Executie van pandrecht (art. 3:248 e.v. B.W.)

Inleiding executie van pandrecht

Een pandrecht is een zakelijk recht dat rust op een roerende zaak of een ander vermogensrecht (zoals een vordering), en strekt als zekerheid voor de nakoming van een betalingsverplichting van degeen die het pandrecht verleent (de pandgever). De vestiging van pandrechten is geregeld in art. 3:236 en 3:237 B.W..

De bedoeling van het pandrecht is om het verpande goed te kunnen verkopen wanneer de pandgever (tevens schuldenaar) in verzuim mocht raken in de nakoming van de hoofdverplichting. Meestal de betaling van een geldsom.

Wanneer de pandgever in verzuim raakt, verkrijgt de pandhouder (de crediteur van de hoofdverplichting) de bevoegdheid het verpande goed uit te winnen. Dit moet plaatsvinden volgens de regels van executie, wat meestal inhoudt openbare verkoop (veiling).

Voorwaarden voor, en wijze van executie

De voorwaarde voor het ontstaan van de bevoegdheid om tot executie over te gaan is opgenomen in art. 3:248 B.W.: de schuldenaar moet in verzuim zijn (lid 1). In de pandakte kan worden overeengekomen, dat verkoop pas plaats mag vinden nadat de rechter heeft vastgesteld dat de schuldenaar/pandgever in verzuim is (lid 2), maar dit is niet de hoofdregel. Zonder die bepaling heeft de pandhouder het recht van parate executie: de pandhouder kan direct overgaan tot verkoop c.q. uitwinning (als het een vordering op een derde betreft die verpand is).

Stil pandrecht

Het pandrecht kan ook worden gevestigd zonder dat de roerende zaak aan de pandnemer wordt overhandigd. Wanneer de zaak wel in diens bezit is, noemt men dat een “vuistpand”. Is de zaak niet in zijn bezit, dan noemt men dat een “stil pandrecht”, omdat het immers niet voor de buitenwereld (voor derden) zichtbaar is dat de zaak verpand is. Om tot executie over te gaan, zal de pandhouder de zaak moeten opeisen op de voet van art. 3:237 lid 3 B.W..

Wanneer het pandrecht niet gevestigd is door middel van een notariële akte, maar met een onderhandse (geregistreerde) akte, dan moet voor het in vuistpand nemen van de zaak verlof gevraagd worden op de voet van art. 496 lid 2 Rv.. Dit verzoek kan door de deurwaarder worden ingediend.

Zie ook de pagina executie tot afgifte roerende zaken.

De wijze van executie

De executie van het pandrecht op vordering geschiedt door het innen daarvan. De pandhouder met een stil pandrecht moet – om inningsbevoegd te worden – wel eerst de verpanding aan de debiteuren meedelen (art. 3:246 lid 1 B.W.). De pandhouder heeft niet alle bevoegdheden die de pandgever heeft. Voor schikkingen moet hij de medewerking van de pandgever verkrijgen. Zie het arrest Immune Age/Neo River.

De verkoop van aandelen geschiedt in beginsel door middel van een openbare verkoop (veiling) (art. 3:250 B.W.). De pandhouder mag overigens ook zelf meebieden (lid 3).

Afwijkende wijze van verkoop

De pandhouder kan de Voorzieningenrechter op grond van art. 3:251 lid 1 B.W. verzoeken om een van art. 3:250 lid 1 B.W. afwijkende wijze van verkoop toe te staan. Daarbij valt dan met name te denken aan onderhandse verkoop. Deze bevoegdheid kan bij vestiging van het pandrecht worden uitgesloten (“tenzij anders is bedongen”).

De pandhouder kan echter ook verzoeken om de verpande zaak aan de pandhouder zelf te laten verblijven tegen een door de Voorzieningenrechter vast te stellen waarde (lid 1). In het verzoek moet de pandhouder zelf een indicatie van de waarde geven, met een taxatierapport.

De pandhouder en pandgever kunnen ook samen overeenkomen, dat een andere wijze van executie zal plaatsvinden (lid 2).  Dit kan niet op voorhand in de pandakte worden bedongen: er moet eerst sprake zijn van verzuim, waardoor de pandhouder bevoegd is te executeren. Zie over uitoefening van deze bevoegdheid de arresten ING Bank/Hielkema q.q., HR d.d. 25 februari 2011 en het arrest Quint q.q./ING Bank, HR d.d.  14-02-2014.

Afrekening

Na verkoop moet de pandhouder het restant van de opbrengst – na aftrek van zijn vordering en de executiekosten – afdragen aan de pandgever (art. 3:253 B.W.).

Pandrecht en faillissement

De pandhouder mag tijdens faillissement de verpande zekerheden uitwinnen alsof er geen faillissement is. Zie de pagina Separatisten. Zie ook voor de executie in faillissement: Stil pandrecht bank in faillissement (Mulder q.q./CLBN). De

Zie ook:

pandrecht en hypotheekrecht (Titel 9, Boek 3 B.W.)

algemene bepalingen pandrecht en hypotheekrecht (Afd. 1, Titel 9, Boek 3 B.W.)

pandrecht (Afd. 2, Titel 9, Boek 3 B.W.)

Zie ook de pagina over pandrecht en faillissement.

[MdV, 10-05-2017; bijgewerkt 23-04-2018]

 

 

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.