Vernietiging van zekerheidstelling door de echtgenoot (art. 1:88 B.W.)

Inleiding vernietiging zekerheidstelling

Art. 1:88 lid 1, sub c B.W. bepaalt, dat voor het aangaan van een zekerheidstelling toestemming van de echtgenoot vereist is. Die toestemming moet blijkens lid 3 van het artikel schriftelijk (dat mag ook digitaal zijn) worden gegeven. De bepaling maakt onderdeel uit van het familierecht en is opgenomen onder “rechten en verplichtingen van de echtgenoten”.

Deze bepaling heeft tot doel om te voorkomen, dat de huwelijksgoederengemeenschap wordt opgezadeld met verplichtingen zonder dat de andere echtgenoot dat weet en daar toestemming voor heeft gegeven. Een dergelijke zekerheidstelling raakt immers ook het vermogen van de echtgenoot.

Tekst van de wet (maart 2016)

De wettekst luidt als volgt:

“Een echtgenoot behoeft de toestemming van de andere echtgenoot voor de volgende rechtshandelingen:

c. overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt”.

Anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf

De toestemming is niet vereist wanneer de zekerheidstelling plaatsvindt in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Wanneer de echtgenoot beroepsmatig zekerheid verstrekt, dan is dat onderdeel van zijn gewone dagelijkse werk en behoeft niet telkens de echtgenoot mee te tekenen.

De uitleg van deze bepaling is niet eenvoudig en hangt sterk samen “met de omstandigheden van het geval”, oftewel met de feiten in een  bepaalde casus. De interpretatie van dit criterium wordt hierna nader besproken bij de bespreking van lid 5 waar ditzelfde criterium een rol speelt. Overigens speelt dit ook een rol bij de kwalificatie van de zgn. particuliere borgtocht van art. 7:857 B.W..

De uitzondering van art. 1:88 lid 5 B.W.

In lid 5 (dit was lid 4 voor de wetswijziging van 2010, waarbij een nieuw lid 4 is ingevoegd) is in het verlengde van lid 1 aanhef en sub c bepaald dat de toestemming niet vereist is wanneer er sprake is van zekerheidstelling ten behoeve van een besloten of naamloze vennootschap en deze wordt verstrekt door de bestuurder die tevens een meerderheid van de aandelen heeft, en de zekerheidstelling wordt verstrekt “ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap”.

De meerderheid kan ook tezamen met de andere bestuurders worden gehouden. De wetgever heeft hier met name het oog gehad op de DGA in het MKB-bedrijf.

De vraag is, hoe deze bepalingen – en met name het begrip “normale uitoefening van het bedrijf” – moeten worden uitgelegd. De Hoge Raad heeft deze bepaling in een aantal arresten gepreciseerd.

In een arrest d.d. 14 april 2000 heeft de Hoge Raad de bepaling aldus uitgelegd, dat de zekerheidstelling zelf behoort tot de normale bedrijfsuitvoering.

De Hoge Raad overweegt:

Klaarblijkelijk is bedoeld dat de toestemming van de andere echtgenoot alleen dan niet is vereist indien de rechtshandeling waarvoor de in art. 1:88 lid 1 onder c bedoelde zekerheid wordt verstrekt zelf behoort tot de rechtshandelingen die in de normale uitoefening van een bedrijf plegen te worden verricht.

“Ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap”

In het arrest van de Hoge Raad d.d. 14 april 2000 (het arrest Soetelieve/Stienstra) heeft de Hoge Raad de bedoeling van de wetgever aldus uitgelegd, dat de toestemming van de andere echtgenoot alleen dan niet vereist is, indien de rechtshandeling waarvoor de zekerheid is verstrekt behoort tot de rechtshandelingen, die in de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap worden verricht. Hiermee beoogt de wetgever een wezenlijke beperking van de uitzondering, welke dan ook niet extensief mag worden uitgelegd.

De Hoge Raad heeft in diens arrest van 20 januari 2006 (HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5681) benadrukt dat de wetgever met de uitzondering van art. 1:88 lid 5 B.W. een eenvoudige, doorzichtige regeling heeft willen geven, die de criteria bevat die hier van belang zijn, namelijk een combinatie van zeggenschap en financieel belang, net als bij de ondernemer die zich bedient van een eenmanszaak of een vennootschap onder firma.

In de conclusie van de P-G bij het arrest van de Hoge Raad d.d. 19 december 2008 (HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3942) is de P-G Wuisman nader ingegaan op de door de wetgever beoogde “wezenlijke beperking”.  In par. 3.3 van zijn conclusie merkt hij op, dat met deze bedoeling van de wetgever niet strookt, dat de grens van de normale bedrijfsuitoefening pas wordt overschreden bij rechtshandelingen die in het maatschappelijk verkeer niet meer als passend bij het voeren van een bedrijf worden opgevat. Het is volgens de P-G aan de wederpartij van de bestuurder om bedacht te zijn op de mogelijk vereiste toestemming van de andere echtgenoot.

De P-G formuleert het vervolgens aldus:

“De grens dient … enger te worden getrokken. Aan een ‘wezenlijke beperking’ beantwoordt meer wanneer men aanneemt dat een rechtshandeling binnen het verband van lid 5 van artikel 1:88 BW dan reeds niet meer tot de normale bedrijfsuitoefening wordt gerekend, wanneer de rechtshandeling naar zijn aard en/of risico afwijkt van wat bij de uitoefening van het bedrijf van de voorliggende vennootschap gangbaar en gebruikelijk is”.

Met de genoemde uitzondering op het toestemmingsvereiste in art. 1:88 lid 5 B.W., beoogde de wetgever blijkens de toelichting van de Minister een gelijkschakeling met de ondernemer die door middel van een eenmanszaak of VOF aan het rechtsverkeer deelneemt, waarbij het gezinsinkomen mede gediend is met de transactie waar het om gaat.

De ondernemer moet in die situatie mede in het gezinsbelang – waaronder het inkomen dat met de onderneming voor het onderhoud van het gezin wordt verworven – een zekere vrijheid van handelen hebben, net als een ondernemer die géén gebruik maakt van een besloten vennootschap. Dat is het “financieel belang” waar de Hoge Raad op duidde met het hiervoor genoemde arrest d.d. 20 januari 2006.

Op de wederpartij van degeen die zekerheid stelt rust een onderzoeksplicht om na te gaan of het wel een normale transactie voor de vennootschap betreft, en wanneer zou blijken dat dit niet het geval was, zich te verzekeren van de toestemming van de echtgenoot.

Dit geldt eens te meer, wanneer de zekerheidstelling plaatsvindt op een moment dat de continuïteit van de vennootschap in gevaar is. In dat geval is een verstrekte (extra) zekerheidstelling gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot art. 1:88 B.W. ongebruikelijk.

De omstandigheden waaronder de rechtshandeling is aangegaan, spelen ook een rol bij het oordeel of het om een handeling in het kader van de normale bedrijfsuitoefening gaat. Aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 5 juli 2005.

In een arrest van 18 december 2015 heeft de Hoge Raad hierover weer een uitspraak gedaan.  In die zaak heeft de Hoge Raad beslist, dat het verstrekken van (extra) zekerheid in een turn around situatie  niet beschouwd kan worden als zekerheidstelling in de normale bedrijfsuitoefening. Interessant is ook de conclusie van de P-G bij dat arrest.

Inroepen van de vernietiging; verjaringstermijn

De vernietiging moet in verband met art. 3:52 lid 1 aanhef en sub d B.W. worden ingeroepen binnen drie jaar nadat de echtgenoot met de zekerheidstelling bekend is geraakt. Zie ook het arrest van de Hoge Raad d.d. 10 juli 2015 in een zaak tegen Dexia.

Wanneer de echtgenoot in kennis gesteld wordt van de zekerheidstelling, dan begint die verjaring vanaf dat moment dus te lopen. Dit is aan de bank om aan te tonen. Die kan bijvoorbeeld eisen dat de echtgenoot meekomt met het kredietgesprek.

Extra verweermogelijkheid echtgenoot: art. 6:248 B.W.

De echtgenoot die ook zelf klant van de bank is kan zich naast het beroep op de vernietiging ook beroepen op beperkende werking van de goede trouw (art. 6:248 lid 2 B.W.). Als de bank de echtgenoot niet heeft gewezen op de consequenties van de zekerheidstelling voor het eigen vermogen van de echtgenoot, dan kan de bank jegens de echtgenoot als (eveneens) klant van de bank tekort geschoten zijn in haar zorgplicht en daardoor op grond van de billijkheidscorrectie geen beroep op de zekerheidstelling kunnen doen tegenover de echtgenoot en dus belemmerd worden in het verhaal op dat vermogen. Zie ook de Hoge Raad in het arrest d.d. 12 april 2013.

Rechtspraak

Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 15-11-2016 – Aan de hand van alle omstandigheden zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld of het aangaan van de rechtshandeling zelf tot de normale bedrijfsvoering kan worden gerekend; in casu niet het geval vernietiging heeft effect.

Rb. Dordrecht 19 december 2012 ABN AMRO Bank/NN (Bakkerij) – de bescherming van art. 1:88 B.W. geldt alleen voor echtgenoten en geregistreerd partners, niet voor samenwoners met een samenlevingscontract.

Andere relevante pagina’s

Borgtocht (Titel 14, Boek 7 B.W.)

Vernietiging van rechtshandelingen (art. 3:40 B.W.)

[MdV, 13-03-2016]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.