Rechtsvorderingen (Titel 11, Boek 3 B.W.)

Inleiding rechtsvorderingen

De wetgever heeft als onderdeel van het algemeen deel van het vermogensrecht een principiële en alomvattende regeling van de “rechtsvordering” opgenomen. De Romeinen noemden dit de “actio”. De regeling van de rechtsvordering is opgenomen in Titel 11 van Boek 3 B.W. (art. 3:296 t/m 3:326 B.W.). Een belangrijk onderdeel van de wettelijke regeling met betrekking tot de rechtsvordering is de regeling van de verjaring is hier geregeld.

Wat is de “rechtsvordering”?

De rechtstheorie onderscheidt tussen het “materiële” aspect van een recht (de inhoudelijke kant ervan) en het formele aspect. De rechtsvordering is de aan een recht onlosmakelijk verbonden (zie art. 3:304 B.W.) bevoegdheid om dat recht door middel van de rechter af te dwingen. Het is het formele aspect van een recht. Het is het wapen, dat een recht effectief en afdwingbaar maakt, en daarmee de basis van de rechtsstaat. Zonder rechtsvordering is een materieel recht een tijger zonder tanden.

Het rechtvaardigt het verbod op eigenrichting: degeen die een recht wil afdwingen, moet dit langs de daarvoor geëigende overheidsmacht verwezenlijken: via de rechter, en na verkrijgen van het vonnis, de gerechtsdeurwaarder die het vonnis “executeert”. Dit deel van het vermogensrecht ligt het dichtst aan tegen het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (afgekort als “Rv.”), dat beschrijft op welke wijze een rechtsvordering kan worden ingesteld, de wijze waarop de civiele procedure verloopt en waarop de tenuitvoerlegging plaatsvindt.

Onderwerpen van de regeling inzake de rechtsvordering

Hoewel Titel 11 geen afdelingen kent, kunnen de ruim 30 artikelen wel grofweg worden opgedeeld in onderwerpen.

Bepalingen inzake het karakter van rechtsvorderingen (art. 3:296 t/m 3:304 B.W.)
Schakelbepaling arbitrage (art. 3:305 B.W.)

Hiermee wordt de regeling van de rechtsvordering overeenkomstig van toepassing verklaard op arbitragezaken (waarin “scheidsmannen” beslissen in plaats van de overheidsrechter).

Bepalingen inzake het collectief actierecht (art. 3:305a t/m 3:305d B.W.)

In beginsel kan men alleen opkomen voor eigen rechten. De wetgever heeft met deze regeling de mogelijkheid geschapen, dat stichtingen in het leven worden geroepen, die tot doel hebben namens een grote groep belanghebbenden rechtsvorderingen in te stellen: massaschade claims.

Verjaring en stuiting (art. 3:306 t/m 3:325 B.W.)

De regeling van de verjaring beoogt – in het belang van de rechtszekerheid – “losse eindjes” weg te werken. Als iemand gedurende een reeks van jaren een recht niet uitoefent of afdwingt, waardoor degeen die met dit recht rekening zou moeten houden er niet meer op verdacht is, dat dit recht nog zal worden uitgeoefend, dan verlies de rechthebbende zijn rechtsvordering. Het recht blijft wel bestaan, maar wordt tandeloos: het wordt een zgn. “natuurlijke verbintenis”: een verbintenis zonder rechtsvordering, een niet afdwingbare verbintenis. Wordt die door de ander toch – vrijwillig – nagekomen, dan is die nakoming wel rechtsgeldig. In sommige gevallen kan verjaring echter worden gestuit.

Schakelbepaling (art. 3:326 B.W.)

Deze bepaling breidt de werking van deze Titel uit tot buiten het gehele (vermogens)recht (dus bvb. ook naar het familierecht), voor zover de aard van de andere regeling (“de betrokken rechtsverhouding”) zich daar niet tegen verzet.

Andere relevante pagina’s

Algemene regels formeel vorderingsrecht (art. 3:296 t/m 3:305 B.W.)

Collectief actierecht (art. 305a t/m 305d B.W.)

Verjaring en stuiting (art. 3:306 B.W. t/m art. 3:325 B.W.)

[MdV, 27-10-2016; bijgewerkt 9-04-2018]

[Totaal: 1    Gemiddelde: 5/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.