Pagina inhoud

    HR 25 maart 2022 (gewone verblijfplaats kind uit VS)

    In het arrest HR 25 maart 2022 (gewone verblijfplaats kind uit VS) gaat de Hoge Raad in op de criteria voor de vaststelling van de ‘gewone verblijfplaats’ van het kind. De Raad voor de Kinderbescherming had de rechtbank verzocht om het gezag van de vader en de stiefmoeder – die in de VS wonen – over de minderjarige – die met hun instemming bij een oom en tante (pleegouders) in Nederland was gaan wonen – te beëindigen. Het kind was op verzoek van de RvdK uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld.

    Rechtsmacht Nederlandse rechter inzake kind verhuisd vanuit US

    De vraag rijst, of de Nederlandse rechter bevoegd is over deze zaak te oordelen. De rechtbank meende van wel, het Hof niet. De Hoge Raad casseert de beslissing van het Hof, die tot niet-ontvankelijkheid had geconcludeerd.

    De Raad verwijst naar een aantal uitspraken van het HvJ EU over de uitleg van dit begrip:

    “Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU houdt deze maatstaf in – kort gezegd – dat de gewone verblijfplaats van een kind een zekere integratie van dat kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van een lidstaat moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is. De gewone verblijfplaats van een kind komt overeen met de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt en moet worden bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak. Voorts heeft het HvJEU overwogen dat Verordening Brussel II-bis in dit verband uitgaat van de opvatting dat het belang van het kind moet primeren <voorrang krijgen, MdV>.

    De Hoge Raad verwijst naar: zie onder meer HvJEU 28 juni 2018, zaak C-512/17, ECLI:EU:C:2018:513, punten 41-42 en HvJEU 12 november 2014, zaak C-656/13, ECLI:EU:C:2014:2364, punt 48. Het Hof had deze uitgangspunten niet juist toegepast, althans zijn beslissing – leidend tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek – niet voldoende gemotiveerd.

    Gebruikelijke woonplaats kind in procedure over ouderlijk gezag

    De Hoge Raad doet het vraagstuk van de bevoegdheid zelf af:

    “Vast staat dat de minderjarige ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift door de raad al bijna een jaar onafgebroken in Nederland bij haar pleegouders (oom en tante) verbleef en daar naar school is gegaan. Voorts heeft het hof (in rov. 5.9) – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de minderjarige mede de Nederlandse nationaliteit bezit, de Nederlandse taal spreekt, in het verleden vaker periodes (bij familie) in Nederland heeft verbleven en ook tijdelijk naar een basisschool in Nederland is gegaan. Ten slotte vermeldt het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof dat de minderjarige in een gesprek met de voorzitter van het hof te kennen heeft gegeven dat zij zich thuis voelt en rust ervaart bij de pleegouders en dat zij in Nederland wil blijven wonen. Dit geheel van feitelijke omstandigheden laat geen andere conclusie toe dan dat sprake is van een zekere integratie van de minderjarige in een sociale en familiale omgeving in Nederland, en daarmee dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in de zin van art. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift door de raad in Nederland was gelegen.”

    Zie over de woonplaats van de minderjarige in internationale zaken ook de pagina Verordening huwelijkszaken, ouderlijk gezag en kinderontvoering (Brussel II-ter).

    Auteur & Last edit

    [MdV, 29-03-2022]

    Uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:440

    Hoge Raad

    25-03-2022

    Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

    Pagina inhoud

      HR 25 maart 2022 (gewone verblijfplaats kind uit VS)

      In het arrest HR 25 maart 2022 (gewone verblijfplaats kind uit VS) gaat de Hoge Raad in op de criteria voor de vaststelling van de ‘gewone verblijfplaats’ van het kind. De Raad voor de Kinderbescherming had de rechtbank verzocht om het gezag van de vader en de stiefmoeder – die in de VS wonen – over de minderjarige – die met hun instemming bij een oom en tante (pleegouders) in Nederland was gaan wonen – te beëindigen. Het kind was op verzoek van de RvdK uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld.

      Rechtsmacht Nederlandse rechter inzake kind verhuisd vanuit US

      De vraag rijst, of de Nederlandse rechter bevoegd is over deze zaak te oordelen. De rechtbank meende van wel, het Hof niet. De Hoge Raad casseert de beslissing van het Hof, die tot niet-ontvankelijkheid had geconcludeerd.

      De Raad verwijst naar een aantal uitspraken van het HvJ EU over de uitleg van dit begrip:

      “Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU houdt deze maatstaf in – kort gezegd – dat de gewone verblijfplaats van een kind een zekere integratie van dat kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van een lidstaat moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is. De gewone verblijfplaats van een kind komt overeen met de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt en moet worden bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak. Voorts heeft het HvJEU overwogen dat Verordening Brussel II-bis in dit verband uitgaat van de opvatting dat het belang van het kind moet primeren <voorrang krijgen, MdV>.

      De Hoge Raad verwijst naar: zie onder meer HvJEU 28 juni 2018, zaak C-512/17, ECLI:EU:C:2018:513, punten 41-42 en HvJEU 12 november 2014, zaak C-656/13, ECLI:EU:C:2014:2364, punt 48. Het Hof had deze uitgangspunten niet juist toegepast, althans zijn beslissing – leidend tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek – niet voldoende gemotiveerd.

      Gebruikelijke woonplaats kind in procedure over ouderlijk gezag

      De Hoge Raad doet het vraagstuk van de bevoegdheid zelf af:

      “Vast staat dat de minderjarige ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift door de raad al bijna een jaar onafgebroken in Nederland bij haar pleegouders (oom en tante) verbleef en daar naar school is gegaan. Voorts heeft het hof (in rov. 5.9) – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de minderjarige mede de Nederlandse nationaliteit bezit, de Nederlandse taal spreekt, in het verleden vaker periodes (bij familie) in Nederland heeft verbleven en ook tijdelijk naar een basisschool in Nederland is gegaan. Ten slotte vermeldt het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof dat de minderjarige in een gesprek met de voorzitter van het hof te kennen heeft gegeven dat zij zich thuis voelt en rust ervaart bij de pleegouders en dat zij in Nederland wil blijven wonen. Dit geheel van feitelijke omstandigheden laat geen andere conclusie toe dan dat sprake is van een zekere integratie van de minderjarige in een sociale en familiale omgeving in Nederland, en daarmee dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in de zin van art. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift door de raad in Nederland was gelegen.”

      Zie over de woonplaats van de minderjarige in internationale zaken ook de pagina Verordening huwelijkszaken, ouderlijk gezag en kinderontvoering (Brussel II-ter).

      Auteur & Last edit

      [MdV, 29-03-2022]

      Uitspraak

      ECLI:NL:HR:2022:440

      Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

      Zoeken binnen de kennisbank

      Lawyrup, jouw gratis kennisbank over burgerlijk (proces)recht!