Pagina inhoud

    HR 16 juli 2021 (hennepkwekerij/assurantietussenpersoon)

    Het betrof hier een claim van een verzekerde (de eigenaren van een loods), die was afgebrand. De verzekerden hielden de tussenpersoon aansprakelijk, omdat de verzekering geen dekking bood. In het pand bleek zich een hennepkwekerij te bevinden, en uiteindelijk bleek dat eisers die zelf hadden opgezet. Aanvankelijk hadden zij dit verzwegen, maar tijdens de procedure bij de rechtbank kwam de aap uit de mouw, en probeerden zij de zaak te redden door het boetekleed aan te trekken. Ook in hoger beroep faalde de poging om de opzettelijke verzwijging van voor de verwerende partij essentiële informatie te herstellen. De herkansingsfunctie van het hoger beroep is hier niet voor bedoeld.

    Herstelfunctie van hoger beroep is niet bedoeld om schending waarheidsplicht te repareren

    De Hoge Raad citeert de kernoverwegingen van het Hof:

    “3.6. Met grief 1 betogen eisers dat de rechtbank ten onrechte is teruggekomen op de eerdere eindbeslissingen. (…) Deze grief faalt. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de informatie die na de eerdere tussenvonnissen door verweerder in het geding is gebracht omtrent de handelwijze van eiser 1 (het zelf oprichten van de hennepkwekerij en het zelf illegaal aftappen van stroom) van belang is voor de beoordeling van het geschil. Eisers hebben dit zowel aan verweerder – die zijn verweer daarop mede had kunnen afstemmen – als aan Rialto – die bij de beantwoording van de vraag of het risico voor haar verzekerbaar was daarmee rekening had kunnen houden – als aan de rechtbank onthouden.

    Er is geen enkel aanknopingspunt om te kunnen veronderstellen dat eiser 1, zonder dat verweerder met behulp van informatie uit de strafrechtelijke procedure met de betreffende feiten bekend is geworden, op enig moment zelf uit eigen vrije wil openheid van zaken heeft willen geven. Dat eiser 1 stelt dat achteraf wel te hebben gewild, lijkt met name voort te vloeien uit het feit dat hij daarmee nog een kans heeft om de geleden schade vergoed te krijgen (in dit geval van verweerder).

    Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een (ernstige) schending door eisers van artikel 21 Rv.. Het aan de grief ten grondslag liggende uitgangspunt, inhoudende dat het in de loop van een gerechtelijke procedure bekend raken van de omstandigheid dat een van de procespartijen haar waarheidsplicht heeft verzaakt als zodanig geen grond kan opleveren om terug te komen op eerder genomen bindende eindbeslissingen, vindt geen steun in het recht. Artikel 21 Rv. bepaalt immers dat de rechter aan schending ervan de gevolgtrekking kan verbinden die hij geraden acht. Niet valt in te zien waarom het terugkomen op bindende eindbeslissingen daaronder niet valt te begrijpen.

    3.7. Volgens grief 2 heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat eisers de op hen rustende waarheidsplicht hebben geschonden en daaraan ten onrechte het gevolg verbonden dat hun vorderingen dienen te worden afgewezen. Tevens stellen [eisers] in dit verband dat de herkansingsfunctie van het hoger beroep hun de mogelijkheid biedt hun eerdere verzuim (schending van artikel 21 Rv.) te herstellen. Ook deze grief faalt. Zoals bij de bespreking van grief 1 al uiteen is gezet, is ook het hof van oordeel dat eisers niet hebben voldaan aan de op hen uit hoofde van artikel 21 Rv. rustende waarheidsplicht en volledigheidsplicht. De rechtbank heeft daaraan het gevolg kunnen verbinden dat hun vorderingen dienen te worden afgewezen en het hof ziet geen aanleiding aan de vastgestelde schending een ander gevolg te verbinden dan de rechtbank heeft gedaan. Ook het hof meent dat er sprake is van een ernstige schending van de waarheidsplicht, omdat het feiten betreft die van wezenlijk belang zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van de aanspraken van eisers en het achterhouden daarvan niet past bij een deugdelijke en integere procesvoering.

    De omstandigheid dat eisers – zoals zij stellen – inmiddels tot inkeer zouden zijn gekomen en door dit gevolg zwaar worden getroffen, maakt dit niet anders. Het argument dat het hoger beroep herstel van een dergelijk verzuim mogelijk zou maken, wordt door het hof evenmin onderschreven. Zoals het hof reeds oordeelde in een arrest van 13 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:85, is artikel 21 Rv. ingevoerd als uitvloeisel van een al langer bestaande ontwikkeling waarin van procespartijen wordt verlangd dat zij zich (in elk stadium van de procedure) onthouden van onwaarheid en onvolledigheid.

    De herstelfunctie van het hoger beroep gaat daarbij niet zover dat een partij, die in eerste aanleg weloverwogen en doelbewust relevante informatie achterhoudt om ten koste van haar wederpartij een schadevergoeding toegewezen te krijgen, de gelegenheid zou moeten krijgen om na ontdekking daarvan haar vorderingen ter zake aan te passen. Een andersluidend oordeel zou er ook toe leiden dat partijen in feite risicoloos, zonder enige belemmering of sanctie, (voor de beoordeling van het geschil relevante) onwaarheden zouden kunnen debiteren en ook ongestraft de rechter op het verkeerde been zouden mogen zetten.

    Deze uitspraak wordt besproken op de pagina Algemene beginselen procedures.

    [MdV, 5-05-2023]

    Uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1144

    Hoge Raad

    16-07-2021

    Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

    Pagina inhoud

      HR 16 juli 2021 (hennepkwekerij/assurantietussenpersoon)

      Het betrof hier een claim van een verzekerde (de eigenaren van een loods), die was afgebrand. De verzekerden hielden de tussenpersoon aansprakelijk, omdat de verzekering geen dekking bood. In het pand bleek zich een hennepkwekerij te bevinden, en uiteindelijk bleek dat eisers die zelf hadden opgezet. Aanvankelijk hadden zij dit verzwegen, maar tijdens de procedure bij de rechtbank kwam de aap uit de mouw, en probeerden zij de zaak te redden door het boetekleed aan te trekken. Ook in hoger beroep faalde de poging om de opzettelijke verzwijging van voor de verwerende partij essentiële informatie te herstellen. De herkansingsfunctie van het hoger beroep is hier niet voor bedoeld.

      Herstelfunctie van hoger beroep is niet bedoeld om schending waarheidsplicht te repareren

      De Hoge Raad citeert de kernoverwegingen van het Hof:

      “3.6. Met grief 1 betogen eisers dat de rechtbank ten onrechte is teruggekomen op de eerdere eindbeslissingen. (…) Deze grief faalt. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de informatie die na de eerdere tussenvonnissen door verweerder in het geding is gebracht omtrent de handelwijze van eiser 1 (het zelf oprichten van de hennepkwekerij en het zelf illegaal aftappen van stroom) van belang is voor de beoordeling van het geschil. Eisers hebben dit zowel aan verweerder – die zijn verweer daarop mede had kunnen afstemmen – als aan Rialto – die bij de beantwoording van de vraag of het risico voor haar verzekerbaar was daarmee rekening had kunnen houden – als aan de rechtbank onthouden.

      Er is geen enkel aanknopingspunt om te kunnen veronderstellen dat eiser 1, zonder dat verweerder met behulp van informatie uit de strafrechtelijke procedure met de betreffende feiten bekend is geworden, op enig moment zelf uit eigen vrije wil openheid van zaken heeft willen geven. Dat eiser 1 stelt dat achteraf wel te hebben gewild, lijkt met name voort te vloeien uit het feit dat hij daarmee nog een kans heeft om de geleden schade vergoed te krijgen (in dit geval van verweerder).

      Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een (ernstige) schending door eisers van artikel 21 Rv.. Het aan de grief ten grondslag liggende uitgangspunt, inhoudende dat het in de loop van een gerechtelijke procedure bekend raken van de omstandigheid dat een van de procespartijen haar waarheidsplicht heeft verzaakt als zodanig geen grond kan opleveren om terug te komen op eerder genomen bindende eindbeslissingen, vindt geen steun in het recht. Artikel 21 Rv. bepaalt immers dat de rechter aan schending ervan de gevolgtrekking kan verbinden die hij geraden acht. Niet valt in te zien waarom het terugkomen op bindende eindbeslissingen daaronder niet valt te begrijpen.

      3.7. Volgens grief 2 heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat eisers de op hen rustende waarheidsplicht hebben geschonden en daaraan ten onrechte het gevolg verbonden dat hun vorderingen dienen te worden afgewezen. Tevens stellen [eisers] in dit verband dat de herkansingsfunctie van het hoger beroep hun de mogelijkheid biedt hun eerdere verzuim (schending van artikel 21 Rv.) te herstellen. Ook deze grief faalt. Zoals bij de bespreking van grief 1 al uiteen is gezet, is ook het hof van oordeel dat eisers niet hebben voldaan aan de op hen uit hoofde van artikel 21 Rv. rustende waarheidsplicht en volledigheidsplicht. De rechtbank heeft daaraan het gevolg kunnen verbinden dat hun vorderingen dienen te worden afgewezen en het hof ziet geen aanleiding aan de vastgestelde schending een ander gevolg te verbinden dan de rechtbank heeft gedaan. Ook het hof meent dat er sprake is van een ernstige schending van de waarheidsplicht, omdat het feiten betreft die van wezenlijk belang zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van de aanspraken van eisers en het achterhouden daarvan niet past bij een deugdelijke en integere procesvoering.

      De omstandigheid dat eisers – zoals zij stellen – inmiddels tot inkeer zouden zijn gekomen en door dit gevolg zwaar worden getroffen, maakt dit niet anders. Het argument dat het hoger beroep herstel van een dergelijk verzuim mogelijk zou maken, wordt door het hof evenmin onderschreven. Zoals het hof reeds oordeelde in een arrest van 13 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:85, is artikel 21 Rv. ingevoerd als uitvloeisel van een al langer bestaande ontwikkeling waarin van procespartijen wordt verlangd dat zij zich (in elk stadium van de procedure) onthouden van onwaarheid en onvolledigheid.

      De herstelfunctie van het hoger beroep gaat daarbij niet zover dat een partij, die in eerste aanleg weloverwogen en doelbewust relevante informatie achterhoudt om ten koste van haar wederpartij een schadevergoeding toegewezen te krijgen, de gelegenheid zou moeten krijgen om na ontdekking daarvan haar vorderingen ter zake aan te passen. Een andersluidend oordeel zou er ook toe leiden dat partijen in feite risicoloos, zonder enige belemmering of sanctie, (voor de beoordeling van het geschil relevante) onwaarheden zouden kunnen debiteren en ook ongestraft de rechter op het verkeerde been zouden mogen zetten.

      Deze uitspraak wordt besproken op de pagina Algemene beginselen procedures.

      [MdV, 5-05-2023]

      Uitspraak

      ECLI:NL:HR:2021:1144

      Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

      Zoeken binnen de kennisbank

      Lawyrup, jouw gratis kennisbank over burgerlijk (proces)recht!