Gevolgen van het faillissement (Afd. 2, Titel I Fw.)

Inleiding gevolgen van de faillietverklaring

Het faillissement is juridisch bezien een algeheel verhaalsbeslag op het vermogen van de gefailleerde. Het verschil met een verhaalsbeslag van een individuele schuldeiser is, dat het faillissement strekt ten behoeve van alle crediteuren. Bovendien wordt bij faillissement door de rechtbank één onafhankelijke vereffenaar aangewezen,  die de vereffening onder toezicht van een rechter-commissaris moet afwikkelen: de curator.

Het faillissement kent volgens de wet net als een gewoon beslag twee fasen: de conservatoire en de executoriale. Theoretisch zouden de vorderingen van de crediteuren eerst door middel van de verificatievergadering moeten worden vastgesteld, de liquidatie van het vermogen zou dan daarna plaatsvinden. In de praktijk werkt dit omgekeerd en zal de curator na inventarisatie van de boedel eerst overgaan  tot liquidatie (vereffening) door verkoop en uitoefening van de rechten met betrekking tot activa (bvb. debiteuren innen). Dat is logisch omdat het weinig zin heeft veel tijd te steken in verificatie als er uiteindelijk niets te verdelen is. Bovendien heeft de verificatieprocedure alleen betrekking op de concurrente crediteuren. als gevolg van pandrecht en de voorrang van de preferente crediteuren komt het echter zelden tot een uitkering aan de concurrente crediteuren. Zie nader: de taak van de curator.

De gevolgen van de faillietverklaring worden behandeld in Titel I, Afd. 2 van de Faillissementswet.

Het faillissement omvat het gehele vermogen

Het faillissementsbeslag rust op het gehele vermogen van de failliet, maar komt daarnaast ook te rusten op hetgeen de failliet tijdens het faillissement verkrijgt (art. 20 Fw.).

Krijgt de failliet tijdens het faillissement een erfenis (die overigens beneficiair aanvaard moet worden (art. 41 Fw.), wint hij de loterij of verwerft hij inkomsten, dan valt dit in het faillissement. Art. 21 Fw. somt een aantal vermogensbestanddelen op die niet in de boedel vallen, waarvan de meest voorkomende is tijdens het faillissement verkregen inkomsten (aanhef en onder 2e). De failliet mag daar een deel van behouden; welk deel wordt bepaald door de rechter-commissaris (de R-C). De curator maakt aan de hand van de informatie van de failliet over diens inkomsten een VTLB-berekening en legt de berekening te vaststelling van het aan de failliet te laten bedrag aan de R-C voor. Globaal is dit 90% van de bijstandsnorm. Verder vallen ook de rechten (afkoop, wijzigen begunstiging of belenen) uit een levensverzekeringspolis niet in de boedel, voor zover dit onredelijk bezwarend zou zijn voor failliet (art. 22a Fw.).

Failliet niet langer beschikkingsbevoegd

Terugwerkend tot 00:00 uur van de dag van de faillietverklaring verliest de failliet de beschikkingsbevoegdheid over zijn vermogen (art. 23 Fw.). Deze bepaling heeft mede vanwege girale betalingen enige jurisprudentie met zich meegebracht. Rechtshandelingen van de failliet na de faillietverklaring kunnen het vermogen van de failliet niet meer binden (art. 24 Fw.). Dit tenzij de boedel daardoor is gebaat.

Alle beslagen vervallen en alle executies worden gestaakt

Een logisch gevolg van het feit, dat het faillissementsbeslag het gehele vermogen omvat is art. 33 Fw.: alle beslagen vervallen en individuele tenuitvoerlegging en executies dienen te worden gestaakt. Als er al een dag voor verkoop bepaald is, kan de curator besluiten de verkoop over te nemen (art. 34 Fw.).

Fixatiebeginsel

Het faillissement “fixeert” oftewel bevriest de toestand van de boedel op het tijdstip van faillietverklaring. De rechtspositie van de failliet in vermogensrechtelijke betrekkingen kan geen verandering meer ondergaan. Dit is een centraal principe binnen het faillissementsrecht.

Art. 35 Fw. bepaalt daarom, dat wanneer nog niet alle leveringshandelingen door de failliet zijn verricht, de levering niet wordt geëffectueerd. Ook art. 35a en 35b Fw. vormen een uitwerking van die fixatie. Ook in de jurisprudentie van de Hoge Raad over pandrechten (met name op vorderingen) is het fixatiebeginsel verder uitgewerkt. Zie de arresten Mulder q.q./Credit Lyonnais Bank, HR 17 februari 1995, NJ 1996 471 en ING/Verdonk q.q., HR 22 juni 2007, NJ 2007, 520.

Separatisten

Een belangrijke bepaling is art. 57 Fw. waarin wordt bepaald dat pandhouders en hypotheekhouders hun rechten kunnen uitoefenen alsof er geen faillissement was. Zij kunnen de tot zekerheid verbonden goederen buiten de boedel om te gelde maken. Dat is logisch, omdat zij een “zakelijk recht” met betrekking tot die goederen hebben, dat zij kunnen uitoefenen jegens eenieder net als een eigenaar zijn eigendomsrecht. Resteert er daarna nog een vordering, dan kunnen zij die ter verificatie bij de curator indienen.

Er zitten voor de separatist – meestal een bankinstelling of andere financier – een paar haken en ogen aan de regeling. De Belastingdienst heeft op grond van art. 21 Invorderingswet een hoger gerangschikt voorrecht op de “bodemzaken”: dat zijn alle goederen die dienen tot inrichting en stoffering van de bedrijfsruimte van de failliet. Daarop kan de Ontvanger de onbetaalde loonbelasting en omzetbelasting met voorrang verhalen. Art. 57 lid 3 Fw. bepaalt dat de curator de opbrengst van die goederen mag opeisen ten behoeve van de Ontvanger.

Verder kan de curator op grond van art. 58 Fw. aan de separatist een termijn stellen, waarbinnen deze de executie van de verbonden zaken ter hand moet nemen en moet voltooien. Doet deze dat niet tijdig, dan vallen de verbonden zaken in de boedel en kan de curator deze verkopen. Zie nader de pagina Separatisten.

Retentor en faillissement

In art. 60 Fw. is de positie van de retentor geregeld. Deze kan weigeren de onder hem berustende goederen af te geven, tenzij hij wordt betaald. Deze bevoegdheid is echter minder sterk dan het lijkt, want de curator kan het goed opeisen en verkopen, met inachtneming van de rechten van de retentor. Omdat de vordering voor de executiekosten van de boedel (het salaris van de curator) echter hoger in rang is dan die van het retentierecht, valt de opbrengst zodoende alsnog in de boedel.

Huwelijksgoederengemeenschap

Het faillissement van een natuurlijk persoon heeft tot gevolg dat ook de huwelijksgoederengemeenschap tot de boedel komt te behoren. (art. 63 Fw.) De curator is dus ook bevoegd die te vereffenen.

Zie verder de subpagina´s:

procedures tegen de gefailleerde (art. 25 e.v. Fw.)

lopende overeenkomsten (art. 37 e.v. Fw)

faillissementspauliana (art. 43 e.v. Fw.)

verrekening in faillissement (art. 53 en 54 Fw.)

separatisten (art. 57 en 58 Fw.)

[MdV, 7-12-2015; links naar wetsartikelen bijgewerkt 5-04-2018]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.