Voogdij van rechtspersonen (Par. 4, Afd. 6, Titel 14, Boek 1 B.W.)

Inleiding voogdij van rechtspersonen

In Par. 4, Afd. 6, Titel 14 van Boek 1 B.W. geeft de wet een regeling voor voogdij van rechtspersonen over minderjarigen. De paragraaf omvat slechts 5 artikelen (art. 1:302 B.W. tot en met art. 1:306a B.W.). Art. 1:307 B.W. tot en met art. 1:319 B.W. zijn vervallen per 1 januari 1995. Art. 1:305 B.W. is vervallen per 1 augustus 2016.

De rechtspersonen aan wie de voogdij kan worden opgedragen is de zogeheten ‘Gecertificeerde Instelling’ (afgekort ‘GI’, niet te verwarren met de term voor een Amerikaanse soldaat) als bedoeld in art. 1.1 Jeugdwet.

Gecertificeerde instelling als voogd

Een voogd kan een natuurlijk persoon zijn, het is echter ook mogelijk dat een gecertificeerde instelling met de voogdij belast wordt (art. 1:302 lid 1 B.W.). Met een gecertificeerde instelling wordt een instelling bedoeld die in het bezit is van een certificaat en een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert (art. 1.1 Jeugdwet). Een gecertificeerde instelling die met de voogdij belast is, heeft dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als andere voogden, tenzij de wet anders bepaalt (art. 1:303 B.W.).

Een voorbeeld waarbij de wet anders bepaalt, is dat een gecertificeerde instelling niet zonder toestemming van de rechtbank een hem toevertrouwde minderjarige in het buitenland mag plaatsen (art. 1:306 lid 1 B.W.).

Voogdij minderjarige vreemdelingen

Af en toe komen minderjarige vreemdelingen zonder ouders naar Nederland. In het geval dat voor een kind een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is gedaan (art. 28 Vreemdelingenwet 2000), zal de rechter een voogd benoemen (art. 1:302 lid 2 B.W.). De rechter kan als voogd of een natuurlijk persoon of de stichting Nidos aanwijzen (zie de toelichting hierop in de MvT, par. 6.4, Kamerstukken II 2012/13, 33684).

Indien stichting Nidos de voogdij over een kind uitoefent, kan de rechter net als bij iedere andere voogd de voogdij beëindigen, al gebeurt dit erg zelden (art. 1:328 B.W.).

Persoonlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurders van de gecertificeerde instelling voor uitoefening voogdij

De bestuurders van de gecertificeerde instelling zijn hoofdelijk en persoonlijk aansprakelijk voor alle schade die te wijten is aan een niet-behoorlijke uitoefening van de voogdij (art. 1:304 lid 1 B.W.). Hoofdelijke aansprakelijkheid betekent dat iedere bestuurder van de gecertificeerde instelling voor de gehele schade aansprakelijk gesteld kan worden. De schade kan op verschillende manieren zijn ontstaan.

De eerste mogelijkheid is dat de minderjarige de schade door slecht bewind van de gecertificeerde instelling heeft geleden (art. 1:362 B.W.). Daarnaast kan de schade zijn ontstaan door een onrechtmatige daad (art. 6:162 B.W.). De laatste mogelijkheid is dat de minderjarige de schade heeft geleden doordat de gecertificeerde instelling niet de verantwoorde hulp heeft verleend, die zij dient te verlenen (art. 4.1.1 Jeugdwet).

Overigens zijn de bestuurders van de gecertificeerde instelling op basis van risicoaansprakelijkheid eveneens aansprakelijk voor een onrechtmatige daad die het kind jonger dan 14 jaar, waarover de instelling voogdij uitoefent, heeft gepleegd (art. 6:169 lid 1 B.W.). Zie ook de pagina Aansprakelijkheid voor personen en zaken.

Het is voor een bestuurder wel mogelijk om onder de aansprakelijkheid uit te komen indien hij geen schuld heeft aan de schade en dit ook kan bewijzen (art. 1:304 lid 2 B.W.).

Toestemming rechtbank voor plaatsen minderjarige onder voogdij in het buitenland

Het is de gecertificeerde instelling niet toegestaan om zonder toestemming van de rechtbank een kind waarover de instelling voogdij uitoefent in het buitenland te plaatsen (art. 1:306 lid 1 B.W.) daarmee heeft een gecertificeerde instelling minder bevoegdheden dan een natuurlijk persoon met voogdij belast. De rechter kijkt bij het nemen van de beslissing of het kind buiten Nederland geplaatst mag worden of hij dit wenselijk vindt (art. 1:306 lid 2 B.W.). De rechter kan voor deze beslissing de Raad voor de kinderbescherming om raad vragen.

Voorlopige voogdij

Afdeling 6 van titel 14 van boek 1 B.W. (voogdij) is niet van toepassing op voorlopige voogdij als bedoeld in art. 1:241 B.W. (voorlopige voogdij op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, zie de pagina Raad voor de Kinderbescherming), art. 1:268 lid 2 B.W. (voorlopige voogdij bij schorsing van het ouderlijk gezag, zie de pagina Beëindiging ouderlijk gezag) en art. 1:331 lid 2 B.W. (schorsing van de voogdij, zie de pagina Beëindiging van de voogdij) aangezien de voogdij in die gevallen slechts van korte duur is (art. 1:306a B.W.).

Deze bepaling staat hier enigszins verdwaald. Je zou verwachten dat die bij de betreffende wettelijke regelingen opgenomen zou zijn.

Auteur & Last edit

[MdV, 1-04-2022; laatste bewerking KvdV 17-05-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.