Verloop van de procedure (Afd. 5, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Inleiding verloop van de procedure

De bepalingen over het verloop van de dagvaardingsprocedure zijn te vinden in Afd. 5, Titel 2, Boek 1 Rv. (niet-digitaal). Zie hier voor digitaal.

Aanhangig zijn van geding

Art. 125 lid 1 Rv. (niet-digitaal) bepaalt, dat de procedure aanhangig is vanaf het moment van uitbrengen van de dagvaarding. Dat is o.a. bij hoger beroep van belang voor de vraag, of het hoger beroep tijdig binnen de beroepstermijn is ingesteld, of bij conservatoir beslag voor de termijn waarbinnen de procedure uiterlijk moet worden aangevangen. Eenzelfde bepaling kent de wet bij digitaal procederen: art. 125 Rv. digitaal: de procedure is dan aangevangen met ingang van de dag waarop de procesinleiding is ingediend (wanneer de “verzend” knop is aangeklikt nadat alle vereiste velden voor het inleiden van een digitale procedure zijn ingevuld).

Het exploit van dagvaarding wordt bij niet-digitaal procederen aangebracht (placet) bij de griffie (met een B-formulier aangemaakt via het digitale roljournaal). Dit moet uiterlijk de dag voor de eerst dienende dag worden ontvangen door de griffie (lid 2). Het verschil zit er in, dat bij niet-digitaal er een ruime termijn kan zitten tussen de eerst dienende dag, en daarmee het moment waarop het griffierecht verschuldigd is. Wordt het exploit niet aangebracht, dan krijgt de procedure geen vervolg (lid 5). Het abusievelijk niet aanbrengen kan worden hersteld door binnen twee weken na de dag waartegen was opgeroepen een herstelexploot uit te brengen met een oproep tegen een nieuwe datum (nog steeds lid 5).

Bij digitaal procederen is “Send” onverbiddelijk de aanvang van de procedure. Daarbij kan wel een ruimere termijn (van maximaal 6 maanden) worden aangegeven, maar het griffierecht is toch direct verschuldigd.

Vervroeging van de aangezegde datum door gedaagde

De gedaagde kan in niet-digitale procedure de datum vervroegen, door zelf een exploit uit te brengen en de eiser op te roepen tegen een vroegere datum (art. 126 Rv. niet-digitaal). Bij digitaal procederen is dit niet aan de orde (art. 126 Rv. is bij KEI vervallen).

Verzuim aan te brengen; verval instantie

Verzuimt de eiser de dagvaarding op de dienende dag aan te brengen, dan kan de gedaagde de zaak aanbrengen en verval van instantie vragen (art. 127 lid 1 en 2 Rv. niet-digitaal). De eiser kan het verzuim wel alsnog herstellen.

Wanneer de gedaagde het exploit van vervroeging verzuimt aan te brengen, dan blijft de oorspronkelijke dagvaarding van eiser gelden (art. 127 lid 3 niet-digitaal).

Deze regels zijn uiteraard bij digitaal procederen volgens KEI niet van toepassing (vervallen). Daarvoor in de plaats komt de digitale procesinleiding; zie de betreffende pagina.

Griffierecht

De eiser moet het griffierecht binnen de termijn van art. 3, lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken voldoen. Anders kan de rechter verval van instantie gelasten (art. 127a Rv. niet-digitaal). De eiser krijgt nog wel een termijn om zich uit te laten. De bepaling is bij digitaal procederen ongewijzigd (art. 127a Rv. digitaal).

De gedaagde moet – zodra hij zich gesteld heeft – binnen dezelfde termijn betalen. Doet hij dat niet, dan wordt gehandeld als bij verstek (art. 128 lid 6 Rv. niet-digitaal). Bij digitaal procederen geldt hetzelfde (art. 128 Rv. digitaal).

Stellen gedaagde en antwoord; uitsteltermijnen

De gedaagde stelt zich op de eerst dienende (rol)datum in de procedure (art. 128 lid 1 Rv. niet-digitaal) en verkrijgt een termijn voor antwoord (lid 2). Voor de uitsteltermijnen zie het toepasselijke rolreglement. De conclusie van antwoord moet “met redenen omkleed” zijn. Ook over de andere uitsteltermijnen beslist de rechtbank aan de hand van het rolreglement (art. 133 Rv. niet-digitaal). Wordt een termijn niet benut dan verliest de partij die aan het woord is die beurt. Art. 30o Rv. digitaal biedt voor digitaal procederen een enigszins vergelijkbare bepaling (art. 133 Rv. vervalt in KEI).

Wanneer er een comparitie na antwoord gehouden wordt, volgen er in beginsel geen repliek en dupliek meer (art. 132 Rv. niet-digitaal).

Concentratie van verweer en excepties

Belangrijk is dat de gedaagde al zijn weren direct in de conclusie van antwoord naar voren moet brengen (art. 128 lid 3 Rv. niet-digitaal). Deze bepaling is in het nieuwe procesrecht verhuisd naar art. 30i Rv (digitaal). Doet hij dit niet, dan verliest hij het recht op een later tijdstip alsnog excepties naar voren te brengen. En verweert hij zich niet ten principale, dan vervalt ook dat recht. Overigens zit in verruiming van het verweer ten principale in de praktijk nog wel wat rek.

De achtergrond van deze regel is de Lex Hartogh, die tot doel had gechicaneer en uitstelgedrag bij het verweer tegen te gaan. Bij de voorlaatste herziening van het procesrecht is dit ook op andere punten voor beide partijen aangescherpt door de eis dat partijen direct al hun stellingen en alle informatie op tafel moeten leggen.

Ook moet de gedaagde de bewijsmiddelen die hij wil aanvoeren, alsmede evt. getuigen, bij antwoord vermelden (lid 5).

Vermindering of vermeerdering van eis

Eiser heeft echter ruimere mogelijkheden de eis te wijzigen en te vermeerderen (art. 129 Rv. niet-digitaal en art. 130 Rv. niet-digitaal).

De eiser in een procedure heeft op grond van art. 130 Rv. de bevoegdheid om na de dagvaarding haar eis te wijzigen, aan te vullen, of te vermeerderen of verminderen. Dit kan in beginsel in elke stand van de procedure. Ook in hoger beroep kan de eiser de eis nog wijzigen. Dat geldt ook voor de eis in reconventie. Tot de wetswijziging van 2002 was dit art. 134 Rv. (oud).

De wet biedt veel ruimte voor eiswijziging. De wijziging kan bijdragen aan een betere presentatie van het geschil, zodat de rechter kan recht doen op de werkelijke verhouding tussen partijen.

Wat wordt verstaan onder de eis?

De eis is het gevorderde. De eiser kan ook de gronden van zijn eis veranderen of vermeerderen. De eis kan ook verminderd worden (art. 129 Rv.).

Wanneer kan de eiser de eis wijzigen?

Eiser is daartoe bevoegd zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen.

Wanneer de gedaagde niet is verschenen kan de eis niet gewijzigd worden, tenzij de gedaagde hiervan door middel van een exploit in kennis gesteld wordt (art. 130 lid 3 Rv.). Anders zou de gedaagde immers onbekend zijn met de wijziging en daar niet tegen kunnen opkomen, denkend dat de vordering nog luidt zoals die in de dagvaarding stond.

Bezwaar tegen de eiswijziging

Gedaagde kan bezwaar maken tegen een verandering of vermeerdering op grond dat deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

De rechter kan ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten, eveneens op grond van strijd met de eisen van een goede procesorde. Dat zal slechts bij uitzondering het geval kunnen zijn, de rechter toetst slechts marginaal. De omlijning van het geschil moet de rechter aan partijen overlaten.

Tegen de beslissing van de rechter op het bezwaar tegen de vermeerdering of wijziging van eis staat geen hoger beroep open (art. 130 lid 2 Rv.).

Een te grote beperking om de eis te wijzigen zou ertoe kunnen leiden, dat het debat in de procedure te veel wordt versmald.

Wanneer dit al in eerste instantie gebeurt, kan een eiser de eis alsnog in hoger beroep wijzigen. Dat zou slechts leiden tot een grotere belasting van de rechterlijke macht.

Griffierecht

Een verhoging van de vordering kan ook tot meer griffierecht leiden. Of als het een procedure betreft die vanwege de competentiegrens bij de Kantonrechter dient, kan de wijziging leiden tot verwijzing naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

Hoger beroep

In hoger beroep geldt de zgn. twee “conclusie regel”. Er moet in de eerste conclusie in hoger beroep (grieven of antwoord) worden vermeerderd, zodat de ander kan reageren (hoor en wederhoor). Zie jurisprudentie Hoge Raad (2008 en 2009).

Comparitie na antwoord en pleidooi

Wanneer beide partijen één keer aan het woord geweest zijn, besluit de rechtbank binnen twee weken of er een zgn. “comparitie na antwoord” (art. 133 Rv. niet-digitaal) wordt gelast. Dit is een zitting waarop (1) partijen de gelegenheid krijgen hun stellingen nader toe te lichten, (2) de rechtbank aan partijen vragen kan stellen over de feiten en de verdeling van de bewijslast (art. 88 Rv. niet-digitaal) en waarbij (3) de rechter partijen zal proberen te bewegen om een schikking beproeven (art. 87 Rv. niet-digitaal).

Bij de KEI-procedure wordt de comparitie zoveel mogelijk meteen bepaald op een datum nadat de gedaagde zijn verweerschrift heeft ingediend (art. 30j Rv. digitaal). Voor het achterwege laten is bij KEI de instemming van partijen vereist. Art. 30k Rv. digitaal werkt de doeleinden van de comparitie iets nader uit. In KEI is art. 87 Rv. wel gehandhaafd, art. 88 Rv. is vervallen.

Tot slot kunnen partijen desgewenst hun standpunten nog bij pleidooi toelichten. Als er een comparitie heeft plaatsgevonden, dan kan de rechtbank beslissen dat er geen pleidooi meer mag volgen (art. 134 Rv. niet-digitaal). In de KEI procedure is het pleidooi niet meer expliciet voorzien, maar de procedure geeft de rechtbank meer vrijheid om partijen de gelegenheid geven te reageren (vgl. art. 30o Rv. digitaal). Zij kunnen ook aan de rechter vragen om een nadere mondelinge behandeling of een pleidooi.

Recht op mondelinge behandeling en beslissing door zelfde rechters

De comparitie na antwoord en ook het pleidooi zijn mondelinge behandelingen. Deze vormen volgens het burgerlijk procesrecht een elementair onderdeel van de procedure. Die mondelinge behandeling heeft, evenals in een dagvaardingsprocedure de comparitie na antwoord in eerste aanleg (art. 131 Rv) en het pleidooi in eerste aanleg en in hoger beroep (art. 134 Rv), mede tot doel dat de rechter partijen en belanghebbenden in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten. Hetzelfde geldt voor verzoekschriftprocedures. Art. 279 lid 1 Rv en art. 361 lid 1 Rv houden voor die procedures in dat de rechter in eerste aanleg en in hoger beroep na de indiening van het verzoekschrift dag en uur bepaalt waarop de behandeling aanvangt. Daarin ligt besloten dat in een verzoekschriftprocedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en behoudens uitzonderingen, een mondelinge behandeling behoort plaats te vinden. Zie ook de pagina Verzoekschriftprocedure.

In het arrest HR 31 oktober 2014 (mr. Van Dun c.s./Staat) (een onteigeningszaak) heeft de Hoge Raad (mede met het oog op art. 6 EVRM) beslist, dat de rechters (of rechter) voor wie de mondelinge behandeling (waaronder ook te verstaan pleidooi) heeft plaatsgevonden ook de rechters moeten zijn, die het vonnis wijzen. Wanneer de samenstelling van het gerecht wijzigt nadat mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, moet partijen de gelegenheid worden geboden om te verzoeken een nadere mondelinge behandeling opdat aan deze regel wordt voldaan. Dat klemde hier te meer, omdat er (nog) geen proces-verbaal van de zitting was opgesteld, zodat de nieuwe rechter geen kennis kon nemen van wat op de zitting besproken was. Wijst het gerecht het verzoek om een nadere mondelinge behandeling verzoek af, dan dient dit deugdelijk te worden gemotiveerd.

De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.4.1):

“Het – niet onbegrensde – recht van partijen hun standpunten mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten, is een fundamenteel beginsel van burgerlijk procesrecht, dat is neergelegd in art. 134 Rv en ook voortvloeit uit art. 6 EVRM (zie bijvoorbeeld HR 15 maart 1996, NJ 1997/341).

Een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling (daaronder begrepen een comparitie van partijen of pleidooi in dagvaardingszaken), behoort, behoudens bijzondere omstandigheden, te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, teneinde te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing. Deze regel heeft in de afgelopen decennia aan betekenis gewonnen door het toegenomen gewicht van de mondelinge behandeling in de civiele procedure. In verzoekschriftprocedures is de mondelinge behandeling hoofdregel (art. 279 lid 1 Rv, art. 362 Rv). In dagvaardingsprocedures is in eerste aanleg de comparitie na antwoord hoofdregel geworden (art. 130 Rv), en in hoger beroep heeft de comparitie na aanbrengen ingang gevonden. Bovendien hebben partijen in een dagvaardingsprocedure in beginsel recht op pleidooi. Mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting kan van wezenlijke invloed zijn op de oordeelsvorming van de rechter, en kan niet altijd volledig in een proces-verbaal worden weergegeven, nog daargelaten dat het opmaken van een proces-verbaal niet in alle gevallen wettelijk is voorgeschreven.

Aan het belang dat de op een mondelinge behandeling volgende uitspraak wordt gewezen door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, zal echter niet onder alle omstandigheden kunnen worden tegemoet gekomen. Zo kan een rechter in de loop van de behandeling van een zaak defungeren, overlijden of langdurig ziek worden.

Het voorgaande brengt mee dat, indien tussen de mondelinge behandeling en de daaropvolgende uitspraak vervanging van een of meer rechters noodzakelijk blijkt, partijen, alsmede – in verzoekschriftprocedures – de belanghebbenden, daarover voorafgaand aan die uitspraak worden ingelicht, onder opgave van de reden(en) voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum. Elk van de bij de mondelinge behandeling verschenen partijen en belanghebbenden zal in dat geval een nadere mondelinge behandeling mogen verzoeken ten overstaan van de rechter(s) door wie de uitspraak zal worden gewezen. Dit verzoek mag in geen geval worden afgewezen indien niet een proces-verbaal van de eerdere mondelinge behandeling is opgemaakt en uiterlijk tegelijk met de hiervoor bedoelde mededeling aan partijen en belanghebbenden ter beschikking is gesteld. Anders is onvoldoende gewaarborgd dat hetgeen ter zitting is voorgevallen, wordt meegewogen bij de totstandkoming van de uitspraak. Is van die mondelinge behandeling wel (tijdig) een proces-verbaal opgemaakt en aan partijen en belanghebbenden ter beschikking gesteld, dan kan de rechter het verzoek afwijzen in het belang van een voortvarende procesvoering. Hij dient in dat geval in de – alsdan zonder nadere mondelinge behandeling volgende – uitspraak te motiveren waarom dit belang in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om zijn standpunt te mogen uiteenzetten ten overstaan van de rechter(s) die over de zaak zal (zullen) oordelen.

In het huidige stelsel is er geen grond om voor het pleidooi in onteigeningszaken specifieke maatstaven aan te leggen in afwijking van de maatstaven die voor het Nederlands burgerlijk procesrecht in het algemeen gelden.”

Deze laatste overweging had ermee te maken dat in onteigeningszaken tot dan toe op grond van HR 11 maart 1964, NJ 1964/182 een apart en strenger regime gold. Met deze beslissing over het in principe toestaan van een nadere mondelinge behandeling bij wijziging van de samenstelling van het gerecht is de Hoge Raad teruggekomen op zijn eerdere rechtspraak op dit punt.

In het arrest HR 15 april 2016 (mr. Muetstege/Gem. Amsterdam), ook weer een onteigeningszaak, heeft de Hoge Raad deze regels gepreciseerd. In die zaak deed de wijziging van de samenstelling van de rechtbank zich voor nadat er al een tussenvonnis was gewezen. Bij elkaar waren er drie mondelinge behandelingen geweest. De regel uit het arrest uit 2014 ging echter niet op, omdat de nadere beslissingen na het eerste tussenvonnis zagen op andere geschilpunten. Het feit dat een van de rechters na dat eerste vonnis was vervangen deed dus geen afbreuk aan de regel dat een vonnis na een mondelinge behandeling in ongewijzigde samenstelling moet plaatsvinden (r.o. 3.4). De Hoge Raad preciseerde echter nog wel het arrest uit 2014, waarbij de Hoge Raad drie kwesties aansnijdt:

(a) De verplichting van het gerecht om aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling na een mondelinge behandeling

Het arrest van 2014 ziet op de situatie dat de uitspraak die volgt op een mondelinge behandeling een beslissing inhoudt over de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling aan de orde zijn gekomen.  Deze situatie doet zich echter niet steeds voor. De uitspraak kan een beslissing inhouden over slechts een gedeelte van de geschilpunten of zelfs uitsluitend strekken tot nadere instructie van de zaak. De ratio van de in het arrest van 2014 gegeven regels is, dat hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is verhandeld, daadwerkelijk wordt meegewogen in de vervolgens te nemen beslissing. Daarvan uitgaande zou in dergelijke gevallen de verplichting van het gerecht om aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling – in de plaats daarvan of ook – moeten komen te gelden voor de volgende uitspraak of uitspraken waarin (wel of tevens) wordt beslist over de geschilpunten die in de mondelinge behandeling aan de orde zijn gekomen.

In dit verband is echter ook van belang dat de rechtspraktijk – in het bijzonder de administratie van de gerechten – is gediend met een eenvoudig werkbaar stelsel. Een stelsel waarin telkens op zaaksinhoudelijke gronden moet worden beslist of aan partijen mededeling moet worden gedaan van een rechterswisseling, is niet eenvoudig werkbaar.

Een afweging aan de hand van de hiervoor vermelde gezichtspunten brengt mee dat moet worden aanvaard dat de verplichting van het gerecht om na een mondelinge behandeling aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling, vervalt na de eerste uitspraak die op de mondelinge behandeling volgt. Een uitspraak, ook indien deze slechts strekt tot instructie van de zaak, leidt immers tot een nieuwe fase in de procedure. Partijen kunnen zelf aan de hand van de eerdere mondelinge behandeling, de uitspraak die daarop is gevolgd en de latere proceshandelingen een afweging maken of in geval van een rechterswisseling een nadere mondelinge behandeling gewenst is en in bevestigend geval naar een eventuele rechterswisseling informeren. Na een uitspraak is het dus aan partijen om in dit verband initiatieven te ontplooien.

(b) De beoordeling van een verzoek om een nadere mondelinge behandeling na een rechterswisseling

De rechter beslist op een verzoek om een nadere mondelinge behandeling. Daarbij blijft uitgangspunt dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, dient te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Dit uitgangspunt blijft gelden zolang niet is beslist op de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling aan de orde zijn gekomen, en kan dus ook de fase van de procedure omvatten waarin op het gerecht niet meer de verplichting rust om aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling. De voorwaarden die in rov. 3.4.4 van het arrest van 2014 zijn gesteld aan de afwijzing van een verzoek om een nadere mondelinge behandeling, kunnen dan ook tot de einduitspraak een rol blijven spelen.

Wel neemt het gewicht van het hierboven genoemde uitgangspunt af naarmate in tussenuitspraken verdergaand is beslist op de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling ter sprake zijn gekomen. Zoals in het arrest van 2014 is overwogen, weegt ook het belang van een voortvarende procesvoering mee bij de beoordeling van verzoeken om een nadere mondelinge behandeling na een rechterswisseling.

(c) De comparitie na aanbrengen in hoger beroep

In de rechtspraktijk is nog de vraag gerezen in hoeverre de regels van het arrest van 2014 van toepassing zijn op een comparitie na aanbrengen in hoger beroep.
Een zodanige comparitie vindt plaats op een moment waarop nog geen sprake is geweest van een schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten, en dient veelal met name ertoe de mogelijkheid van een schikking te beproeven en afspraken over het procesverloop te maken. Bovendien kan na de stukkenwisseling nog een mondelinge behandeling plaatsvinden, waarop dan de regels van het arrest van 2014 van toepassing zijn. Daarom zien de regels van het arrest van 2014 niet op de comparitie na aanbrengen in hoger beroep.

Een variatie op dit thema is de mogelijkheid om in een procedure voor de meervoudige kamer een rechter-commissaris in te schakelen voor het doen houden van de mondelinge behandeling. In dat geval, zo besliste de Hoge Raad in HR 22 juni 2018 (uitvinder kassystemen/Holland Scherming B.V.), moet het gerecht (i.c. het Hof) partijen in de gelegenheid stellen om bezwaar te maken tegen behandeling door de enkelvoudige kamer terwijl de meervoudige kamer de beslissing zal nemen. Dit mede gezien het feit, dat de door het Hof gelaste comparitie mede is benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten.

Dit kwam eerder al aan de orde in een verzoekschriftprocedure in 2017, waarin de Hoge Raad ook verwijst naar de arresten uit 2014 en 2016. In een verzoekschriftprocedure strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werkneemster HR 22 december 2017 (werkneemster/stichting Maatschappelijke ondersteuning) komt aan de orde, dat de mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsvond voor een enkelvoudige kamer, terwijl vervolgens – zoals standaard in hoger beroep – arrest werd gewezen door de meervoudige kamer. De Hoge Raad verwijst in de cassatie tegen die beslissing ook naar het arrest van 31 oktober 2014 en het arrest uit 2016 die hiervoor zijn besproken.

Wanneer de mondelinge behandeling mede tot doel heeft de stellingen van partijen toe te lichten, dan mag deze niet ten overstane van maar één rechter plaatsvinden, waarna een meervoudige kamer over de zaak beslist, zo oordeelt de Hoge Raad. Dit ligt anders voor mondelinge behandelingen die een ander doel hebben, zoals in de dagvaardingsprocedure het geval is bij de schikkings- en inlichtingencomparitie na een tussenuitspraak (art. 87 en 88 Rv, in hoger beroep in verbinding met art. 353 lid 1 Rv), en in hoger beroep bij de comparitie na aanbrengen die plaatsvindt voordat een schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten heeft plaatsgevonden en ertoe dient een schikking te beproeven en afspraken over het procesverloop te maken. Zie ook de pagina Enkelvoudige en meervoudige kamers. De Hoge Raad:

“Uitgangspunt is dus dat in hoger beroep wettelijk de hoofdregel is dat zaken door een meervoudige kamer worden behandeld en beslist. Ingevolge art. 16 lid 5 Rv kan de meervoudige kamer van het gerechtshof bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een (zoveel als mogelijk uit haar midden aangewezen) raadsheer-commissaris; de raadsheer-commissaris oefent daarbij de bevoegdheden uit, aan het gerechtshof toegekend.

Indien een zaak meervoudig wordt beslist, brengt de strekking van de regel van het arrest van 2014 mee dat een aan de beslissing voorafgaande mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten, in beginsel dient plaats te vinden ten overstaan van de drie rechters of raadsheren die de beslissing zullen nemen.

Van dit doel is in het algemeen sprake bij een mondelinge behandeling die plaatsvindt in aansluiting op de eerste schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten. Daarnaast kan van dit doel sprake zijn bij een mondelinge behandeling in een andere stand van het geding, maar dat hoeft niet het geval te zijn.”

De Hoge Raad legt vervolgens nog uit hoe dit dan in de praktijk moet worden aangepakt (r.o. 3.6.3 e.v.):

“Uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandeling zal (schriftelijk of elektronisch) aan hen moeten worden meegedeeld dat is bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris. Aan partijen dient gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Voor het doen van dit verzoek kan een termijn worden gesteld.

Zojuist bedoeld verzoek zal, gelet op de hiervoor in 3.5.1 vermelde hoofdregel, in beginsel moeten worden ingewilligd. Het verzoek kan derhalve alleen worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld.

Indien op de voet van art. 15 lid 2 Rv of art. 16 lid 3 Rv verwijzing van een zaak van de enkelvoudige kamer naar de meervoudige kamer plaatsvindt na een mondelinge behandeling waarin partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun stellingen toe te lichten en die voorafgaat aan de eerstvolgende uitspraak, dient van de verwijzing mededeling aan partijen te worden gedaan. Aan partijen dient gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat een mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Voor het doen van dit verzoek kan een termijn worden gesteld.”

En in geval van afwijzing van het verzoek om een nieuwe mondelinge behandeling na verwijzing naar de meervoudige kamer zal dat weer gemotiveerd moeten geschieden. De Hoge Raad is lekker bezig, dus voegt in r.o. 3.7 nog twee opmerkingen toe, over het proces-verbaal, en wijst er op dat de bepalingen over de alleen zittende rechter niet gelden voor bewijsverrichtingen. Daarvoor voorziet art. 155 Rv. dat de rechter die deze zittingen bijwoonde zoveel mogelijk bij de beslissing betrokken moet worden:

“(i) Van een mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten en die plaatsvindt in een meervoudig te beslissen zaak ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris, dient een proces-verbaal te worden opgemaakt. Dat proces-verbaal dient voorafgaand aan de uitspraak te worden gezonden aan partijen en ter beschikking te worden gesteld van de meervoudige kamer. Anders is onvoldoende gewaarborgd dat hetgeen ter zitting is voorgevallen bij de totstandkoming van de uitspraak door de meervoudige kamer wordt meegewogen (vgl. rov. 3.4.4 van het arrest van 31 oktober 2014).

(ii) Hetgeen in deze uitspraak is geoordeeld, laat onverlet dat bewijsverrichtingen die plaatsvinden ingevolge de art. 149-207 Rv (bijvoorbeeld een (voorlopig) getuigenverhoor of een (voorlopige) plaatsopneming) in een meervoudig te beslissen zaak kunnen plaatsvinden ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris zonder dat behoeft te zijn voldaan aan hetgeen hiervoor is vermeld. Voor dergelijke bewijsverrichtingen bepaalt art. 155 Rv (in hoger beroep in verbinding met de schakelbepalingen voor de dagvaardings- en verzoekschriftprocedure) dat de rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs is bijgebracht, zoveel als mogelijk meewerkt aan het wijzen van de einduitspraak.”

Zie over de regels van bewijsvoering in procedures ook de wettelijke regeling van het bewijsrecht (pagina Bewijs).

Vonnis

Tot slot wijst de rechter het vonnis. Zie ook de pagina Vonnis.

Rechtspraak

Recht op mondelinge behandeling

HR 31 oktober 2014 (mr. Van Dun c.s./Staat) – het vonnis moet worden gewezen door dezelfde rechter(s) voor wie de mondelinge behandeling (of pleidooi) heeft plaatsgevonden. Wanneer de samenstelling van het gerecht wijzigt nadat deze heeft plaatsgevonden, moet partijen de gelegenheid worden geboden om te verzoeken een nadere mondelinge behandeling opdat aan deze regel wordt voldaan. Wijst het gerecht dit verzoek af, dan dient dit deugdelijk te worden gemotiveerd.

HR 15 april 2016 (mr. Muetstege/Gem. Amsterdam)– de Hoge Raad preciseert hier hoe moet worden omgegaan met de situatie dat een rechter, die de mondelinge behandeling heeft bijgewoond, defungeert voor het wijzen van vonnis (waardoor een andere rechter, die niet bij de mondelinge behandeling aanwezig was, meebeslist). Zie boven.

HR 22 december 2017 (werkneemster/stichting Maatschappelijke ondersteuning) – hier doet zich het probleem voor, dat de mondelinge behandeling plaatsvond voor de enkelvoudige kamer (of een rechter-commissaris), terwijl de beslissing wordt gegeven door de meervoudige kamer (overigens betrof dit een verzoekschriftprocedure). Ook dan dreigen fundamentele procesregels te worden geschonden, tenzij partijen de gelegenheid krijgen vast te houden aan mondelinge behandeling door de meervoudige kamer, of wanneer de mondelinge behandeling niet strekt om de standpunten van partijen toe te lichten.

HR 22 juni 2018 (uitvinder kassystemen/Holland Scherming B.V.) het gerecht (i.c. het Hof) moet partijen in de gelegenheid stellen om bezwaar te maken tegen behandeling door de enkelvoudige kamer terwijl de meervoudige kamer de beslissing zal nemen. Dit mede gezien het feit, dat de door het Hof gelaste comparitie mede is benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten.

Auteur & Last edit

[MdV, 31-01-2018; 09-04-2019]

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.