv.)Algemene voorschriften procedures (Afd. 3A, Titel 1, Boek 1 Rv.)

Algemene voorschriften procedures (Afd. 3A, Titel 1, Boek 1 Rv.)

Inleiding algemene voorschriften procedures

In Afd. 3A, Titel 1, Boek 1 Rv. zijn enkele algemene voorschriften opgenomen voor civiele procedures. Deze afdeling is ingevoegd bij de invoering van digitaal procederen per 1 september 2017. De artikelen 30 Rv. tot en met 35 Rv. maakten tot dan toe onderdeel uit van Afd. 3, Titel 1, Boek 1 Rv. (algemene bepalingen procesrecht).

De afdeling omvat 23 bepalingen (art. 30a Rv. tot en met art. 35 Rv.). Effectief zijn het er 7 want de andere bepalingen zijn – in de versie van Rv. voor niet-digitaal procederen – ‘nog niet in werking getreden’. Bij procedures die inmiddels wel digitaal gevoerd kunnen worden geldt de digitale versie van de wet. Met name voor deze afdeling is de digitale versie van belang, omdat daarin deze afdeling wel grotendeels is ingevoerd en dus geldend recht is. Art. 30a Rv. en art 30c Rv. tot en met art. 30o Rv. zijn in digitale procedures – zoals bij de Hoge Raad – wel van kracht.

NB: de links naar wetsartikelen verwijzen naar de niet-digitale versie van Rv.. Klik op deze link voor de digitale versie. Let met name in deze afdeling op, welke versie je bekijkt.

Uitspraken moeten de gronden bevatten

In art. 30 Rv. is bepaald, dat vonnissen, arresten en beschikkingen de gronden in moeten houden waarop zij rusten. Dit “tenzij uit de wet anders voortvloeit”.

Mondelinge uitspraak en kop-staart vonnis

In art. 30p Rv. wordt de rechter de mogelijkheid geboden mondeling vonnis te wijzen. deze bepaling is toegevoegd in het kader van de KEI-wetgeving. De andere onderdelen van art. 30a t/m art. 30q Rv. zijn alleen in digitale procedures van toepassing. Art. 30p Rv. geldt echter ook voor niet-digitale procedures. De regeling geldt sinds 1 september 2017.

In het arrest HR 20 april 2018 (BOPZ-zaak) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de mondelinge uitspraak op grond van art. 30p Rv. versus de tot dan toe bestaande praktijk van een mondelinge uitspraak in spoedeisende zaken door middel van een ‘kop-staart vonnis’. De Hoge Raad beschrijft deze werkwijze in r.o. 3.3.4:

“… de rechter <geeft> mondeling zijn beslissing en deelt de (belangrijkste) gronden daarvoor mede aan de aanwezige partijen, en <werkt> in de dagen daarna de uitspraak schriftelijk uit. Die schriftelijke uitwerking pleegt als uitspraakdatum te vermelden de dag waarop de uitspraak mondeling is gedaan. Indien de beslissing aanstonds na de mondelinge uitspraak ten uitvoer moet worden gelegd, wordt deze eerst in (sterk) verkorte vorm schriftelijk vastgelegd, in een voor tenuitvoerlegging vatbare vorm. Dit laatste gebeurt onder meer in de vorm van een verkorte uitspraak (soms ook wel aangeduid als een kop-staart-vonnis) of in de vorm waarvoor de rechtbank in dit geval heeft gekozen, van een aantekening op het verzoekschrift (soms wel aangeduid als ‘noodbeschikking’). In beide gevallen wordt de uitspraak dan gevolgd door de hiervoor bedoelde volledige schriftelijke uitwerking.”

De mondelinge uitspraak op grond van art. 30p Rv. is echter alleen mogelijk als alle partijen bij de mondelinge behandeling aanwezig zijn. Deze moet vervolgens – op grond van art. 30p lid 5 Rv. binnen twee weken – worden vastgelegd in een proces-verbaal: dit bevat derhalve al hetgeen ter zitting is besproken, en alleen dat. De rechter kan niet later de motivering aanvullen of wijzigen.

Volgens de Hoge Raad is het niet de bedoeling van de wetgever geweest om met de invoering van art. 30p Rv. de bestaande praktijk van het kop-staart vonnis overboord te gooien (r.o. 3.3.6 met vindplaatsen in de Parl. Geschiedenis, Kamerstukken II 2014/15, 34138, nr. 3, p. 10 en Kamerstukken II 2014/15, 34138, nr. 6, p. 7). Het verschil tussen beide is, dat de rechter bij het kop-staart vonnis dus wel een ‘gewone’ beslissing neemt waarin de motivering later kan worden uitgewerkt, terwijl dit bij een mondelinge uitspraak volgens art. 30p Rv. niet kan en de beslissing de vorm krijgt van een proces-verbaal van de zitting.

Art. 30p Rv. is volgens de Hoge Raad kennelijk met name bedoeld voor op eenvoudige zaken, waarin geen spoedeisend belang bij de uitspraak behoeft te bestaan en waarin de hiervoor in de wet genoemde voorschriften praktisch toepasbaar zijn.

Datum van de uitspraak bij mondelinge uitspraak en kop-staart vonnis (aanvang termijn rechtsmiddel)

Wordt mondeling uitspraak gedaan, dan geldt de dag waarop die uitspraak plaatsvindt, als de dag van de uitspraak. Die dag is ook bepalend voor de aanvang van de rechtsmiddeltermijn met betrekking tot de uitspraak. Dit geldt zowel voor de mondelinge uitspraak als bedoeld in art. 30p Rv (waarvoor dit volgt uit de wet), als voor de mondelinge uitspraak volgens de bestaande praktijk (vgl. onder meer Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 403).

Vermelden van de gronden rechtsmiddel tegen mondelinge uitspraak

De Hoge Raad zegt in het arrest van 20 april 2018 over het geval, waarin de gronden meteen in het rechtsmiddel moeten worden opgenomen, maar de termijn te kort is, verder nog (r.o. 3.4.5):

“In het geval dat de verplichting bestaat om bij het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de uitspraak, dadelijk de gronden voor dat rechtsmiddel aan te voeren, zoals in cassatie, dienen partijen steeds ten minste twee weken beschikbaar te hebben voor het aanvoeren van die gronden of zoveel minder als overeenstemt met de in het gegeven geval van toepassing zijnde kortere wettelijke rechtsmiddeltermijn. Indien na het beschikbaar komen van de schriftelijke uitwerking van de uitspraak minder dan twee weken resteren, dan wel minder dan genoemde kortere termijn resteert, binnen de rechtsmiddeltermijn, dient de termijn voor het aanvoeren van die gronden daarom zodanig te worden verlengd dat die termijn van twee weken dan wel die kortere termijn wel beschikbaar is, gerekend vanaf de dag volgende op die waarop de schriftelijke uitspraak beschikbaar is gekomen. Het rechtsmiddel zelf dient wel steeds binnen de rechtsmiddeltermijn te worden ingesteld, eventueel dus op nader aan te voeren gronden. (Vgl. onder meer HR 10 oktober 1986 (Staat/Kottar), ECLI:NL:HR:1986:AC1641, NJ 1987/122)”.

In de zaak leidend tot het arrest HR 21 februari 2020 (beslissing OTS) had de rechtbank de (nadere) onderbouwing van de beslissing inzake de ondertoezichtstelling van een minderjarige iets later dan twee weken na de mondelinge behandeling (en gedeeltelijke mondelinge uitspraak) toegezonden (maar wel op het aangekondigde tijdstip). De klacht in cassatie, dat dit tot nietigheid van de beslissing zou leiden, wijst de Hoge Raad van de hand (r.o. 3.1.3):

“Overschrijding van de in deze beschikking van de Hoge Raad genoemde termijn van twee weken voor de schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak, heeft niet tot gevolg dat de uitspraak nietig is of dat daaraan anderszins geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden. Dit strookt met hetgeen geldt ingeval mondeling uitspraak wordt gedaan op de voet van art. 30p Rv. De overschrijding van de in art. 30p lid 5 Rv genoemde termijn voor het na de mondelinge uitspraak verstrekken van een afschrift van het proces-verbaal, heeft evenmin nietigheid van de uitspraak tot gevolg.”

De oplossing wordt aangereikt in het arrest uit 2018 (zie r.o. 3.4.5 hierboven). Overigens was de werkwijze van de rechtbank in deze zaak niet heel handig, omdat er deels op het verzoek mondeling was beslist (dat was dus een mondelinge uitspraak, die in een proces-verbaal neergelegd had moeten worden), en op de overige verzoeken in de latere beslissing. Dat kan tot verwarring leiden over het tijdstip waarop beroep moest worden aangetekend.

Wijziging samenstelling rechterlijk college bij mondelinge uitspraak

Tot slot wijst de Hoge Raad er nog op, dat een wijziging van de samenstelling van het rechterlijk college na een mondelinge uitspraak volgens de bestaande praktijk wel gevolgen heeft, terwijl dit niet zo is bij de mondelinge uitspraak op grond van art. 30p Rv. (r.o. 3.4.6):

De rechters die de mondelinge uitspraak doen overeenkomstig de bestaande praktijk, dienen ook de schriftelijke uitwerking daarvan vast te stellen (HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:604). Bij de beslissing om mondeling uitspraak te doen, dient hiermee dan ook rekening te worden gehouden. Mocht een rechter defungeren voordat de schriftelijke uitwerking is vastgesteld, dan zal – noodgedwongen – moeten worden volstaan met de vastlegging van de mondelinge uitspraak in een proces-verbaal, aangezien de nadere schriftelijke uitwerking ervan (het ‘wijzen’ van de uitspraak of het vaststellen van de tekst ervan) niet meer in de door de wet geëiste samenstelling mogelijk is, en de uitspraak dan al is gedaan (vgl. onder meer HR 2 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB8153, NJ 1991/800, en HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9906, NJ 2009/206). Het feit dat een rechter is gedefungeerd staat niet in de weg aan de vastlegging in een proces-verbaal (dat immers uitsluitend de ter zitting medegedeelde beslissing en de gronden daarvoor betreft), zoals ook valt af te leiden uit art. 30p lid 4 Rv.

In het geval dat ervoor is gekozen om toepassing te geven aan art. 30p Rv – en dus om uitsluitend de beslissing en de gronden daarvoor die ter zitting zijn medegedeeld, schriftelijk vast te leggen in een proces-verbaal –, is ook na het defungeren van een rechter die de mondelinge uitspraak heeft gedaan, de schriftelijke vastlegging van de uitspraak als bedoeld in die bepaling nog mogelijk, zoals volgt uit het juist hiervoor met betrekking tot art. 30p lid 4 Rv overwogene.”

Kritiek op de regeling van art. 30p Rv.

In Trema 2017-09 wordt door mr. F. Kleefmann kritiek geuit op de invoering van deze nieuwe bepaling, omdat de eis dat dit alleen kan als de partijen bij de mondelinge uitspraak aanwezig zijn zowel in BOPZ zaken als in het jeugdrecht een streep trekt door die veel gebruikte en noodzakelijke praktijk om snel mondeling te kunnen beslissen, die volgens de schrijver feitelijk al bestond in art. 232 Rv..

De uitspraak in het incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad in Hof Den Haag 16 februari 2021 (Viruswaarheid/Staat) is ook een voorbeeld van een mondelinge uitspraak, waarvan de schriftelijke motivering op een later moment op schrift gesteld wordt.

Netherlands Commercial Court (NCC)

Per 1 januari 2019 is de Netherlands Commercial Court ingevoerd voor internationale geschillen. Het wetsvoorstel tot het instellen van de Netherlands Commercial Court is op 4 december 2018 door de Eerste Kamer aangenomen. De wet is inmiddels ook gepubliceerd in het Staatsblad en in werking getreden per 1 januari 2019 (zie Stb. 2018, 475). Voor de inhoud van de wetswijziging zie Stb. 2018, 474.

Partijen kunnen er bij internationale handelsgeschillen voor kiezen – vooraf bij het aangaan van een overeenkomst als forumkeuzebeding of na het ontstaan van een geschil bij forumkeuze overeenkomst – hun geschil voor te leggen aan de NCC. De voertaal is Engels en de uitspraak luidt ook in het Engels.  De rechtbank (en het Hof) is op basis van art. 6 lid 1 R.O. ingesteld, en wordt bevolkt door geselecteerde rechters van alle rechtbanken en Hoven in Nederland.

Procedurele regels Netherlands Commercial Court

Op de procedure voor de NCC en de NCCA is het Nederlandse procesrecht van toepassing. Dat betekent dat ook de regels met betrekking tot de bevoegdheid van de Nederlandse rechter van toepassing zijn. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter is geregeld in Afd. 1, Titel 1, Boek 1 Rv. (art. 1 tot en met 10 Rv., en met name art. 8 Rv.), zie ook de pagina Rechtsmacht. Daarbij spelen ook het Haags Forumkeuzeverdrag een rol en voor procedures waarbij een partij uit de EU is betrokken ook de EEX-Verordening, met name art. 25 EEX-Vo (zie de pagina EEX).

Cassatie is mogelijk, maar zal dan moeten worden ingesteld bij de Hoge Raad volgens de reguliere procesregels voor cassatie. De procedure zal dan niet in principe het Engels als voertaal hebben.

Voor de NCC en NCCA is een afzonderlijk procesreglement ingevoerd (zie hier voor Nederlands en hier voor Engels). Zittingen vinden plaats in het gerechtsgebouw van het Gerechtshof te Amsterdam aan het IJdok 20 in Amsterdam (vlakbij het Centraal Station).

Hoger griffierecht Netherlands Commercial Court

Omdat de bedoeling van het invoeren van de NCC is, dat deze ingreep budgetneutraal is – verwacht wordt ook dat dit de rechtspraak bij andere rechtbanken zal ontlasten omdat ingewikkelde internationale procedure niet meer (of in mindere mate) bij de andere rechtbanken worden aangebracht – gelden voor de NCC en de NCCA hogere griffierechten. Anderzijds wordt verwacht dat de procedure een goedkoper en goed alternatief zal bieden voor dure internationale arbitrageprocedures. De griffierechten bij de rechtbank liggen tussen de EUR 7.500 en EUR 15.000, die bij de NCCA tussen de EUR 10.000 en de EUR 20.000.

Wettelijke regeling Netherlands Commercial Court

De procedure is opgenomen in art. 30r Rv.. De procedure voorziet in extra waarborgen om te voorkomen dat partijen die niet voor deze procedure gekozen hebben daar toch in worden betrokken. Daaronder een uitzondering op het vereiste van concentratie van verweer van art. 30i Rv..

De partij die zich bij incidentele akte verweert tegen de bevoegdheid van de NCC (exceptie van onbevoegdheid) verliest daarmee niet de mogelijkheid – als dit verweer wordt gepasseerd of wanneer dit gegrond wordt bevonden en wordt verwezen naar een andere rechtbank – om vervolgens alsnog ten gronde verweer te voeren. Dit verweer mag in het Nederlands worden gevoerd en de uitspraak luidt in het Nederlands. Zie de pagina Verloop van de dagvaardingsprocedure over de regel inzake concentratie van verweer, die geldt in andere procedures dan die bij de NCC.

De procedure kan zowel geschillen over overeenkomsten als vorderingen uit onrechtmatige daad betreffen. Ook voorlopige voorzieningen en verzoekschriften zijn mogelijk.

Zaken die zijn voorbehouden aan een andere rechtbank kunnen niet voor deze rechter worden gebracht. Zoals zaken die zijn voorbehouden aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam, octrooizaken die moeten worden aangebracht bij de Octrooikamer van de rechtbank Den Haag of zaken die behoren tot de bevoegdheid van de Maritieme kamer van de rechtbank Rotterdam.

Zie voor meer informatie ook de website van de NCC.

Herstel van een vonnis of beschikking

In art. 31 Rv. is voorzien in de mogelijkheid om een vonnis of beschikking te herstellen, als daar een fout in geslopen is. Dit kan alleen als er een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout in staat, die zich voor eenvoudig herstel leent.

De rechter moet partijen eerst in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten. Immers moet ook hier hoor en wederhoor worden toegepast.

De verbetering wordt op een door de rechter nader te bepalen dag uitgesproken. Het herstelvonnis wordt op de “minuut” van het vonnis, het arrest of de beschikking gesteld, met vermelding van deze dag en van de toegepaste hoor en wederhoor (lid 2).

Afgifte herstelvonnis of herstelbeschikking

Van de verbeterde minuut verstrekt de griffier op de dag van de uitspraak aan de in de oorspronkelijke procedure verschenen partijen een afschrift, zo nodig opgemaakt in executoriale vorm.

Een eerder verstrekt afschrift opgemaakt in executoriale vorm verliest hierdoor zijn kracht. De partij die in het bezit is van een afschrift als bedoeld in de vorige zin, geeft dit af aan de griffier.

Was de executie reeds aangevangen, dan kan deze met inachtneming van de verbetering worden voortgezet op grond van een na de verbetering afgegeven afschrift opgemaakt in executoriale vorm.

Geen rechtsmiddel tegen herstelvonnis of weigering tot uitspreken daarvan

Tegen verbetering – of het weigeren daarvan – staat geen rechtsmiddel open (lid 4).

Verzuimd te beslissen op (deel) gevorderde

Ook wanneer de rechter verzuimd heeft op (een deel van) het gevorderde te beslissen, kan aanvulling van de beslissing gevraagd worden (art. 32 Rv.). De regels van art. 31 Rv. zijn van overeenkomstige toepassing.

Verstrekking nieuwe titel na herstel of aanvulling

In art. 31 lid 3 Rv. is bepaald, dat de griffier op de dag van de uitspraak een afschrift van de verbeterde minuut aan de in de procedure verschenen partijen verstrekt, zo nodig opgemaakt in executoriale vorm.

Een eerder verstrekt afschrift opgemaakt in executoriale vorm verliest hierdoor zijn kracht. De partij die in het bezit is van een afschrift als bedoeld in de vorige zin, geeft dit af aan de griffier.

Was de executie reeds aangevangen, dan kan deze met inachtneming van de verbetering worden voortgezet op grond van een na de verbetering afgegeven afschrift opgemaakt in executoriale vorm.

Elektronische communicatie met rechter

Met de rechter kan ook langs elektronische weg worden gecommuniceerd, als het procesreglement dit toelaat (art. 33 Rv.).

Stukken over te leggen na verwijzing of rechtsmiddel

Wanneer een andere rechter over de zaak moet oordelen na verwijzing, of als er een rechtsmiddel wordt ingesteld en een andere rechter van de zaak kennis moet nemen, moet de inleider de bestreden beslissing in het geding brengen (art. 34 Rv.).

Te weten:

– afschrift van het vonnis (art. 230 Rv.), het arrest of de beschikking (art. 290 Rv.) waarbij de procedure is verwezen of waartegen het rechtsmiddel is aangewend;

– afschriften van de overige op de procedure betrekking hebbende stukken.

De griffier kan ook stukken opvragen bij de griffier van de eerdere instantie (lid 2). Het overleggen van de stukken uit de eerdere instantie wordt ook wel “fourneren” van het procesdossier genoemd.

Nadere procesregels bij AMvB

Krachtens art. 35 Rv. kan de Minister nadere regels stellen ten aanzien van de procesvoering, zowel ten aanzien van termijnen als ten aanzien van de opmaak van processtukken.

Die bevoegdheid lijkt op gespannen voet te staan met de scheiding der machten. De uitvoerende macht oefent flinke invloed uit op het budget voor de rechterlijke macht en dringt efficiencymaatregelen op. Deze bevoegdheid grijpt nog verder in de autonomie van de rechter in, zonder dat de formele wetgever hier voorafgaand toezicht op uitoefent.

Regels voor digitale procedures

NB de links naar de wet(s artikelen)op deze pagina verwijzen naar de versie voor NIET-digitaal procederen. Voor Afd. 3A, Titel 1, Boek 1 Rv. digitaal klik op deze link. Zie ook Stb. 2016, 288 Wet van 31 juli 2016 inzake de invoering van digitaal procederen (KEI) en de invoeging van een aantal extra bepalingen genummerd art. 30a t/m 30q Rv.. In hoeverre deze bepalingen weer gaan vervallen hangt af van het verdere lot van KEI.

De bepalingen voor digitaal procederen worden niet behandeld op deze pagina.

Auteur & Last edit

[MdV, 28-10-2018; laatste bewerking 2-09-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.