Beëindiging van voogdij (Par. 8, Afd. 6, Titel 14, Boek 1 B.W.)

Inleiding beëindiging van voogdij

In Par. 8, Afd. 6, Titel 14 van Boek 1 B.W. de beëindiging van onder voogdij over minderjarigen geregeld. De paragraaf omvat 11 artikelen, waarvan er een aantal is vervallen (art. 1:327 B.W. tot en met art. art. 1:335 B.W.). Vervallen zijn art. 1:330 B.W. (per 2 november 1995), art. 1:332 B.W. (per 1 januari 2015) en art. 1:333 B.W. (per 1 mei 1995).

Beëindiging voogdij natuurlijke personen

De rechtbank kan in drie gevallen de voogdij van natuurlijke personen beëindigen (art. 1:327 B.W.):

– als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de voogd niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn (art. 1:247 lid 2 B.W.). Als men wel kan verwachten dat de voogd binnen een aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding weer op zich kan nemen, wordt de voogd slechts onder toezicht geplaatst. Wat een redelijke termijn is wordt per situatie bekeken.

– als de voogd het gezag misbruikt. Van dit misbruik wordt gesproken als de voogd van het kind zijn plichten schendt. Hierbij kan gedacht worden aan een situatie waarbij een kind van de voogd niet naar school mag of het kind bijvoorbeeld seksueel wordt misbruikt.

– als de voogd niet beschikt over de vereiste beginseltoestemming bij een adoptie van buitenlandse kinderen (art. 2 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie). Indien personen de wens hebben een buitenlands kind te adopteren, is voorafgaande toestemming van de Minister van Justitie noodzakelijk. Hebben zij deze toestemming niet, dan kan de voogdij beëindigd worden, ook als deze personen via een buitenlands adoptievonnis gezag hebben gekregen over het kind. Hierbij wordt wel gekeken of dit in het belang van het kind noodzakelijk is. Het is niet per definitie zo dat als personen de bepalingen in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie niet naleven, de voogdij beëindigd wordt (HR 1 december 2000, NJ 2001/317).

Is de voogdij op één van de hierboven genoemde gronden beëindigd, dan kan die persoon niet opnieuw voogd van hetzelfde kind worden (art. 1:335 B.W.).

Beëindiging voogdij gecertificeerde instelling of stichting Nidos

Naast het beëindigen van de voogdij bij natuurlijke personen kan de rechtbank ook de voogdij van een gecertificeerde instelling (art. 1.1 Jeugdwet) of de stichting Nidos (zie de pagina voogdij van rechtspersonen) beëindigen indien (art. 1:328 B.W.):

– zij haar taken op een niet verantwoorde wijze uitoefent. Hiervoor moet zij zich zodanig organiseren, zodanig kwalitatief en kwantitatief voorzien van personeel en materieel, en voor zodanige verantwoordelijkheidstoedeling zorgdragen, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp (art. 4.1.1 lid 2 Jeugdwet).

– zij nalaat de raad voor de kinderbescherming op de hoogte te houden (art. 1:305 B.W.). Artikel 1:305 B.W. is echter in 2018 vervallen, waardoor ook deze bepaling niet meer van toepassing is. De wetgever is kennelijk vergeten deze bepaling aan te passen.

Daarnaast moet er voor beëindiging van de voogdij sprake van zijn, dat de minderjarige zodanig opgroeit dat hij ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling. Of hiervan sprake is moet per geval door de rechter bekeken worden.

Verzoekers om beëindiging van de voogdij

Beëindiging van de voogdij kan worden uitgesproken op verzoek van:

– de Raad voor de Kinderbescherming (art. 1:329 lid 1 B.W.)

– het Openbaar Ministerie (art. 1:329 lid 1 B.W.)

– bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad (art. 1:329 lid 1 B.W.). Bloed- en aanverwanten van de vierde graad zijn neven en nichten van het kind. Blijkens Hof Amsterdam 14 augustus 2018 (afwijzing verzoek biologische vader tot beeindiging voogdij GI) wordt de biologische vader niet als bloedverwant van het kind beschouwd, als hij het kind niet heeft erkend.

– de pleegouder, als het kind door een ander dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed (art. 1:329 lid 2 B.W.).

– de rechtbank ambtshalve, nadat de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming heeft laten weten dat de voogd in gebreke is gebleven (art. 1:329 lid 3 B.W.). Daarna zal de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek starten en binnen een termijn van zes weken aan de rechtbank laten weten of de voogdij wel of niet beëindigd moet worden (art. 1:367 B.W.).

Schorsing voogdij natuurlijke personen

Naast beëindiging van de voogdij heeft de rechtbank ook de bevoegdheid om natuurlijke personen belast met voogdij geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag te schorsen indien (art. 1:331 lid 1 BW):

– een ernstig vermoeden bestaat dat het kind zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de voogd niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van het kind aanvaardbaar te achten termijn of de voogd het gezag misbruikt (art. 1:266 lid 1 B.W.). Daarnaast moet de maatregel noodzakelijk zijn om de acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen (art. 1:331 lid 1 B.W.).

– een medische behandeling van een kind jonger dan twaalf jaar of van een kind van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en de voogd toestemming daarvoor weigert (art. 1:331 lid 1 B.W.).

Indien twee personen de voogdij gezamenlijk uitoefenen, wordt na schorsing van de voogdij van één van hen de voogdij door de andere voogd alleen uitgeoefend. Tenzij de rechter een gecertificeerde instelling met de voorlopige voogdij over het kind belast dan is ook het gezag van deze andere voogd geschorst (art. 1:331 lid 2 B.W.).

Verzoekers tot schorsing van de voogdij

De schorsing van de voogdij kan worden uitgesproken op verzoek van (art. 1:331 lid 3 B.W.):

– de Raad voor de Kinderbescherming;

– het Openbaar Ministerie;

– bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad; of

– de pleegouder, als het kind door een ander dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed.

Termijn schorsing voogdij

De schorsing in de uitoefening van het gezag vervalt drie maanden na de dag van de beschikking, tenzij voor dit moment beëindiging van de voogdij is verzocht (art. 1:331 lid 4 B.W.).

Ondertoezichtstelling bij voogdij

De rechter kan er ook voor kiezen om het kind onder toezicht te stellen, in plaats van de voogd op grond van art. 1:331 B.W. te schorsen in de uitoefening van de voogdij en te voorzien in voorlopige voogdij (art. 1:331a B.W.).

De rechter heeft dezelfde keuze bij een verzoek tot beëindiging van de voogdij van een natuurlijk persoon. De rechter kan dit verzoek afwijzen en het kind in plaats daarvan onder toezicht stellen (art. 1:332a B.W.). Als een rechtspersoon de voogdij over het kind heeft, kan het kind niet onder toezicht gesteld worden (art. 1:326 B.W.).

De rechter zal overgaan op onder toezichtstelling als hij vindt dat schorsing of beëindiging een te heftige maatregel is.

Gezag bij beëindiging van de voogdij

Als de rechtbank de keuze maakt om de beëindiging van de voogdij uit te spreken, dan voorziet zij in principe ook in het gezag (art. 1:334 lid 1 B.W.).

De rechtbank hoeft niet in het gezag te voorzien als de voogdij gezamenlijk werd uitgeoefend en de beëindiging van de voogdij slechts voor een van de voogden geldt. In dit geval oefent de andere voogd vanaf dat moment alleen de voogdij uit (art. 1:334 lid 3 B.W.).

Iedere persoon die bevoegd is tot de uitoefening van het gezag, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de rechtbank verzoeken om met het gezag belast te worden (art. 1:334 lid 2 B.W.). Personen die niet bevoegd zijn om gezag uit te oefenen zijn bijvoorbeeld personen die onder curatele gesteld (art. 1:246 B.W.).

Voorlopige voogdij

Afdeling 6 van titel 14 van boek 1 B.W. is niet van toepassing op voorlopige voogdij als bedoeld in art. 1:241 B.W. (voorlopige voogdij op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, zie de pagina Raad voor de Kinderbescherming), art. 1:268 lid 2 B.W. (voorlopige voogdij bij schorsing van het ouderlijk gezag, zie de pagina Beëindiging ouderlijk gezag) en art. 1:331 lid 2 B.W. (schorsing van de voogdij) aangezien de voogdij in die gevallen slechts van korte duur is (art. 1:306a B.W.).

Zie de pagina Voogdij van rechtspersonen, waar die bepaling enigszins verdwaald is opgenomen.

Auteur & Last edit

[MdV, 1-04-2022; laatste bewerking KvdV 9-06-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.