Kwaliteitsrekening

Inleiding kwaliteitsrekening (of derdengeld rekening)

Algemeen uitgangspunt van het vermogensrecht is, dat het gehele vermogen van een schuldenaar strekt tot verhaal van zijn schuldeisers. Deze bepaling vinden we in art. 3:276 B.W. als algemeen uitgangspunt van het verhaalsrecht.

Dat betekent dat in beginsel ook alle vorderingen, die de schuldenaar heeft op derden, inclusief vorderingen uit hoofde van een bankrekening, in beginsel in zijn vermogen vallen en voor verhaal vatbaar zijn. De zgn. “kwaliteitsrekening” vormt hierop een uitzondering.

Een kwaliteitsrekening is een rekening, die wordt aangehouden ten behoeve van het beheer van gelden, die aan een derde toekomen. Dit doel moet blijken uit de tenaamstelling van de rekening. De bevoegdheid een dergelijke rekening aan te houden heeft te maken met een bijzondere kwaliteit (hoedanigheid of functie), die de persoon die deze rekening aanhoudt heeft. Vandaar de term kwaliteitsrekening. Daarbij valt te denken aan notarissen, deurwaarders, advocaten en accountants.

De gelden op die kwaliteitsrekening – ook niet als deze niet met een afzonderlijke rechtspersoon, zoals een stichting derdengelden – wordt aangehouden, vallen niet in het vermogen van de persoon die deze rekening in zijn hoedanigheid aanhoudt.

Afgescheiden vermogen of gemeenschap?

De kernvraag met betrekking een tegoed op een kwaliteitsrekening is tot wiens vermogen de vordering behoort, en op welke juridische grondslag de afzondering van het vermogen van de rekeninghouder gebaseerd is. Enerzijds zou gezegd kunnen worden, dat de vordering op de bank in een “afgescheiden vermogen” valt. Bij afwikkeling van het vermogen van de rekeninghouder zou dit vermogen alsdan net als bij een VOF afzonderlijk ten behoeve van de crediteuren van dit afgescheiden vermogen moeten worden vereffend. De andere benadering is, dat de vordering op de bank helemaal niet tot het vermogen van de rekeninghouder behoort; de rechthebbenden ten behoeve van wie de gelden op de kwaliteitsrekening worden aangehouden hebben een voorwaardelijk vorderingsrecht op het saldo.

De Hoge Raad heeft in het Slis-Stroom arrest overwogen, dat het op zichzelf mogelijk is dat een notaris een kwaliteitsrekening aanhoudt op zijn eigen naam, maar met de aanduiding dat dit voor een derde is. Wel zal duidelijk moeten zijn, dat de rekening voor dat specifieke doel wordt aangehouden, wil de doorbreking van de hoofdregel van het verhaalsrecht gerechtvaardigd zijn. In het arrest Koren q.q./Tekstra q.q. heeft de Hoge Raad inzake een tegoed op een rekening dat daarop gereserveerd was ten behoeve van twee partijen die een geschil hadden over de vordering beslist, dat een dergelijk saldo niet in de boedel valt, maar afhankelijk van de uitkomst van het geschil inzake de rechtsbetrekking tot de (in casu twee) partijen die hier aanspraak op maakten voorwaardelijk tot hetzij het vermogen van de één of de ander behoort.

De juridische grondslag van de aanspraak van de rechthebbenden is, dat zij gerechtigd zijn tot een gemeenschap. De (voorwaardelijke) vordering op die gemeenschap behoort derhalve tot het vermogen van de rechthebbenden. De rechthebbenden hebben juridisch-technisch bezien aanspraak op toedeling van hetgeen waartoe zij gerechtigd zijn bij de “verdeling” van de gemeenschap.

Wettelijke regeling notarissen en deurwaarders

De wetgever heeft in 1999 voor notarissen en in 2001 voor deurwaarders de mogelijkheid in het leven geroepen om een “generieke kwaliteitsrekening” te openen, die zij in hun kwaliteit kunnen aanhouden voor het beheer van gelden van verschillende derden. Deze kwaliteitsrekeningen worden geregeld in art. 25 Wet op het Notarisambt, die luidt:

“De notaris is verplicht bij een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen een of meer bijzondere rekeningen aan te houden op zijn naam met vermelding van zijn hoedanigheid, die uitsluitend bestemd zijn voor gelden, die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt. Gelden die aan de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd, moeten op die rekening worden gestort”. 

Een vergelijkbare regeling staat voor de deurwaarder in art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet. Zie voor beslag op de executie-opbrengst voor verdeling: hoe gaat tenuitvoerlegging in zijn werk?

Kan iedereen een kwaliteitsrekening aanhouden?

Het standpunt zou verdedigd kunnen worden dat eenieder die gelden voor anderen beheert (bvb. een makelaar die als beheerder bij de verhuur optreedt, een assurantietussenpersoon of een penningmeester van een vereniging) een kwaliteitsrekening zou moeten kunnen aanhouden. De Hoge Raad wil daar niet aan, omdat de afwijking van het hoofdbeginsel van art. 3:276 B.W. een uitzondering moet blijven. De wetgever heeft die ruimte niet willen geven, vindt de Hoge Raad.

In het arrest van de Hoge Raad d.d. 13 juni 2003 was de situatie aan de orde, dat een incassobureau (Procall) de facturatie en incasso verzorgde voor de Coöperatie Vrijgevestigde Geneeskundigen van het Beatrixziekenhuis. Het was de bedoeling een rekening ten name van de Coöperatie te openen, maar toen dit niet mogelijk bleek werd een rekening geopend ten name van Procall met de toevoeging “inzake Coöperatie Beatrix”. Daarop kwamen (uitsluitend) betalingen van de patiënten van het ziekenhuis binnen. Helaas ging Procall failliet. Op de rekening stond een bedrag van NLG 173.000 (deels na faillissement ontvangen). De curator eiste het saldo op voor de boedel van Procall, de Coöperatie eiste dit saldo op als aan haar toekomend. De Hoge Raad bekrachtigde het oordeel van het Hof, dat hier geen sprake was van een kwaliteitsrekening, omdat Procall niet een bijzondere maatschappelijke vertrouwenspositie had, die dit rechtvaardigde, zoals bvb. een notaris wel heeft.

Daarbij baseerde de Hoge Raad zich sterk op de parlementaire geschiedenis inzake de kort daarvoor ingevoerde regeling van art. 25 Wet op het Notarisambt. In die parlementaire geschiedenis werd overwogen, dat het doorbreken van de “paritas creditorum” alleen gerechtvaardigd geacht kan worden, als het publiek er op moet kunnen vertrouwen, dat de kwaliteitsrekeninghouder gelden die hem door derden worden toevertrouwd, afgescheiden houdt van zijn eigen vermogen. Daarbij speelt mee, dat hij dit doet in het kader van de uitoefening van een publieke taak. Voor een notaris geldt dat, voor een incassobureau niet, zo concludeert de Hoge Raad.

De wetgever had weliswaar overwogen, dat een bredere toepassing denkbaar zou zijn, maar dat de vraag dan was waar de scheidslijn getrokken moest worden om deze rechtsfiguur in te passen in het Nederlandse vermogens- en verhaalsrecht. Wij kennen immers de trust niet, en het is zaak de kwaliteitsrekening op een afgewogen manier in te passen in het wettelijk systeem van verhaalsrechten, zakelijke zekerheid en voorrechten. Dit raakt immers ook aan het financieringsverkeer.

De Hoge Raad neemt wel aan, dat naast notarissen en deurwaarders ook accountants en advocaten dergelijke rekeningen kunnen aanhouden. Overigens zijn advocaten verplicht derdengelden te beheren binnen een daartoe afzonderlijk op te richten Stichting Derdengelden, zodat daarvan in ieder geval duidelijk is dat bankrekeningen van die stichting niet tot het vermogen van de advocaat zelf behoren. De faillissementsrekening aangehouden door de curator vormt hierop een uitzondering. Die wordt wel door de curator op eigen naam aangehouden, met de toevoeging “q.q.”.

In het Procall arrest wordt hierover ook nog een beslissing gegeven. De Coöperatie vorderde subsidiair betaling van de na faillissement ontvangen betalingen als boedelschuld op. Die vordering werd door de Hoge Raad ook afgewezen, omdat de curator ook pas gehouden is tot uitbetaling van de boedelschulden, wanneer duidelijk is dat de boedel toereikend is om deze allemaal te voldoen. Zo niet, dan is er sprake van een “negatieve boedel” en ontstaat ook binnen de boedel “concursus” en zal ook aan de boedelcrediteuren met inachtneming van ieders rang worden uitgekeerd.

Beslag onder de notaris op de vordering op de kwaliteitsrekening?

De vraag rijst, of het mogelijk is beslag onder de notaris te leggen terzake van bvb. een (restant) koopsom bij verkoop van een onroerend goed. Art. 25 Wet Notarisambt sluit beslag op de rekening zelf expliciet uit.

Maar kan beslag gelegd worden op de vordering, en moet dit dan gelegd worden onder de notaris (terwijl de vordering niet tot zijn vermogen behoort) of onder de rechthebbende?

De beslagsyllabus gaat wel uit van die mogelijkheid, maar het blijft heikel hoe deze vordering moet worden ingekleed.

Zie hierover Hoge Raad d.d. 15-11-2002, waarbij een beslag onder de notaris in verband met gelden voldaan op de stichting derdengelden geen doel trof. En voorts Hof Amsterdam 7 juni 2007.

Jurisprudentie

Slis-Stroom arrest (HR 3 februari 1984, NJ 1984, 752)

Koren q.q./Tekstra q.q. (HR 12 januari 2001, NJ 2002, 371)

ProCall arrest (HR 13 juni 2003, RvdW 2003, 108

[MdV, 9-01-2016]

 

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.