Bestuurdersaansprakelijkheid (art. 6:162 B.W.)

Inleiding bestuurdersaansprakelijkheid

Het bestuur van een rechtspersoon is als hoofdregel niet in diens eigen vermogen aansprakelijk voor verplichtingen van de rechtspersoon namens wie hij optreedt. Het uitgangspunt is immers dat de rechtspersoon een eigen (afgescheiden) vermogen heeft, dat los staat van het vermogen van de natuurlijke personen die fungeren als haar vertegenwoordigers (of “organen”). Zie hierover het bericht “Wat is een rechtspersoon?“.

Onder bepaalde omstandigheden wordt daar echter een uitzondering op gemaakt en kan het bestuur, een individuele bestuurder of een ander orgaan dat voor de rechtspersoon opgetreden heeft wel aansprakelijk gehouden worden voor dat optreden. We spreken dan wel van “doorbraak van aansprakelijkheid” of “bestuurdersaansprakelijkheid”. Ook andere personen die de vennootschap vertegenwoordigen, zoals de commissarissen of zelfs de aandeelhouders van de rechtspersoon, kunnen soms zelf aansprakelijk worden voor handelingen die zij in hun rol als vertegenwoordiger van de rechtspersoon hebben verricht. Daarnaast komt ook de aansprakelijkheid van de feitelijk leidinggevende voor: deze heeft juist niet beoogd op te treden als orgaan van de rechtspersoon, maar blijkt dit in de praktijk wel gedaan te hebben, met aansprakelijkheid tot gevolg.

Interne en externe bestuurdersaansprakelijkheid

Naast de algemene aansprakelijkheidsgrond van art. 6:162 B.W., die voor eenieder kan gelden, staan er in Boek 2 B.W. (Rechtspersonen) een aantal specifieke bepalingen, waarin gronden voor aansprakelijkheid van met name bestuurders (en commissarissen) van rechtspersonen worden geregeld. Hierbij moet worden onderscheiden tussen interne aansprakelijkheid (van de bestuurder jegens de rechtspersoon zelf) op basis van art. 2:9 B.W. en externe aansprakelijkheid jegens derden voor handelingen van de rechtspersoon, waarvoor de bestuurder (of commissaris) zelf mede aansprakelijk kan worden naast de rechtspersoon. Daarbij zijn met name art. 2:11 B.W. en – voor de B.V. – art. 2:248 B.W. (kennelijk onbehoorlijk bestuur) van belang (voor de N.V. art. 2:138 B.W.).

De décharge die aan het bestuur verleend pleegt te worden bij de vaststelling van de jaarstukken van de rechtspersoon ziet op de interne aansprakelijkheid.

Rechtersrecht: verschillende vormen

De uitwerking van de bestuurdersaansprakelijkheid heeft in de afgelopen decennia vooral plaatsgevonden in de jurisprudentie. Uiteraard heeft vooral de Hoge Raad een belangrijke rol in gespeeld in de rubricering van de verschillende vormen van (met name) bestuurdersaansprakelijkheid. De centrale grondslag van de bestuurdersaansprakelijkheid is de onrechtmatige daad (art. 6:162 B.W.). Daarnaast zijn er diverse andere specifieke grondslagen in de wet te vinden, die als alternatief gebruikt kunnen worden dan wel een specifieke invulling aan de aansprakelijkheid geven.

Criteria voor bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 B.W.

De Hoge Raad heeft in het arrest Ontvanger/Roelofsen twee grondslagen geformuleerd voor bestuurdersaansprakelijkheid.
(i) Het aangaan van verplichtingen, wetende dat de rechtspersoon deze niet zal kunnen nakomen en (ii) het frustreren van de nakoming door de rechtspersoon. In beide gevallen zal de bestuurder een ernstig persoonlijk verwijt gemaakt moeten kunnen worden.

Aangaan van verbintenissen die (voorzienbaar) niet kunnen worden nagekomen (Beklamel-norm)

Eén van de twee belangrijkste redenen van aansprakelijkheid van bestuurders van een rechtspersoon kan zijn het aangaan van verplichtingen, terwijl voorzienbaar is dat de rechtspersoon deze niet zal kunnen nakomen. De schuldeiser(s) van de rechtspersoon lijden dan schade door het onbetaald blijven van hun vordering(en) op de rechtspersoon. Zoals de naam al doet vermoeden is deze grondslag geformuleerd in het zgn. Beklamel-arrest.

Het opzettelijk frustreren van nakoming

De tweede categorie is de situatie dat de bestuurder de nakoming van de wettelijke of contractuele verplichtingen door de rechtspersoon opzettelijk frustreert, en daarmee de schuldeiser schade berokkent. Die situatie deed zich voor in het arrest van de Hoge Raad van 3 april 1992, NJ 1992,411 (Van Waning/Van der Vliet). Daarbij weigerde de bestuurder Van Waning moedwillig om de rechtspersoon te laten betalen, terwijl de middelen daartoe wel aanwezig waren. Als gevolg werd de bestuurder aansprakelijk gehouden voor deze betalingsonwil. Op dit thema zijn uiteraard allerlei varianten denkbaar. De bestuurder kan bvb. ook verhaalsmogelijkheden wegsluizen, waardoor de situatie kan overlappen met de vordering uit hoofde van de “Pauliana”. Die heeft echter een ander doel: het terugbrengen van de onttrokken verhaalsobjecten.

Selectieve betaling: verweer

Bij aansprakelijkstelling op grond van selectieve betaling moet onder meer het verweer gevoerd worden, dat de schade niet gelijk is aan het onttrokken bedrag. Er moet worden vergeleken met de hypothetische situatie, dat de betaling niet zou hebben plaatsgevonden. Daarbij kunnen ook de opeisbare vorderingen, die zijn voorgetrokken, meewegen doordat deze anders nog bestaan hadden en een deel van het onttrokken bedrag mede aan die schuldeiser(s) ten goede had dienen te komen. Dit deel moet dus van de vordering worden afgetrokken.

Aansprakelijkheid van de middellijk bestuurder (art. 2:11 B.W.)

Op grond van art. 2:11 B.W. is ook de middellijk bestuurder (de bestuurder van de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk naast de statutair bestuurder(s) van de rechtspersoon waarmee gehandeld is. Dit werkt – als er sprake is van meerdere rechtspersonen tussen de bestuurder van de rechtspersoon waarmee gehandeld is en de uiteindelijke natuurlijke persoon die langs deze weg indirect het bestuur voert – door tot aan de natuurlijk persoon achter de verschillende rechtspersonen. De Hoge Raad noemt om de verschillende schakels in deze quasi familieverhouding aan te geven de directe bestuurder “eerstegraads bestuurder” en de bestuurder van de eerstegraads bestuurder noemt hij “tweedegraads bestuurder”.

De Hoge Raad heeft met betrekking tot art. 2:11 B.W. in 2017 een tweetal belangrijke knopen doorgehakt. Ten eerste heeft de Hoge Raad beslist, dat wanneer vaststaat dat de eerstegraads bestuurder een ernstig persoonlijk verwijt treft in de zin van het arrest Ontvanger/Roelofsen, dan niet meer afzonderlijk getoetst hoeft te worden of dit ook geldt voor de achterliggende bestuurder(s) in de keten.

Ten tweede heeft de Hoge Raad beslist dat art. 2:11 B.W. niet beperkt is tot de aansprakelijkheid uit het rechtspersonenrecht maar evenzeer geldt voor de algemene aansprakelijkheidsgrond van art. 6:162 B.W..

De Hoge Raad overweegt over art. 2:11 B.W. in het onderstaande arrest van 17 februari 2017 (Fruitexporteur):

“Noch uit de tekst, noch uit de ratio van art. 2:11 BW volgt dat een beperking is beoogd tot toepassing van art. 2:11 BW op een of meer bepaalde wettelijke grondslagen van bestuurdersaansprakelijkheid. Deze uitleg van art. 2:11 BW strookt met de opmerking van de minister van Justitie tijdens de parlementaire behandeling van deze bepaling, dat hem niet duidelijk is waarom de aansprakelijkheid ingevolge (thans) art. 6:162 BW tegenover schuldeisers en die uit (thans) art. 2:9 BW zouden zijn uitgesloten en dat deze wettelijke aansprakelijkheden te vergelijken zijn met die van art. 2:138 BW en art. 2:248 BW (Kamerstukken I 1985-1986, 16 631, nr. 27b, p. 22).

Een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder die uit hoofde van de wetsbepaling waaruit de aansprakelijkheid voortvloeit, een grond tot disculpatie heeft om de aanspraak af te weren, kan zich daarop beroepen, onafhankelijk van de rechtspersoon-bestuurder (Kamerstukken II 1983-1984, 16 631, nr. 6, p. 18 en nr. 9, p. 15-16). Of een wetsbepaling waaruit aansprakelijkheid voortvloeit, de mogelijkheid van disculpatie biedt, moet worden bepaald door uitleg van die bepaling.”

Aansprakelijkheid van de bestuurder-aandeelhouder

Ook de bestuurder-aandeelhouder kan aansprakelijk gehouden worden voor de niet-nakoming door de vennootschap, waarvan zij de aandelen houdt. In beginsel is de aandeelhouder niet aansprakelijk voor die schulden en is zij niet verplicht bij te storten (of te blijven financieren), als de vennootschap niet in staat is haar verplichtingen na te komen.

Onder omstandigheden kan dit echter uitzondering lijden, waardoor de aandeelhouder wel aansprakelijk wordt. Zie het arrest Hanzevast III/Ontwikkelingsmaatschappij G4 HR 24-03-2017. In die kwestie ging het om een overeenkomst inzake projectontwikkeling, gesloten door een lege vennootschap Hanzevast III met Ontwikkelingsmaatschappij G4. Het Hof overwoog, dat het niet ongebruikelijk is in de projectontwikkeling om lege vennootschappen op te richten, waarbij de Holding deze van geld gaat voorzien wanneer het project tot stand komt. In dit geval was tussen partijen in confesso, dat de Holding dit zou doen. Toen vervolgens de overeenkomst – ten onrechte – werd ontbonden, werd de Holding op basis van die gewekte verwachting aansprakelijk gehouden voor de schade van de wederpartij van de vennootschap. Ook speelde mee, dat G4 op basis van die gewekte verwachting geen zekerheden gevraagd had.

Ernstig persoonlijk verwijt en Pauliana

Een transactie, die neerkomt op een Paulianeuze onttrekking van verhaalsmogelijkheden kan reden zijn voor een ernstig persoonlijk verwijt aan de bestuurder. Aldus HR 21 april 2017 (Weaver/Alstonville).

Bestuurdersaansprakelijkheid jegens de fiscus

De bestuurder kan voorts aansprakelijk gesteld worden voor het onbetaald blijven van belastingschulden. Dit vloeit voort uit art. 36 Invorderingswet. Met name van belang ter voorkoming hiervan is het tijdig doen van de melding betalingsonmacht. Een soortgelijke aansprakelijkheid geldt voor de premieschuld aan het UWV en de premieschuld aan het pensioenfonds.

Daarbij kan de fiscus mede op grond van art. 32 lid 2 IW de invorderingsschade vorderen. Zie in dit verband HR 17 februari 2017 (JOR 2017/156).

Wettelijke bepalingen

Bestuurdersaansprakelijkheid kan gebaseerd worden op diverse wettelijke bepalingen. De grondslag van de aansprakelijkheid verschilt naar gelang de bepaling waar de aansprakelijkheid op is gebaseerd.

art. 2:9 B.W. (contractuele aansprakelijkheid jegens de vennootschap)

art. 2:11 B.W. Dit artikel bepaalt dat de bestuurder van een (aansprakelijke) rechtspersoon bestuurder op zijn beurt hoofdelijk naast de aansprakelijke bestuurder aansprakelijk is.

art. 6:162 B.W. (onrechtmatige daad)

Fiscale bestuurdersaansprakelijkheid

Daarnaast is er nog de fiscale bestuurdersaansprakelijkheid. De bestuurder kan (onder andere) aansprakelijk gesteld worden op basis van art. 36 Invorderingswet wegens het onbetaald blijven van de aan de rechtspersoon (meestal een vennootschap) opgelegde zgn. “zakelijke belastingen” (loonbelasting en omzetbelasting). Zie voor meer informatie de Brochure van de belastingdienst.

Rechtspraak

Hof Amsterdam 27 februari 2018 – persoonlijk ernstig verwijt bestuurder stichting

HR 24 maart 2017 Hanzevast III/Ontwikkelingsmaatschappij G4 Aansprakelijkheid aandeelhouder. Zie ook Comsys-arrest.

HR 17 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:275 Fruitexporteur)

HR 5 september 2014 (CRI Financial Services/Kastrop) – geen voorzienbaarheid schade; hoge drempel voor aansprakelijkheid

HR 23 mei 2014 (Kok/Maas q.q.) (NJ 2014, 325) – de indirecte bestuurder kan rechtstreeks worden aangesproken op de voet van art. 2:11 B.W., zonder dat de bestuurder zelf in rechte betrokken wordt; evt. betalingen (incl. verrekening) door de bestuurder strekken in mindering omdat er sprake is van een hoofdelijke aansprakelijkheid (art. 6:7 lid 2 B.W.), ook als deze geen partij is in de procedure.

HR 20 juni 2008 (NOM Ontwikkelingsmaatschappij, NJ 2009, 21)

Ontvanger/Roelofsen (NJ 2006/659, JOR 2007/38), HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758

Staleman/Van de Ven HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360

Beklamel-arrest HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286 ECLI:NL:HR:1989:AB9521

Van Waning/Van der Vliet HR 3 april 1992, NJ 1992, 411

[MdV, 22-11-2015; bijgewerkt 5-07-2018]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.