LawyrupBurgerlijk wetboekPersonen en familierecht (Boek 1 B.W.)Gezag over minderjarige kinderen (Titel 14, Boek 1 B.W.)Ondertoezichtstelling van minderjarigen (Afd. 4, Titel 14, Boek 1 B.W.)

Ondertoezichtstelling van minderjarigen (Afd. 4, Titel 14, Boek 1 B.W.)

Inleiding ondertoezichtstelling van minderjarigen

In Afd. 4, Titel 14 van Boek 1 B.W. is de ondertoezichtstelling van minderjarigen geregeld. De Afdeling omvat 25 bepalingen (art. 1:254 B.W. tot en met art. 1:265k B.W.). Art. 1:262a B.W. is ingetrokken (Stb. 2014/442).

Op 1 januari 2015 is deze afdeling herzien voor een betere jeugdbescherming (Stb. 2014, 130). In de nieuwe wet staat het belang van het kind centraal, heeft de kinderrechter bij zijn beslissing tot ondertoezichtstelling verschillende taken gekregen en heeft de gecertificeerde instelling verschillende bevoegdheden en verplichtingen gekregen.

Gecertificeerde instelling voor jeugdreclassering

Waar in deze afdeling gesproken wordt over ‘gecertificeerde instelling’, wordt bedoeld een rechtspersoon die een certificaat bezit en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert (art. 1:254 B.W. jo. art. 1.1 Jeugdwet). Het certificaat wordt verleend door het Keurmerkinstituut, dat onder toezicht staat van de minister van Justitie en Veiligheid. In art. 3.4 Jeugdwet staat aan welke eisen en voorschriften de instelling moet voldoen.

Verzoek tot ondertoezichtstelling

Indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, kan de kinderrechter het kind onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling (art. 1:255 lid 1 B.W.). Daarnaast gelden nog twee cumulatieve eisen:

– De ouders accepteren de aangeboden zorg om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen niet of onvoldoende; en

– Er is een gerechtvaardigde verwachting dat de ouders binnen een voor het kind aanvaardbare termijn weer de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zullen dragen.

Het verzoek tot ondertoezichtstelling kan worden gedaan door de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie. Gaat de Raad niet tot indiening van het verzoek over, dan zijn de ouders samen, een ouder alleen en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt hiertoe bevoegd (art. 1:255 lid 2 B.W.). Ook de burgemeester kan een verzoek doen, zij het via de Raad. Dient de Raad hierna alsnog geen verzoek in, dan deelt hij dat mee aan het college van B&W. Hierop kan de burgemeester de Raad verzoeken de kinderrechter te vragen of het noodzakelijk is de minderjarige onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling. Binnen twee weken moet de Raad de kinderrechter vragen of ondertoezichtstelling moet volgen. Indien het antwoord bevestigend is, spreekt de kinderrechter de ondertoezichtstelling ambtshalve uit (art. 1:255 lid 3 B.W.).

In de beschikking tot ondertoezichtstelling vermeldt de kinderrechter waaruit de bedreiging concreet bestaat en hoe lang de ondertoezichtstelling zal duren (art. 1:255 lid 4 B.W.).

Ziet het verzoek tot ondertoezichtstelling niet op alle minderjarigen (broers/zussen) over wie de ouders het gezag uitoefenen, dan kan de kinderrechter ambtshalve of op verzoek van de Raad beslissen dat ook de andere minderjarigen onder toezicht worden gesteld als ook voor hen geldt dat sprake is van een bedreiging in de ontwikkeling (art. 1:255 lid 5 B.W.).

Ondertoezichtstelling minderjarige asielzoeker

Art. 1:256 lid 1 B.W. ziet op minderjarigen die wel onder gezag staan, maar die in een asielzoekerscentrum verblijven omdat zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning hebben gedaan. De kinderrechter kan deze minderjarigen onder toezicht stellen van een door de minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon. Hieraan kunnen voorwaarden worden verbonden of voorschriften gesteld worden (art. 1:256 lid 2 B.W.). De minister heeft in dit geval stichting Nidos aanvaard.

Op de ondertoezichtstelling van minderjarige vreemdelingen zijn de bepalingen uit deze afdeling (4) en uit afdeling 5 van overeenkomstige toepassing (art. 1:256 lid 3 B.W.). Ook is art. 1:326 B.W. van toepassing, wat betekent dat ook minderjarige vreemdelingen die onder voogdij staan onder toezicht kunnen worden gesteld.

Als de rechtspersoon wordt vervangen door de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de Raad voor de Kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, wordt een gecertificeerde instelling benoemd die een contract of een subsidierelatie heeft met de gemeente waar de minderjarige zijn woonplaats heeft. Als de rechtspersoon wordt vervangen omdat deze niet meer voldoet aan de eisen voor benoeming, doet de kinderrechter dit ambtshalve. Tenzij voortzetting van de taken door bedoelde rechtspersoon om reden van continuïteit noodzakelijk is (art. 1:256 lid 4 B.W.).

Voorlopige ondertoezichtstelling minderjarige

Als er een ernstig vermoeden bestaat van een ernstige en acute bedreiging in de ontwikkeling van een minderjarige, kan de kinderrechter het kind voorlopig onder toezicht stellen (art. 1:257 lid 1 B.W.). De bedreiging hoeft dus nog niet daadwerkelijk te worden aangetoond, er moet slechts sprake zijn van een ernstig vermoeden. Ook hierbij zijn het de Raad en het OM die het verzoek kunnen doen en kunnen de ouders samen, een ouder alleen en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt het verzoek doen indien de Raad en het OM dit niet doen. Het voorlopige toezicht duurt maximaal drie maanden en kan te allen tijde worden herroepen door de kinderrechter (art. 1:257 lid 2 B.W.).

Duur en verlenging van de ondertoezichtstelling van minderjarigen

De ondertoezichtstelling duurt in beginsel maximaal een jaar. De duur van de voorafgaande voorlopige ondertoezichtstelling wordt hiervan niet afgetrokken (art 1:258 B.W.). De kinderrechter kan de termijn op verzoek van de gecertificeerde instelling met toezicht steeds verlengen met hoogstens een jaar, indien telkens aan de eis van bedreiging in de ontwikkeling is voldaan (art. 1:260 lid 1 B.W.).

Indien de gecertificeerde instelling het verzoek niet doet, zijn de Raad voor de Kinderbescherming, een ouder, degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en het Openbaar Ministerie bevoegd tot het doen van het verzoek (art. 1:260 lid 2 B.W.).

Vervanging gecertificeerde instelling

De kinderrechter kan de gecertificeerde instelling vervangen door een andere gecertificeerde instelling (art. 1:259 B.W.). Dit gebeurt op verzoek van de gecertificeerde instelling, de Raad voor de Kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, indien het belang van het kind dit vereist.

Opheffing ondertoezichtstelling

Indien er niet langer sprake is van een bedreiging in de ontwikkeling van het kind, moet de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de ondertoezichtstelling opheffen (art. 1:261 lid 1 B.W.). De Raad voor de Kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder zijn bevoegd dit verzoek te doen indien de gecertificeerde instelling het niet doet (art. 1:261 lid 2 B.W.).

Inspanningen van de gecertificeerde instelling

De gecertificeerde instelling houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de ouders hulp en steun worden geboden zodat de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige binnen de duur van de ondertoezichtstelling worden weggenomen (art. 1:262 lid 1 B.W.). Hierbij zijn de inspanningen gericht op de verbetering van de gezagsrelatie tussen de ouders en het kind, door hen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te geven.

Met de ondertoezichtstelling wordt de opvoeding dus niet overgenomen, maar bewerkstelligt dat de ouders hier zelf sterker in worden. Wanneer een minderjarige qua ontwikkelingsniveau, bekwaamheid en behoefte zelfstandigheid verlangt, zijn de inspanningen daar mede op gericht (art. 1:262 lid 2 B.W.). Ook hier blijft het streven de terugkeer van de kinderen naar de ouders, maar dit is niet verplicht. In elk geval is het doel om de gezinsband te herstellen of te bevorderen (art. 1:262 lid 3 B.W.).

Beslechting geschillen uitvoering ondertoezichtstelling door de Kinderrechter

Geschillen over de uitvoering van de ondertoezichtstelling (OTS) kunnen aan de kinderrechter worden voorgelegd (art. 1:262b B.W.).. Zo’n verzoek kan gedaan worden door:

– een met het gezag belaste ouder,
– de minderjarige van twaalf jaar of ouder,
– de gecertificeerde instelling (GI),
– degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of
– de zorgaanbieder of
– de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst

De kinderrechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Hij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.

Van deze mogelijkheid zijn uitgezonderd geschillen over gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet. Dit betreft klachten over de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling.

Aanwijzingen door de Gecertificeerde Instelling (GI)

De gecertificeerde instelling kan ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3 lid 1 Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen (art. 1:263 lid 1 B.W.).

De met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige moeten een schriftelijke aanwijzing opvolgen (lid 2).

De gecertificeerde instelling kan de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Tegelijkertijd kan een door de wet toegelaten dwangmiddel worden verzocht bij niet nakoming van deze aanwijzing tenzij het belang van het kind zich tegen oplegging daarvan verzet (lid 3).

Vervallen laten verklaren schriftelijke aanwijzing van de Gecertificeerde Instelling

Op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder kan de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt (art. 1:264 lid 1 B.W.). De aanwijzing moet worden bijgevoegd (lid 2).

De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt (lid 3). Bij te late indiening is het verzoek niet-ontvankelijk, tenzij de verzoeker ‘redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest’ (lid 4).

Intrekking aanwijzing door Gecertificeerde Instelling

Op verzoek van degene aan wie de aanwijzing is gericht, kan de gecertificeerde instelling een schriftelijke aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden geheel of gedeeltelijk intrekken (art. 1:265 lid 1 B.W.).

De gecertificeerde instelling geeft haar beslissing schriftelijk en binnen twee weken na ontvangst van het verzoek (lid 2). De procesgang is verder conform art. 1:264 B.W. (lid 3).

Fictieve weigering (lid 4): niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de gecertificeerde instelling staat gelijk met afwijzing van het verzoek. De termijn voor het indienen van het verzoek aan de kinderrechter loopt in dat geval door zolang de gecertificeerde instelling niet heeft beslist en eindigt, indien de gecertificeerde instelling alsnog beslist, na verloop van twee weken te rekenen met ingang van de dag waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.

Machtiging uithuisplaatsing minderjarige

Plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin geschiedt uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265a B.W.).

Verzoek gecertificeerde instelling tot uithuisplaatsing minderjarige

Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen (art. 1:265b lid 1 B.W.).

De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of op verzoek van het openbaar ministerie (lid 2).

Een voorbeeld van een procedure over uithuisplaatsing op verzoek van de ‘GI’ van een meisje, omdat de vader de omgang met de moeder saboteerde (‘ouderverstoting’), biedt Rb. Zeeland-West-Brabant 17 maart 2022 (uithuisplaatsing op verzoek van Stichting Jeugdbescherming Brabant). Dit is een voor alle betrokkenen – maar vooral voor de minderjarige – een ingrijpende maatregel. In casu werd zij in een instelling geplaatst in Twente, ver van haar eigen sociale en familiale omgeving. De vader had een eerdere ‘aanwijzing’ van de GI ex art. 1:263 lid 1 B.W. niet opgevolgd, stellende dat hem dit niet lukte omdat zijn dochter niet wilde meewerken. De Kinderrechter overweegt hierover:

“De vader neemt daarmee niet de verantwoordelijkheid die van hem als ouder met gezag verwacht mag worden en laat het voorts na hierin de samenwerking met de hulpverlening en de GI op te zoeken. Het belang van een onbelast contact tussen de dochter en haar beide ouders lijkt de vader, ondanks de hulpverlening die hem is geboden, niet in te kunnen en willen zien.”

In afwijking van de standaard periode (zie hierna art. 1:265c B.W.) wijst de Kinderrechter in dit geval het verzoek voor een kortere duur toe, met de instructie dat de gecertificeerde instelling op korte termijn verslag moet uitbrengen.

Duur uithuisplaatsing maximaal een jaar; verlenging mogelijk

De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing is, behoudens verlenging als bedoeld in het tweede lid, ten hoogste een jaar. Indien een minderjarige voorlopig onder toezicht is gesteld en gelijktijdig een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend, komt de duur hiervan niet in mindering op de termijn van ten hoogste een jaar (art. 1:265c lid 1 B.W.).

Op verzoek van de gecertificeerde instelling kan de kinderrechter de duur telkens met ten hoogste een jaar verlengen. Indien de gecertificeerde instelling niet overgaat tot een verzoek, kan verlenging plaatsvinden op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie (lid 2).

Een machtiging vervalt indien deze na verloop van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd (lid 3).

Beëindiging uithuisplaatsing

Een uithuisplaatsing kan door de gecertificeerde instelling worden beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot het verrichten van het onderzoek, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 B.W. en het belang van de minderjarige zich tegen beëindiging niet verzet (art. 1:265d lid 1 B.W.).

De met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder of een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt kunnen op grond van  art. 1:265d lid 2 B.W. wegens gewijzigde omstandigheden de gecertificeerde instelling verzoeken:

– de uithuisplaatsing te beëindigen;
– de duur ervan te bekorten;
– af  te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige, tenzij de toestemming reeds met toepassing van artikel 1:265i B.W. is verleend.

De  gecertificeerde instelling geeft een schriftelijke beslissing binnen twee weken na ontvangst van het verzoek (lid 3).

Zij kunnen dit verzoek ook doen aan de Kinderrechter (lid 4). De procesgang is dan conform art. 1:264 B.W. en art. 1:265 lid 4 B.W..

Auteur & Last edit

[AvB, 27-10-2021; laatste bewerking MdV 30-03-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.