Aanneming van werk in het algemeen (Afd. 1, Titel 12, Boek 7 B.W.)

Inleiding aanneming van werk in het algemeen

In Afd. 1, Titel 12, Boek 7 B.W. wordt de overeenkomst van aanneming in het algemeen uitgewerkt. Deze afdeling omvat xx artikelen (art. 7:750 B.W. tot en met art. 7:764 B.W.).

Definitie aanneming

Aanneming van werk is de overeenkomst waarbij de aannemer zich jegens de opdrachtgever verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren. Als tegenprestatie ontvangt de aannemer hiervoor een prijs in geld. Aanneming van geld is ook mogelijk als de tegenprestatie geheel of gedeeltelijk niet in geld is maar alleen voor zover de aard van de tegenprestatie zich daar niet tegen verzet (art. 7:750 B.W.).

Uit de jurisprudentie volgt dat er geen sprake is van totstandbrenging en oplevering van een werk van stoffelijke aard als het gaat om situaties waar de werken of producten tot stand komen door geestelijke of intellectuele arbeid, bijvoorbeeld werk van musici, auteurs en adviseurs (HR 20 juni 2008, BNB 2008/304).

Een aannemer is bevoegd (een deel van) het werk te laten uitvoeren door anderen. In dit geval blijft hij onverminderd aansprakelijk voor de deugdelijke nakoming van de aannemingsovereenkomst. Dit betekent dus dat een hoofdaannemer tot zijn opdrachtgever dus aansprakelijk is voor fouten van onderaannemers (art. 7:751 B.W.).

Zoals al werd vermeld zijn de regels van aanneming van werk regels van regelend recht. Mocht de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet zijn bepaald dan geldt dat de opdrachtgever een redelijke prijs is verschuldigd. Rekening moet worden gehouden bij het bepalen van deze prijs met de door de aannemer gewoonlijk bedongen kosten en met de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen (art. 7:752 B.W.). Bij de totstandkoming van de redelijke prijs wordt ook gekeken naar wat in die specifieke branche gangbare prijzen zijn.

Het kan zo zijn dat de aannemer en de opdrachtgever een richtprijs afspreken. De richtprijs mag niet meer dan 10% worden overschreden van de daadwerkelijke prijs. Hierop kan worden uitgezonderd als de aannemer de opdrachtgever zo tijdig mogelijkheid voor het overschrijden heeft gewaarschuwd. Bij overeenkomst kunnen partijen afwijken van deze 10% regeling (art. 7:752 lid 2 B.W.).

Soms kan het zo zijn dat, hoewel er een vaste aanneemsom is afgesproken, er sprake is van een prijsverhoging vanwege kostenverhogende omstandigheden.  Als er kostenverhogende omstandigheden ontstaan zonder dat deze de aannemer kunnen worden toegerekend kan de rechter de aanneemsom, op vordering van de aannemer, aan de kostenverhoging aanpassen. Dit kan slechts voor zover de aannemer bij het bepalen van de prijs geen rekening had hoeven houden met het optreden van dergelijke omstandigheden (art. 7:753 lid 1 B.W.).

Het is niet altijd nodig dat een rechter oordeelt over de kostenverhogende omstandigheden. In lid twee van dit artikel is vastgelegd dat de aannemer de prijs mag aanpassen zonder tussenkomst van de rechter als de kostenverhoging het gevolg is van door de opdrachtgever verschafte onjuiste gegevens. Deze gegevens moeten wel voor de prijsbepaling van belang zijn. De aannemer heeft het recht niet om de prijs aan te passen als de aannemer de onjuistheid van de gegevens voor het vaststellen van de prijs had behoren te ontdekken. Om dit te beoordelen dient er te worden gekeken naar de omstandigheden van het geval (art. 7:753 lid 2B.W.).

Het recht om de prijs aan te passen geldt alleen indien de aannemer de opdrachtgever zo snel mogelijk heeft gewaarschuwd voor de prijsverhoging.

Belangrijk bij dit artikel is het arrest van het Hof Arnhem van 28 september 2010 (TBR 2010/207).

De aannemer is verplicht bij het aangaan van de overeenkomst en tijdens het uitvoeren van de overeenkomst de opdrachtgever zo spoedig mogelijk waarschuwen. Dit geldt voor drie omstandigheden. Allereerst voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Daarnaast voor gebreken van zaken die afkomstig zijn van de opdrachtgever en tot slot ongeschiktheid van zaken van de opdrachtgever. Er geldt dus een waarschuwingsplicht aan de kant van de ondernemer (art. 7:754 B.W.).

Of een waarschuwingsplicht op de aannemer rust, dient per geval te worden beoordeeld. Er wordt gekeken naar verschillende factoren zoals de betreffende fout of het gebrek, de deskundigheid van de aannemer en de mate van duidelijkheid van de onjuistheid.

Uit de jurisprudentie blijkt dat de aannemer niet een onderzoeksplicht heeft. De aannemer hoeft dus niet uit te zoeken of de opdracht juist is en/of het materiaal geschikt is.

Artikel 7:755 B.W. geeft de wettelijke meerwerkregeling. Het artikel strekt tot bescherming van de opdrachtgever tegen vermijdbare kostenoverschrijdingen. Wanneer de opdrachtgever meerwerk wenst, kan de aannemer de meerkosten daarvan alleen vorderen indien hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van de prijsverhoging. Dit is echter niet het geval als de opdrachtgever de noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.

De bewijslast dat er sprake is van meerwerk, dat de opdrachtgever tijdig is gewaarschuwd, dat er een prijsopgave is gedaan en dat de opdrachtgever heeft ingestemd ligt in principe bij de aannemer.

De regeling in artikel 7:755 B.W. is van dwingend recht. Er kan dus niet van dit artikel worden afgeweken.

In art. 7:756 B.W. wordt de zogenoemde anticipatieve ontbinding genoemd. Het artikel is een speciale regeling op de algemene ontbinding van art. 6:265 B.W. Indien vóór de vastgestelde tijd van oplevering waarschijnlijk wordt dat het werk niet op tijd of niet behoorlijk zal worden opgeleverd, de rechter de overeenkomst op vordering van de opdrachtgever geheel of gedeeltelijk kan ontbinden. Ook kan de overeenkomst worden ontbonden als waarschijnlijk wordt dat de opdrachtgever niet op tijd of niet behoorlijk aan zijn verplichtingen zal voldoen of dat de aannemer de overeenkomst niet kan uitvoeren door omstandigheden die buigen zijn macht liggen.

De rechter bepaalt de gevolgen van de ontbinding.

Het kan zijn dat de uitvoering van het werk onmogelijk wordt. Dit is bijvoorbeeld het geval als de zaak waarop of waaraan het werk moet worden geleverd teniet of verloren gaat zonder dat dit aan de aannemer kan worden toegerekend. De aannemer is gerechtigd tot een evenredig deel van de vastgestelde prijs (art. 7:757 B.W).

Mocht er sprake zijn van opzet of grove schuld van de opdrachtgever dan is de aannemer gerechtigd tot een bedrag dat overeenkomstig art. 7:764 lid 2 B.W. wordt vastgesteld.

Het werk van de aannemer wordt als opgeleverd beschouwd als het wordt aanvaard door de opdrachtgever. De aannemer moet wel eerst duidelijk maken aan de opdrachtgever dat het werk klaar is. De opdrachtgever is vervolgens verplicht om binnen een redelijke termijn het werk te aanvaarden. Als dit niet gebeurd, wordt geacht dat het werk stilzwijgend is aanvaard. De redelijkere termijn hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij spelen onder andere een rol de omvang en controleerbaarheid van het werk.

De opdrachtgever draagt het risico van het werk na de oplevering. De opdrachtgever blijft de afgesproken prijs verschuldigd. Dit geldt ook mocht het werk tenietgaan of gaat het werk achteruit door een oorzaak die niet kan worden toegerekend aan de aannemer.

Er rusteen zware onderzoeksplicht op de opdrachtgever. Mochten er gebreken zijn in het werk en zijn deze gebreken te ontdekken op het tijdstip van oplevering, dan blijft de opdrachtgever toch zelf aansprakelijk. Hij kan de aannemer hiervoor niet aansprakelijk stellen.

Artikel 7:759 B.W. geeft uitleg omtrent de positie van de opdrachtgever in de situatie waarbij is vastgesteld dat het werk gebreken bevat. De opdrachtgever moet de in beginsel de aannemer een redelijke termijn bieden om de gebreken in het werk op te lossen. Dit is niet het geval als dit, vanwege de omstandigheden van het geval, niet mogelijk is.

Het herstel in het werk hoeft niet als de kosten voor het herstel niet in verhouding staan met het uiteindelijke resultaat.

In beginsel is het zo dat de gevolgen van een ondeugdelijke uitvoering van het werk, door gebreken of ongeschiktheid van materialen en hulpmiddelen, voor rekening komt van de aannemer. voorbeelden van de gevolgen van een ondeugdelijke uitvoering zijn een gebrekkige oplevering van het werk of een vertraagde uitvoering (art. 7:760 B.W).

Mochten de zaken (materialen en hulpmiddelen) afkomstig zijn van de opdrachtgever en is er sprake van een ondeugdelijke uitvoering? Dan komen de gevolgen voor rekening van de opdrachtgever als de aannemer zijn waarschuwingsplicht niet heeft geschonden of niet de gepaste zorg heeft betracht.

Lid 3 van art. 7:760 B.W. bevat een uitbreiding op lid 2 van ditzelfde artikel. Van belang bij dit artikel zijn de Kamerstukken II 1992/93, 23 095, nr. 3, p. 32.

Verjaring

Bij de aanneming van werk geldt een relatief korte verjaringstermijn (art. 7:761 B.W). Er geldt een zogenoemde dubbele verjaringstermijn. Allereerst geldt een tweejarige termijn welke ingaat op het moment dat de opdrachtgever een gebrek in de zaak heeft geprotesteerd. Als de opdrachtgever een termijn heeft gesteld aan de aannemer om het gebrek te herstellen dan begint de verjaring te lopen op het moment dat die termijn is afgelopen, Asser/Van den Berg 7-VI 2017/132.

Een tweede verjaringstermijn staat geregeld in lid 2 van art. 7:761 B.W. De termijn gaat in vanaf het moment van oplevering van het werk. Voor de aanneming van bouwerwerken geld termijn van 20 jaar. Voor alle andere werken geldt een termijn van 10 jaar.

Mocht het zo zijn dat de verjaring zou plaatsvinden tussen het tijdstip waarop de aannemer de opdrachtgever een mededeling heeft gedaan dat hij het gebrek zal onderzoeken of herstellen en het tijdstip waarop de aannemer het onderzoek en de pogingen tot herstel kennelijk als beëindigd beschouwt, dan biedt art. 7:761 lid 3 B.W. een uitweg. Op grond van dit artikel kan de verjaringstermijn, overeenkomstig artikel 3:320 B.W., worden verlengd.

Bevoegdheid tot verrekening wegens gebreken

Tot slot biedt art. 7:761 lid 4 B.W. een bevoegdheid aan de opdrachtgever. De verjaring laat de bevoegdheid van de opdrachtgever onverlet, om aan een vordering tot betaling van de prijs zijn recht op vermindering daarvan door gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst of op schadevergoeding tegen te werpen.

Geen exoneratie voor verborgen gebreken

Artikel 7:762 B.W. verbiedt uitsluiting of beperking van de aansprakelijkheid van de aannemer voor hem bekende verborgen gebreken die door hem zijn verzwegen. Dit geldt als de aannemer uitvoerders of onderaannemers in dienst heeft genomen. Van belang hierbij is het arrest Asser/Thunnissen 5-III 1994/583.

Of er sprake is van een verborgen gebrek moet er worden gekeken naar de omstandigheden van het geval. De vraag is of de opdrachtgever dit gebrek redelijkerwijs had moeten ontdekken. Criteria waar naar wordt gekeken bij de toets of er sprake is van een verborgen gebrek zijn onder andere de deskundigheid van de opdrachtgever zelf en het al dan niet aanwezig zijn van deskundige bijstand aan zijn kant en de aard en ernst van de tekortkoming waaraan het gebrek is toe te schrijven.

Beëindigen aannemingsovereenkomst bij dood aannemer

De partijen hebben de bevoegdheid om de aannemingsovereenkomst te beëindigen wegens het overlijden of duurzaam arbeidsongeschikt worden van de aannemer nadat de overeenkomst is gesloten (art. 7:763 B.W.). wel moet er sprake zijn van een redelijk belang bij de beëindiging van de overeenkomst. De vergoeding voor de reeds verrichte arbeid moet, als er sprake is van beëindiging van de overeenkomst, naar redelijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden worden bepaald. De opdrachtgever dient deze kosten te betalen aan de aannemer of diens erfgenamen.

Opzegging van de aannemingsovereenkomst

De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd om de aannemingsovereenkomst gedeeltelijk of geheel op te zeggen (art. 7:764 B.W.). Uit de jurisprudentie volgt dat opzegging zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend kan geschieden, Wolleswinkel/Syma-System.

Mocht de opdrachtgever de overeenkomst opzeggen dan dient hij, als de prijs al vanaf het begin vaststaat, de prijs te betalen van het gehele werk verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien. De aannemer is bij opzegging wel verplicht het reeds voltooide werk aan de opdrachtgever af te leveren.

Andere relevante pagina’s

Benoemde overeenkomsten (Boek 7 B.W.)

Aanneming (Titel 12, Boek 7 B.W.)

Bijzondere bepalingen woningbouw voor particulieren (Afd. 2, Titel 12, Boek 7 B.W.)

[SK, 9-12-2018]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.