Revindicatie van gestolen goed (art. 3:86 B.W.)

Inleiding revindicatie gestolen goed

Het eigendomsrecht geeft de eigenaar van een goed het meest omvattende recht met betrekking tot dat goed. In Boek 5 B.W. is dit aldus geformuleerd:

Art. 5:1 lid 1 en 2 BW

  1. Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben.
  2. Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij van de zaak gebruik te maken, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen.

Het eigendomsrecht kan door de eigenaar jegens eenieder geldend gemaakt worden. Hierin komt het onderscheid tussen het goederenrecht (vroeger “zakenrecht” genaamd) en het verbintenissenrecht tot uitdrukking. Voor de uitoefening van goederenrechtelijke (of zakelijke) rechten is geen voorafgaande rechtsbetrekking nodig met andere personen. Het eigendomsrecht (en de daarvan afgeleide rechten) geldt tegenover eenieder. De eigenaar kan tegen eenieder die inbreuk maakt op zijn rechten op het voorwerp van zijn eigendom (het “goed” of “zaak”) optreden. Bij voorbeeld schade eisen van degeen die het goed beschadigt.

Voor de situatie, dat de eigenaar de beschikking over het goed tegen zijn wil heeft verloren biedt artikel 2 van Boek 5 de mogelijkheid het goed op te eisen.

Art. 5:2 BW

De eigenaar van een zaak is bevoegd haar van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen.

Deze rechtsactie bestond al in het Romeinse recht: de zgn. “revindicatio”. We noemen dit nog steeds revindicatie. Wanneer er een rechtmatige grondslag bestaat voor het houderschap van degeen die het goed / de zaak onder zich heeft, dan kan dit aan het opeisen door de eigenaar in de weg staan. Het kan bij voorbeeld zijn dat de eigenaar het goed verhuurd heeft aan iemand, waardoor hij het niet zonder meer van de huurder kan opeisen. Of wanneer hij het in vuistpand heeft gegeven aan een pandhouder. Eigendom, bezit en houderschap (zie de pagina met uitleg hierover) kunnen onder omstandigheden uiteen lopen.

Geldige overdracht bij onbevoegdheid vervreemder

Bij roerende goederen geldt, dat de wet er van uit gaat dat degene die het goed onder zich heeft, de eigenaar is. Dit is een – eveneens al in het Romeinse recht bestaande – bewijsregel, die het maatschappelijk verkeer dient. De eigenaar kan een goed (bvb. bij verkoop, of op grond van een andere titel) aan een ander overdragen (leveren). De verkoopovereenkomst vormt dan de basis voor de levering. Door het sluiten van de verkoopovereenkomst ontstaat een verbintenisrechtelijke verplichting tot overdracht[1] (tegen betaling van de koopsom). De overdracht wordt vervolgens al dan niet direct uitgevoerd door overhandiging van het roerende goed. De eigenaar kan het bezit van een roerende zaak echter ook onbedoeld kan verliezen. Hij kan deze verliezen, er kan misverstand bestaan over de eigendomsvraag, de titel kan worden vernietigd, of er is gewoon sprake van diefstal of verduistering.

Daardoor kan onduidelijkheid ontstaan, van wie een roerend goed nu eigenlijk is. De wetgever heeft dit probleem bij de herziening van het B.W. in 1992 willen oplossen, doordat de overdracht van roerende zaken door een onbevoegde (simpel gesteld dus door iemand die niet de eigenaar is) geheeld wordt, zodat de verkrijger toch eigenaar wordt. Daartoe is art. 86 lid 1 in Boek 3 opgenomen, waarin is bepaald dat de overdracht in die situatie onder voorwaarden toch geldig is. De bepaling luidt aldus:

Art. 3:86 BW

Lid 1 Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.

Voor de geldigheid van de overdracht is dus vereist dat de verkrijger ten tijde van de verkrijging te goeder trouw was. Bij de interpretatie van de goede trouw speelt artikel 3:11 B.W. een rol.

Art. 3:11 BW

Goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, ontbreekt niet alleen, indien hij de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek belet niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.

De wettelijke vereisten van art. 3:86 lid 1 B.W.

Anders dan om niet

Het vereiste van art. 3:86 BW “anders dan om niet” behelst niet dat ook de reële waarde betaald is. Als het maar niet gratis was.

Goede trouw

Met goede trouw (artikel 3:11 BW) wordt in dit geval bedoeld dat de koper niet twijfelde en ook niet had behoren te twijfelen of de verkoper bevoegd was over de zaak te beschikken. Van de koper wordt verlangd dat hij altijd enig onderzoek instelt naar de bevoegdheid van de verkoper. In het geval van de aankoop van een auto wordt in het algemeen vereist dat de koper tenminste de tenaamstelling van de kentekenpapieren van de auto heeft gecontroleerd, de op het betrokken voertuig aanwezige kentekenplaten en het in de auto door de fabrikant aangebrachte voertuigidentificatienummer (VIN).

Beschikkingsonbevoegdheid van de laatste vervreemder

Een tweede voorwaarde voor die bescherming is dat de fout waardoor degene die de zaak heeft overgedragen en daartoe niet bevoegd is, veroorzaakt is bij een vorige overdracht van die zaak. De bescherming geldt niet als de vorige eigenaar ook niet bevoegd was. Het gaat om een fout bij de overdracht.

Opeisen van gestolen en verduisterde roerende goederen (revindicatie)

De wetgever heeft verder een uitzondering opgenomen in art. 3:86 lid 3 BW voor het geval er sprake is van diefstal. De bepaling luidt aldus:

Lid 3 Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij:

  1. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde; of
  2. het geld dan wel toonder- of orderpapier betreft.

De wetgever schiet de eigenaar verder tegemoet door de verkrijger te verplichten hem informatie te verstrekken over de wijze van verkrijging:

Art. 3:87 BW

  1. Een verkrijger die binnen drie jaren na zijn verkrijging gevraagd wordt wie het goed aan hem vervreemdde, dient onverwijld de gegevens te verschaffen, die nodig zijn om deze terug te vinden of die hij ten tijde van zijn verkrijging daartoe voldoende mocht achten. Indien hij niet aan deze verplichting voldoet, kan hij de bescherming die de artikelen 86, 86a en 86b aan een verkrijger te goeder trouw bieden, niet inroepen.

Beklag tegen strafrechtelijk beslag ex art. 552a Sv.

Bij diefstal, verduistering en heling van roerende zaken kan ook sprake zijn van strafrechtelijk beslag op roerende goederen die aan het bezit van de oorspronkelijk eigenaar zijn ontnomen. Iedere belanghebbende – dus ook de eigenaar – kan beklag doen tegen dit beslag en om afgifte verzoeken.

Daarbij zal de strafrechter een afweging maken enerzijds over de vraag of handhaving van het beslag in het kader van het onderzoek nog nodig is (bij voorbeeld voor sporenonderzoek) en anderzijds zal de strafrechter kijken naar de civielrechtelijke bepalingen.

Omdat de besluitvorming nogal eens verschilde is er een handleiding met beslisbomen en verwijzingen naar jurisprudentie ten behoeve van de rechtspraak opgesteld, waarop de strafrechter deze beslissing kan baseren.

Jurisprudentie

Deze materie is weerbarstig. In de jurisprudentie lopen de meningen soms uiteen over de vraag of aan de vereisten wordt voldaan of niet.

Ook is er soms verwarring doordat het wettelijk systeem is gewijzigd. In het oude B.W. gold een afwijkende regeling, en in 1980 is er – tijdelijk tot aan de invoering van het Nieuwe B.W. in 1992 – een terugkoopoptie ingevoerd, die in 1992 weer is vervallen.

Vordering ongerechtvaardigde verrijking

Alternatieve vordering (evt. subsidiair) is een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking.

[MdV, 15-01-2016]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.