Bezit en houderschap (Titel 5, boek 3 B.W.)

Inleiding bezit en houderschap

In Titel 5 van Boek 3 B.W. worden de begrippen houderschap en bezit uitgewerkt. Gezien de plaats van de regeling (in Boek 3 en niet in Boek 5, dat alleen gaat over zaken) moet men zich realiseren dat het hier niet alleen gaat om zaken, maar om alle vermogensrechten, bij voorbeeld ook vorderingsrechten. De begrippen komen wel het meest tot leven bij roerende goederen, omdat die evidenter voor feitelijke beheersing vatbaar zijn.

Bezit

Art. 3:107 lid 1 B.W. definieert “bezit” als “het houden van een goed voor zichzelf“. Bij de feitelijke situatie van het uitoefenen van de feitelijke macht (het houden) komt dus een intentie van de houder: de wil om het goed voor zichzelf te houden. Als het gaat om bezit van goederen, niet zijnde zaken (stoffelijke objecten) betekent “machtsuitoefening” de uitoefening van de rechten aan het bezit daarvan verbonden. Bij een geldvordering bij voorbeeld: het innen van de rente en het opeisen van de hoofdsom. Ook dat is te verstaan als “houden voor zichzelf”.

Het houden voor zichzelf wil niet per se zeggen als eigenaar. De bezitsuitoefening kan ook zien op daarvan afgeleide (beperkte) rechten. Vandaar dat de wet spreekt van “rechthebbende”. Bovendien kan de bezitter die een goed voor zichzelf houdt ook niet de rechthebbende zijn: hij kan het gestolen hebben of hij kan menen rechthebbende te zijn, terwijl er aan de verkrijging een gebrek kleeft. Bij voorbeeld omdat hij heeft verkregen van een onbevoegde.

Bezit en houderschap zijn vooral feitelijke begrippen, die de relatie van een persoon tot een goed of ander vermogensrecht uitdrukken. Aan bezit zijn echter ook rechtsmiddelen (“acties”) verbonden, op basis waarvan de bezitter diens bezit zo nodig in rechte kan beschermen. Bezit is daarom een hybride begrip, dat zowel feitelijke als juridische elementen bevat.

Houderschap

Houderschap is de feitelijke situatie van het uitoefenen van de macht over een goed, los van de vraag op grond waarvan de houder het goed houdt. In het spraakgebruik is “in zijn bezit hebben” hetzelfde als houderschap, maar juridisch is houderschap alleen de feitelijke machtsuitoefening over een goed. Pas wanneer degeen die de feitelijke macht over het goed uitoefent ook de intentie heeft dit voor zichzelf te houden, is het ook in juridisch opzicht “bezit”.

Als iemand een goed houdt, veronderstelt de wet dat hij dit voor zichzelf doet (art. 3:109 B.W.). Er is dan sprake van “onmiddellijk bezit”. Houderschap en bezit overlappen elkaar dan. Het kan echter ook zijn, dat iemand anders een goed houdt voor de bezitter. In dat geval spreken we van “middellijk bezit” (art. 3:107 lid 3 B.W.). De houder heeft dan de feitelijke macht, maar heeft niet de intentie die voor zichzelf uit te oefenen. Hij erkent het recht op het goed van de bezitter. Dit doet zich bij voorbeeld voor bij bruikleen, huur, bewaargeving en allerlei andere verbintenisrechtelijke rechtsverhoudingen. Of iemand uitsluitend houder is, of ook bezitter, moet worden bepaald aan de hand van de uiterlijke feiten en “de verkeersopvatting” (art. 3:108 B.W.). Als iemand rijdt in een leenauto van een reparatiebedrijf, dan doet het opschrift vermoeden dat hij houder is – tenzij hij de eigenaar van dat bedrijf is.

Verkrijging van bezit

Bezitsverkrijging kan op drie manieren ontstaan: door inbezitneming, door overdracht of onder algemene titel (art. 3:112 B.W.). Het in bezit nemen van een goed gebeurt door zich de feitelijke macht daarover te verschaffen (art. 3:113 B.W.).

De overdracht van het bezit gebeurt door de verkrijger in staat te stellen dezelfde macht over het goed uit te oefenen als de vervreemder daarover uitoefende (art. 3:114 B.W.). Dat kan dus ook zijn langs indirecte weg, bij voorbeeld door de sleutels van de stal waarin het vee staat dat wordt overgedragen, of doordat de houder in kennis wordt gesteld van de overdracht. De houder gaat dan voor de nieuwe bezitter houden. Ook kan de vervreemder houder voor de verkrijger worden, of als de verkrijger houder was voor de vervreemder, dan wordt hij houder voor zichzelf (art. 3:115 B.W.). In het Romeinse recht heten deze rechtsfiguren overdracht door middel van “constitutum possessorium” (vervreemder die onmiddellijk bezit heeft, wordt houder voor de verkrijger), door “traditio brevi manu” (de verkrijger is al houder) en door “traditio longa manu” (derde-houder wordt houder voor de verkrijger) geheten.

Bezit te goeder trouw

In art. 3:119 B.W. is een bewijsvermoeden opgenomen: de bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende daarvan te zijn. Zo lang dus de houder van een goed niet te kennen geeft niet voor zichzelf te houden, of dit ergens anders uit blijkt, wordt aangenomen dat de bezitter ook de eigenaar (rechthebbende) van het goed is.

De bezitter van een goed wordt bovendien verondersteld bezitter te goeder trouw te zijn, mits hij zich als rechthebbende beschouwt en ook “redelijkerwijze” mocht menen de rechthebbende te zijn (art. 3:118 B.W.).

[MdV, 21-08-2016]

[Totaal: 1    Gemiddelde: 4/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.