Pagina inhoud

    Echtscheiding (Afd. 2, Titel 9, Boek 1 B.W.)

    Inleiding echtscheiding

    In Afd. 2, Titel 9 van Boek 1 B.W. is de echtscheidingsprocedure geregeld. De afdeling omvat effectief 15 bepalingen (art. 1:150 B.W. tot en met art. 1:166 B.W.). Art. 1:152 B.W. is vervallen in 1993 en art. 1:167 B.W. in 1982. Art. 1:162 B.W. tot en met art. 1:162a B.W. inzake de omgangsregeling zijn per 2 november 1995 vervallen. Deze regeling staat nu in Titel 14 en Titel 15 van Boek 1 B.W..

    Verzoekschrift tot echtscheiding

    Echtscheiding tussen echtgenoten die niet van tafel en bed gescheiden zijn, kan door een van hen of door hen gemeenschappelijk worden verzocht (art. 1:150 B.W.). Een advocaat dient het verzoekschrift in bij de rechtbank. Indien de echtgenoten kinderen hebben, moet er in het verzoekschrift een ouderschapsplan opgenomen zijn (Stb. 2008, 500).

    Het procesrecht inzake echtscheidingen wordt geregeld in art. 815 e.v. Rv. (Par. 1, Afd. 2, Titel 6 van Boek III Rv.). De nevenvoorzieningen zijn geregeld in Par. 3 en voorlopige voorzieningen in Par. 2. Zie ook de pagina Rechtspleging in scheidingszaken.

    Voor echtgenoten die wel van tafel en bed gescheiden zijn geldt  art. 1:179 B.W.. De regeling geldt ook voor geregistreerd partnerschap (art. 1:80e lid 1 B.W.). Zie voor geregistreerd partnerschap art. 828 Rv..

    Grond voor echtscheiding: duurzame ontwrichting

    Het huwelijk wordt uitgesproken op verzoek van een echtgenoot indien deze duurzaam ontwricht is (art. 1:151 B.W.). In de Memorie van Toelichting is uiteengezet wanneer sprake is van duurzame ontwrichting (Kamerstukken II, 10213, 3, p. 14-16 en Kamerstukken II 1970/71, 10213, MvA II, nr. 6, p. 3 e.v.). Daarbij maakt het niet uit hoe de ontwrichting is ontstaan, maar slechts dát de ontwrichte toestand bestaat. Ook maakt het niet uit aan wie de ontwrichte toestand te wijten is. Tot 1993 werd een echtscheidingsverzoek afgewezen als de ontwrichting aan de verzoekende echtgenoot te wijten was (art. 1:152 (oud) B.W.. Die regel geldt dus niet meer.

    Van ‘duurzame’ ontwrichting kan pas worden gesproken indien de echtscheidingsprocedure een jaar duurt. Het huwelijk is ontwricht indien de samenleving ondraaglijk is geworden en er geen uitzicht op herstel is, bijvoorbeeld wanneer echtgenoten al een lange tijd gescheiden wonen. Ook kan een geestelijke stoornis bij een echtgenoot grond zijn voor een duurzame ontwrichting. Als de geestelijke stoornis er echter toe leidt dat de verzoekende echtgenoot zijn wil tot echtscheiding niet kenbaar kan maken, is zijn (of haar) verzoek niet ontvankelijk. Staat de echtgenoot jegens wie de echtscheiding gevraagd wordt onder curatele, dan moet het verzoek worden gericht aan diens (c.q. haar) curator.

    Stellen en bewijzen duurzame ontwrichting

    De verzoekende echtgenoot moet stellen, en bij ontkenning van diens echtgenoot bewijzen, dat er sprake is van een duurzame ontwrichting. Geen bewijs is nodig als de echtgenoten gezamenlijk de echtscheiding verzoeken en zij beide van mening zijn dat het huwelijk duurzaam is ontwricht (art. 1:154 lid 1 B.W.). De rechter moet dan de scheiding uitspreken. Tot deze uitspraak kan een echtgenoot het verzoek intrekken, waarna de andere echtgenoot zelf het verzoek ex art. 1:151 B.W. kan indienen (art. 1:154 lid 2 B.W.).

    Religieuze overtuiging staat niet in de weg aan echtscheiding

    De Hoge Raad heeft in het arrest HR 9 december 2005 (verweer vrouw tegen echtscheiding wegens religieuze overtuiging) het verweer van de vrouw dat het huwelijk niet kan worden ontbonden op grond van haar godsdienstige overtuiging van de hand gewezen. De vrouw voerde aan dat het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen inbreuk maakt op de door art. 8 EVRM, art. 17 IVBPR en art. 10 Grondwet gegarandeerde bescherming van het privé- en gezinsleven van de vrouw, alsmede op de door art. 9 EVRM en art. 18 IVBPR gegarandeerde vrijheid van godsdienst van de vrouw. De Hoge Raad deed de cassatieklacht af zonder toelichting (art. 81 RO). Opvallend was overigens dat de man twee keer een echtscheidingsverzoek moest doen, omdat de eerste echtscheiding – die ook tot aan de Hoge Raad was opgelopen – te laat voor inschrijving bij de Burgerlijke stand werd aangeboden.

    De P-G schreef in diens conclusie het volgende:

    “10. Het middel faalt. Het hof heeft – onbestreden in cassatie – vastgesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Bij deze stand van zaken is juist het oordeel van het hof dat de geloofsovertuiging van de vrouw niet in weg staat aan het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen. Vgl. HR 12 juli 2002, NJ 2002, 541. Zie ook HR 21 januari 2005, JOL 2005, 26 (art. 81 RO) en HR 25 maart 2005, JOL 2005, 178 (art. 81 RO). Evenzeer juist is het oordeel van het hof dat de vrouw in haar door art. 8 EVRM, art. 17 IVBPR en art. 10 Gw gegarandeerde recht op bescherming van het privé- en gezinsleven, noch in haar door art. 9 EVRM en art. 18 IVPBR beschermde vrijheid van godsdienst door het uitspreken van de echtscheiding wordt tekort gedaan. Vgl. de reeds genoemde, in de eerder door partijen gevoerde echtscheidingsprocedure door de Hoge Raad gegeven beschikking van 27 juni 2003, JOL 2003, 351 (art. 81 RO) en de conclusie voor deze beschikking onder 12 t/m 14.”

    Sterker nog, de wetgever heeft met de Wet tegengaan huwelijkse gevangenschap bij echtscheiding zelfs de verplichting ingevoerd om mee te werken aan de ontbinding van een religieus huwelijk. Zie het blog Wet tegengaan huwelijkse gevangenschap. Zie verder art. 827 lid 1 aanhef en sub e Rv..

    Pensioen en echtscheiding

    De echtgenoot die door de echtscheiding ernstig in zijn vooruitzichten op uitkeringen (nabestaandenpensioen) zou worden getroffen, kan verweer voeren tegen het echtscheidingsverzoek. Deze voorziening kan bij het eindvonnis van het echtscheidingsvonnis worden uitgesproken, maar het verweer kan ook in hoger beroep naar voren worden gebracht, mits de echtgenoot die het verweer voert niet zelf de echtscheiding heeft verzocht (zie Gerechtshof Leeuwarden 8 juli 2010 (pensioenverweer echtscheiding) , r.o. 11).

    Het verzoek wordt dan niet eerder toegewezen dan voordat hieromtrent een voor beide echtgenoten billijke voorziening is getroffen (art. 1:153 lid 1 B.W.). Een dergelijke voorziening is doorgaans billijk indien de echtgenoot daarmee in zijn/haar levensonderhoud kan voorzien.

    Verweer is niet mogelijk indien die echtgenoot zelf een voorziening kan treffen of voldoende financiële middelen heeft, waardoor een voorziening niet billijk is. Ook gaat het eerste lid niet op als die duurzame ontwrichting te wijten is aan de echtgenoot tegen wie het verzoek is gericht (art. 1:153 lid 2 B.W.).

    Tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken maken deel uit van de echtelijke boedel (tenzij bij huwelijkse voorwaarden anders is bepaald). De waarde van deze pensioenrechten moet, ook na echtscheiding, worden verdeeld (art. 1:155 B.W.). Dit wordt geregeld overeenkomstig de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS).

    Het ligt in de bedoeling van de wetgever om de WVPS te vervangen door een nieuwe regeling, de Wet pensioenverdeling bij scheiding 2021 (WPS). Zie Kamerdossier 35.287 (wetsvoorstel en MvT). De beoogde invoeringsdatum was per 1 juli 2022, maar de wetgever heeft besloten de invoering af te laten hangen van de wijziging van de Pensioenwet (PW). De Wet Toekomst pensioenen is inmiddels aangenomen (zie bericht op de website van de overheid). De invoering zal echter plaatsvinden in fasen. Daardoor kan het nog wel tot 2028 duren voordat de WPS in werking zal treden. Deze wet zal alsdan alleen gelden voor scheidingen van op of na die datum. De wijziging houdt in, dat pensioenuitvoerders automatisch – zodra de echtscheiding is ingeschreven – tot splitsing van het pensioen over moeten gaan en de betrokkenen daarvan in kennis stellen. Nu doen pensioenfondsen dit niet vanzelf: het is aan de echtgenoten om de echtscheiding te melden. Zie ook de Kroniek pensioenrecht 2022 van mr. FMH Hoens en Prof. mr. drs. M. Heemskerk EPP CFP in WPNR sept. 2023.

    Alimentatie na echtscheiding

    Art. 1:156 B.W. ziet op uitkeringen tot levensonderhoud, oftewel: alimentatie. De bepaling is op 18 juni 2019 gewijzigd en is alleen van toepassing op alimentatie die op of na 1 januari 2020 is vastgesteld (Stb. 2019, 283). Indien bij een scheiding een echtgenoot onvoldoende inkomsten heeft voor zijn levensonderhoud en dit ook niet in redelijkheid kan verwerven, dan kan de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak alimentatie toekennen. Alle inkomsten en de noodzakelijke uitgaven worden meegewogen om de hoogte van de uitkering vast te stellen. Ook kan rekening worden gehouden met het geval dat de tot uitkering verplichte echtgenoot komt te overlijden (art. 1:156 lid 2 B.W.). De alimentatie stopt dan namelijk. De rechter kan voorzien in een regeling om dan toch aan de behoefte tot levensonderhoud te voldoen.

    Termijn (duur) alimentatie na echtscheiding – hoofdregel en uitzonderingen

    Echtgenoten kunnen de rechter voorts verzoeken de uitkering toe te kennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn (art. 1:156 lid 3 B.W.). Deze termijn kan niet later eindigen dan de wettelijke maximumtermijn. De wettelijke maximumtermijn tot wanneer de echtgenoot verplicht is alimentatie te betalen is gelijk aan de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van vijf jaar (art. 1:157 lid 1 B.W.). Bij alimentaties die vóór 1 januari 2020 zijn vastgesteld blijft de maximumtermijn 12 jaar. Een uitzondering geldt voor huwelijken die langer dan vijftien jaar hebben geduurd en waarvan de leeftijd van de alimentatiegerechtigde hoogstens tien jaar lager ligt dan de wettelijke AOW-leeftijd (art. 1:157 lid 2 B.W.). De alimentatieverplichting kan dan dus langer duren dan vijf jaar, maar nooit langer dan tien jaar. Ligt de leeftijd van de alimentatiegerechtigde meer dan tien jaar van de wettelijke AOW-leeftijd af, maar ligt diens geboortedatum op of vóór 1 januari 1970, dan heeft diegene recht op tien jaar alimentatie (art. 1:157 lid 3 B.W.).

    Zijn uit het huwelijk kinderen geboren, en heeft de alimentatiegerechtigde de zorg over die kinderen, dan eindigt de termijn niet eerder dan dat die kinderen de leeftijd van twaalf hebben bereikt (art. 1:157 lid 4 B.W.).

    Doet zich een samenloop van omstandigheden van lid 1 t/m lid 4 voor, dan geldt de langste termijn (art. 1:157 lid 5 B.W.). De termijn voor alimentatieverplichting begint te lopen op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (art. 1:157 lid 6 B.W.). Na deze termijn loopt de alimentatie van rechtswege af. Het kan voorkomen dat deze beëindiging van de uitkering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd van de alimentatiegerechtigde. Hij of zij kan de rechter dan verzoeken de termijn te verlengen. Dit moet hij doen drie maanden voordat de termijn is verstreken (1:157 lid 7 B.W.).

    Overeenkomst alimentatie na echtscheiding

    Echtgenoten kunnen ook zelf afspraken maken omtrent alimentatie (art. 1:158 B.W.). Zij kunnen er bij echtscheidingsconvenant van afzien (nihilbeding), of bepalen dat er alimentatie zal worden bepaald en hoeveel. Ook kan er een termijn worden afgesproken. In het geval er geen termijn is afgesproken, gelden de regels van art. 1:157 lid 1 t/m 5 en lid 7 B.W.

    Hierbij kan (slechts schriftelijk) worden bedongen dat een dergelijke alimentatieovereenkomst niet door de rechter kan worden gewijzigd bij gewijzigde omstandigheden (art. 1:159 lid 1 B.W.). Wijziging kan door een van de echtgenoten alsnog worden verzocht, als op grond van een ingrijpende wijziging van omstandigheden de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding gehouden mag worden (art. 1:159 lid 3 B.W.). Het beding vervalt ook wanneer de alimentatieovereenkomst is ingediend vóórdat het verzoek tot echtscheiding is ingediend, tenzij het verzoek tot echtscheiding drie maanden na de overeenkomst alsnog is ingediend (art. 1:159 lid 2 B.W.).

    Bijstandsverhaal op alimentatieplichtige

    Als echtgenoten in hun alimentatieovereenkomst hebben afgesproken geen alimentatie verschuldigd te zijn (een nihilbeding zijn overeengekomen), maar de ene ex-echtgenoot vraagt een bijstandsuitkering aan bij de gemeente, dan kan de gemeente deze bijstand verhalen op de andere ex-echtgenoot. De gemeente is daarbij niet gebonden aan het nihilbeding. Met andere woorden: de alimentatieovereenkomst staat niet in de weg aan bijstandsverhaal en de vaststelling van het te verhalen bedrag (art. 1:159a B.W.).

    Einde alimentatieverplichting na echtscheiding

    De verplichting tot het betalen van alimentatie kan ook eerder eindigen dan na afloop van de termijn. De verplichting eindigt wanneer de alimentatiegerechtigde hertrouwt, een nieuw geregistreerd partnerschap aangaat of is gaan samenleven met een ander ‘als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren’ (art. 1:160 B.W.). Hierbij geldt dat moet blijken dat de samenlevenden elkaar verzorgen, dat zij een gemeenschappelijke huishouding voeren en samenwonen (zie HR 25 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1557).

    Gezag en de omgang met minderjarige kinderen bij echtscheiding

    De wettelijke regeling inzake gezag en omgang met minderjarige kinderen is geregeld in Titel 14 en Titel 15 van Boek 1 B.W.. De artikelen 1:161 B.W. t/m 1:162a B.W. zijn per 2 november 1995 vervallen. Deze regelden het gezag en de omgang met minderjarige kinderen na scheiding (Stb. 1995, 240).

    Zie de pagina Gezag over minderjarige kinderen (Titel 14) en de pagina Omgang en informatie minderjarige kinderen (Titel 15).

    Inschrijving van de echtscheiding

    De echtscheiding komt pas tot stand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (die in kracht van gewijsde moet zijn gegaan) in de registers van de burgerlijke stand (art. 1:163 lid 1 B.W.). Inschrijving geschiedt op verzoek van beide partijen of één van hen (art. 1:163 lid 2 B.W.). Tussen de beschikking en de inschrijving mag niet meer dan zes maanden liggen, anders verliest deze haar kracht (art. 1:163 lid 3 B.W.).

    Benadeling van de gemeenschap bij echtscheiding

    Bestaat er tussen echtgenoten een gemeenschap van goederen, en is één van hen benadeeld door de ander in de periode van zes maanden voor de aanvang van het echtscheidingsgeding tot aan de verdeling van de gemeenschap, dan moet hij de gemaakte schade vergoeden op het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (art. 1:164 lid 1 B.W.). De benadeling kan bestaan uit het maken van schulden, het verspillen van gemeenschapsgoederen of het verrichten van rechtshandelingen zonder de vereiste toestemming (overeenkomstig art. 1:88 B.W.). De vordering tot schadevergoeding moet binnen drie jaar na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking worden ingesteld (art. 1:164 lid 2 B.W.).

    Echtelijke woning en echtscheiding

    Een echtgenoot die in een woning woont die uitsluitend of deels aan de andere echtgenoot toebehoort, kan de rechter verzoeken bij echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak te bepalen dat hij daar zes maanden mag blijven wonen (art. 1:165 lid 1 B.W.). Wel zal hier een redelijke vergoeding tegenover moeten staan. Deze vergoeding stelt de rechter vast en kan bestaan uit een percentage van de overwaarde, de huurwaarde of de woonlasten.

    De andere echtgenoot kan zonder toestemming van de echtgenoot die bevoegd is in de woning te blijven geen rechtshandelingen verrichten die deze bevoegdheid benadelen (art. 1:165 lid 2 B.W.). Zo kan hij geen goederen die tot de woning behoren vervreemden of de huur opzeggen. Gaat het echter niet om nadelige rechtshandelingen, maar weigert de echtgenoot de toestemming zonder goede reden of is hij niet in staat zijn wil kenbaar te maken, dan kan de rechter bepalen dat de rechtshandeling alsnog verricht kan worden (art. 1:165 lid 3 B.W.).

    Hertrouwen gescheiden partners met elkaar

    Als de ex-echtgenoten hertrouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan, dan herleven alle gevolgen van rechtswege alsof er geen echtscheiding is geweest. De geldigheid van rechtshandelingen die zijn verricht tussen de ontbinding van het huwelijk en het nieuwe huwelijk worden door de rechter beoordeeld naar het tijdstip van die handeling (art. 1:166 B.W.).

    Hoorrecht van minderjarigen bij echtscheiding

    Tot 5 juli 1982 bepaalde art. 1:167 B.W. dat kinderen vanaf twaalf jaar gelegenheid moesten kunnen krijgen om gehoord te worden in procedures die hen aan gingen, zoals echtscheidingsprocedures (Stb. 1982, 315). Tegenwoordig is dit hoorrecht te vinden in art. 827 lid 2 Rv. jo. art. 809 lid 1 Rv..

    Auteur & Last edit

    [AvB, 23-06-2021; laatste bewerking MdV 9-11-2023]

    Echtscheiding (Afd. 2, Titel 9, Boek 1 B.W.)

    Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

    Pagina inhoud

      Echtscheiding (Afd. 2, Titel 9, Boek 1 B.W.)

      Inleiding echtscheiding

      In Afd. 2, Titel 9 van Boek 1 B.W. is de echtscheidingsprocedure geregeld. De afdeling omvat effectief 15 bepalingen (art. 1:150 B.W. tot en met art. 1:166 B.W.). Art. 1:152 B.W. is vervallen in 1993 en art. 1:167 B.W. in 1982. Art. 1:162 B.W. tot en met art. 1:162a B.W. inzake de omgangsregeling zijn per 2 november 1995 vervallen. Deze regeling staat nu in Titel 14 en Titel 15 van Boek 1 B.W..

      Verzoekschrift tot echtscheiding

      Echtscheiding tussen echtgenoten die niet van tafel en bed gescheiden zijn, kan door een van hen of door hen gemeenschappelijk worden verzocht (art. 1:150 B.W.). Een advocaat dient het verzoekschrift in bij de rechtbank. Indien de echtgenoten kinderen hebben, moet er in het verzoekschrift een ouderschapsplan opgenomen zijn (Stb. 2008, 500).

      Het procesrecht inzake echtscheidingen wordt geregeld in art. 815 e.v. Rv. (Par. 1, Afd. 2, Titel 6 van Boek III Rv.). De nevenvoorzieningen zijn geregeld in Par. 3 en voorlopige voorzieningen in Par. 2. Zie ook de pagina Rechtspleging in scheidingszaken.

      Voor echtgenoten die wel van tafel en bed gescheiden zijn geldt  art. 1:179 B.W.. De regeling geldt ook voor geregistreerd partnerschap (art. 1:80e lid 1 B.W.). Zie voor geregistreerd partnerschap art. 828 Rv..

      Grond voor echtscheiding: duurzame ontwrichting

      Het huwelijk wordt uitgesproken op verzoek van een echtgenoot indien deze duurzaam ontwricht is (art. 1:151 B.W.). In de Memorie van Toelichting is uiteengezet wanneer sprake is van duurzame ontwrichting (Kamerstukken II, 10213, 3, p. 14-16 en Kamerstukken II 1970/71, 10213, MvA II, nr. 6, p. 3 e.v.). Daarbij maakt het niet uit hoe de ontwrichting is ontstaan, maar slechts dát de ontwrichte toestand bestaat. Ook maakt het niet uit aan wie de ontwrichte toestand te wijten is. Tot 1993 werd een echtscheidingsverzoek afgewezen als de ontwrichting aan de verzoekende echtgenoot te wijten was (art. 1:152 (oud) B.W.. Die regel geldt dus niet meer.

      Van ‘duurzame’ ontwrichting kan pas worden gesproken indien de echtscheidingsprocedure een jaar duurt. Het huwelijk is ontwricht indien de samenleving ondraaglijk is geworden en er geen uitzicht op herstel is, bijvoorbeeld wanneer echtgenoten al een lange tijd gescheiden wonen. Ook kan een geestelijke stoornis bij een echtgenoot grond zijn voor een duurzame ontwrichting. Als de geestelijke stoornis er echter toe leidt dat de verzoekende echtgenoot zijn wil tot echtscheiding niet kenbaar kan maken, is zijn (of haar) verzoek niet ontvankelijk. Staat de echtgenoot jegens wie de echtscheiding gevraagd wordt onder curatele, dan moet het verzoek worden gericht aan diens (c.q. haar) curator.

      Stellen en bewijzen duurzame ontwrichting

      De verzoekende echtgenoot moet stellen, en bij ontkenning van diens echtgenoot bewijzen, dat er sprake is van een duurzame ontwrichting. Geen bewijs is nodig als de echtgenoten gezamenlijk de echtscheiding verzoeken en zij beide van mening zijn dat het huwelijk duurzaam is ontwricht (art. 1:154 lid 1 B.W.). De rechter moet dan de scheiding uitspreken. Tot deze uitspraak kan een echtgenoot het verzoek intrekken, waarna de andere echtgenoot zelf het verzoek ex art. 1:151 B.W. kan indienen (art. 1:154 lid 2 B.W.).

      Religieuze overtuiging staat niet in de weg aan echtscheiding

      De Hoge Raad heeft in het arrest HR 9 december 2005 (verweer vrouw tegen echtscheiding wegens religieuze overtuiging) het verweer van de vrouw dat het huwelijk niet kan worden ontbonden op grond van haar godsdienstige overtuiging van de hand gewezen. De vrouw voerde aan dat het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen inbreuk maakt op de door art. 8 EVRM, art. 17 IVBPR en art. 10 Grondwet gegarandeerde bescherming van het privé- en gezinsleven van de vrouw, alsmede op de door art. 9 EVRM en art. 18 IVBPR gegarandeerde vrijheid van godsdienst van de vrouw. De Hoge Raad deed de cassatieklacht af zonder toelichting (art. 81 RO). Opvallend was overigens dat de man twee keer een echtscheidingsverzoek moest doen, omdat de eerste echtscheiding – die ook tot aan de Hoge Raad was opgelopen – te laat voor inschrijving bij de Burgerlijke stand werd aangeboden.

      De P-G schreef in diens conclusie het volgende:

      “10. Het middel faalt. Het hof heeft – onbestreden in cassatie – vastgesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Bij deze stand van zaken is juist het oordeel van het hof dat de geloofsovertuiging van de vrouw niet in weg staat aan het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen. Vgl. HR 12 juli 2002, NJ 2002, 541. Zie ook HR 21 januari 2005, JOL 2005, 26 (art. 81 RO) en HR 25 maart 2005, JOL 2005, 178 (art. 81 RO). Evenzeer juist is het oordeel van het hof dat de vrouw in haar door art. 8 EVRM, art. 17 IVBPR en art. 10 Gw gegarandeerde recht op bescherming van het privé- en gezinsleven, noch in haar door art. 9 EVRM en art. 18 IVPBR beschermde vrijheid van godsdienst door het uitspreken van de echtscheiding wordt tekort gedaan. Vgl. de reeds genoemde, in de eerder door partijen gevoerde echtscheidingsprocedure door de Hoge Raad gegeven beschikking van 27 juni 2003, JOL 2003, 351 (art. 81 RO) en de conclusie voor deze beschikking onder 12 t/m 14.”

      Sterker nog, de wetgever heeft met de Wet tegengaan huwelijkse gevangenschap bij echtscheiding zelfs de verplichting ingevoerd om mee te werken aan de ontbinding van een religieus huwelijk. Zie het blog Wet tegengaan huwelijkse gevangenschap. Zie verder art. 827 lid 1 aanhef en sub e Rv..

      Pensioen en echtscheiding

      De echtgenoot die door de echtscheiding ernstig in zijn vooruitzichten op uitkeringen (nabestaandenpensioen) zou worden getroffen, kan verweer voeren tegen het echtscheidingsverzoek. Deze voorziening kan bij het eindvonnis van het echtscheidingsvonnis worden uitgesproken, maar het verweer kan ook in hoger beroep naar voren worden gebracht, mits de echtgenoot die het verweer voert niet zelf de echtscheiding heeft verzocht (zie Gerechtshof Leeuwarden 8 juli 2010 (pensioenverweer echtscheiding) , r.o. 11).

      Het verzoek wordt dan niet eerder toegewezen dan voordat hieromtrent een voor beide echtgenoten billijke voorziening is getroffen (art. 1:153 lid 1 B.W.). Een dergelijke voorziening is doorgaans billijk indien de echtgenoot daarmee in zijn/haar levensonderhoud kan voorzien.

      Verweer is niet mogelijk indien die echtgenoot zelf een voorziening kan treffen of voldoende financiële middelen heeft, waardoor een voorziening niet billijk is. Ook gaat het eerste lid niet op als die duurzame ontwrichting te wijten is aan de echtgenoot tegen wie het verzoek is gericht (art. 1:153 lid 2 B.W.).

      Tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken maken deel uit van de echtelijke boedel (tenzij bij huwelijkse voorwaarden anders is bepaald). De waarde van deze pensioenrechten moet, ook na echtscheiding, worden verdeeld (art. 1:155 B.W.). Dit wordt geregeld overeenkomstig de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS).

      Het ligt in de bedoeling van de wetgever om de WVPS te vervangen door een nieuwe regeling, de Wet pensioenverdeling bij scheiding 2021 (WPS). Zie Kamerdossier 35.287 (wetsvoorstel en MvT). De beoogde invoeringsdatum was per 1 juli 2022, maar de wetgever heeft besloten de invoering af te laten hangen van de wijziging van de Pensioenwet (PW). De Wet Toekomst pensioenen is inmiddels aangenomen (zie bericht op de website van de overheid). De invoering zal echter plaatsvinden in fasen. Daardoor kan het nog wel tot 2028 duren voordat de WPS in werking zal treden. Deze wet zal alsdan alleen gelden voor scheidingen van op of na die datum. De wijziging houdt in, dat pensioenuitvoerders automatisch – zodra de echtscheiding is ingeschreven – tot splitsing van het pensioen over moeten gaan en de betrokkenen daarvan in kennis stellen. Nu doen pensioenfondsen dit niet vanzelf: het is aan de echtgenoten om de echtscheiding te melden. Zie ook de Kroniek pensioenrecht 2022 van mr. FMH Hoens en Prof. mr. drs. M. Heemskerk EPP CFP in WPNR sept. 2023.

      Alimentatie na echtscheiding

      Art. 1:156 B.W. ziet op uitkeringen tot levensonderhoud, oftewel: alimentatie. De bepaling is op 18 juni 2019 gewijzigd en is alleen van toepassing op alimentatie die op of na 1 januari 2020 is vastgesteld (Stb. 2019, 283). Indien bij een scheiding een echtgenoot onvoldoende inkomsten heeft voor zijn levensonderhoud en dit ook niet in redelijkheid kan verwerven, dan kan de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak alimentatie toekennen. Alle inkomsten en de noodzakelijke uitgaven worden meegewogen om de hoogte van de uitkering vast te stellen. Ook kan rekening worden gehouden met het geval dat de tot uitkering verplichte echtgenoot komt te overlijden (art. 1:156 lid 2 B.W.). De alimentatie stopt dan namelijk. De rechter kan voorzien in een regeling om dan toch aan de behoefte tot levensonderhoud te voldoen.

      Termijn (duur) alimentatie na echtscheiding – hoofdregel en uitzonderingen

      Echtgenoten kunnen de rechter voorts verzoeken de uitkering toe te kennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn (art. 1:156 lid 3 B.W.). Deze termijn kan niet later eindigen dan de wettelijke maximumtermijn. De wettelijke maximumtermijn tot wanneer de echtgenoot verplicht is alimentatie te betalen is gelijk aan de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van vijf jaar (art. 1:157 lid 1 B.W.). Bij alimentaties die vóór 1 januari 2020 zijn vastgesteld blijft de maximumtermijn 12 jaar. Een uitzondering geldt voor huwelijken die langer dan vijftien jaar hebben geduurd en waarvan de leeftijd van de alimentatiegerechtigde hoogstens tien jaar lager ligt dan de wettelijke AOW-leeftijd (art. 1:157 lid 2 B.W.). De alimentatieverplichting kan dan dus langer duren dan vijf jaar, maar nooit langer dan tien jaar. Ligt de leeftijd van de alimentatiegerechtigde meer dan tien jaar van de wettelijke AOW-leeftijd af, maar ligt diens geboortedatum op of vóór 1 januari 1970, dan heeft diegene recht op tien jaar alimentatie (art. 1:157 lid 3 B.W.).

      Zijn uit het huwelijk kinderen geboren, en heeft de alimentatiegerechtigde de zorg over die kinderen, dan eindigt de termijn niet eerder dan dat die kinderen de leeftijd van twaalf hebben bereikt (art. 1:157 lid 4 B.W.).

      Doet zich een samenloop van omstandigheden van lid 1 t/m lid 4 voor, dan geldt de langste termijn (art. 1:157 lid 5 B.W.). De termijn voor alimentatieverplichting begint te lopen op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (art. 1:157 lid 6 B.W.). Na deze termijn loopt de alimentatie van rechtswege af. Het kan voorkomen dat deze beëindiging van de uitkering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd van de alimentatiegerechtigde. Hij of zij kan de rechter dan verzoeken de termijn te verlengen. Dit moet hij doen drie maanden voordat de termijn is verstreken (1:157 lid 7 B.W.).

      Overeenkomst alimentatie na echtscheiding

      Echtgenoten kunnen ook zelf afspraken maken omtrent alimentatie (art. 1:158 B.W.). Zij kunnen er bij echtscheidingsconvenant van afzien (nihilbeding), of bepalen dat er alimentatie zal worden bepaald en hoeveel. Ook kan er een termijn worden afgesproken. In het geval er geen termijn is afgesproken, gelden de regels van art. 1:157 lid 1 t/m 5 en lid 7 B.W.

      Hierbij kan (slechts schriftelijk) worden bedongen dat een dergelijke alimentatieovereenkomst niet door de rechter kan worden gewijzigd bij gewijzigde omstandigheden (art. 1:159 lid 1 B.W.). Wijziging kan door een van de echtgenoten alsnog worden verzocht, als op grond van een ingrijpende wijziging van omstandigheden de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding gehouden mag worden (art. 1:159 lid 3 B.W.). Het beding vervalt ook wanneer de alimentatieovereenkomst is ingediend vóórdat het verzoek tot echtscheiding is ingediend, tenzij het verzoek tot echtscheiding drie maanden na de overeenkomst alsnog is ingediend (art. 1:159 lid 2 B.W.).

      Bijstandsverhaal op alimentatieplichtige

      Als echtgenoten in hun alimentatieovereenkomst hebben afgesproken geen alimentatie verschuldigd te zijn (een nihilbeding zijn overeengekomen), maar de ene ex-echtgenoot vraagt een bijstandsuitkering aan bij de gemeente, dan kan de gemeente deze bijstand verhalen op de andere ex-echtgenoot. De gemeente is daarbij niet gebonden aan het nihilbeding. Met andere woorden: de alimentatieovereenkomst staat niet in de weg aan bijstandsverhaal en de vaststelling van het te verhalen bedrag (art. 1:159a B.W.).

      Einde alimentatieverplichting na echtscheiding

      De verplichting tot het betalen van alimentatie kan ook eerder eindigen dan na afloop van de termijn. De verplichting eindigt wanneer de alimentatiegerechtigde hertrouwt, een nieuw geregistreerd partnerschap aangaat of is gaan samenleven met een ander ‘als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren’ (art. 1:160 B.W.). Hierbij geldt dat moet blijken dat de samenlevenden elkaar verzorgen, dat zij een gemeenschappelijke huishouding voeren en samenwonen (zie HR 25 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1557).

      Gezag en de omgang met minderjarige kinderen bij echtscheiding

      De wettelijke regeling inzake gezag en omgang met minderjarige kinderen is geregeld in Titel 14 en Titel 15 van Boek 1 B.W.. De artikelen 1:161 B.W. t/m 1:162a B.W. zijn per 2 november 1995 vervallen. Deze regelden het gezag en de omgang met minderjarige kinderen na scheiding (Stb. 1995, 240).

      Zie de pagina Gezag over minderjarige kinderen (Titel 14) en de pagina Omgang en informatie minderjarige kinderen (Titel 15).

      Inschrijving van de echtscheiding

      De echtscheiding komt pas tot stand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (die in kracht van gewijsde moet zijn gegaan) in de registers van de burgerlijke stand (art. 1:163 lid 1 B.W.). Inschrijving geschiedt op verzoek van beide partijen of één van hen (art. 1:163 lid 2 B.W.). Tussen de beschikking en de inschrijving mag niet meer dan zes maanden liggen, anders verliest deze haar kracht (art. 1:163 lid 3 B.W.).

      Benadeling van de gemeenschap bij echtscheiding

      Bestaat er tussen echtgenoten een gemeenschap van goederen, en is één van hen benadeeld door de ander in de periode van zes maanden voor de aanvang van het echtscheidingsgeding tot aan de verdeling van de gemeenschap, dan moet hij de gemaakte schade vergoeden op het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (art. 1:164 lid 1 B.W.). De benadeling kan bestaan uit het maken van schulden, het verspillen van gemeenschapsgoederen of het verrichten van rechtshandelingen zonder de vereiste toestemming (overeenkomstig art. 1:88 B.W.). De vordering tot schadevergoeding moet binnen drie jaar na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking worden ingesteld (art. 1:164 lid 2 B.W.).

      Echtelijke woning en echtscheiding

      Een echtgenoot die in een woning woont die uitsluitend of deels aan de andere echtgenoot toebehoort, kan de rechter verzoeken bij echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak te bepalen dat hij daar zes maanden mag blijven wonen (art. 1:165 lid 1 B.W.). Wel zal hier een redelijke vergoeding tegenover moeten staan. Deze vergoeding stelt de rechter vast en kan bestaan uit een percentage van de overwaarde, de huurwaarde of de woonlasten.

      De andere echtgenoot kan zonder toestemming van de echtgenoot die bevoegd is in de woning te blijven geen rechtshandelingen verrichten die deze bevoegdheid benadelen (art. 1:165 lid 2 B.W.). Zo kan hij geen goederen die tot de woning behoren vervreemden of de huur opzeggen. Gaat het echter niet om nadelige rechtshandelingen, maar weigert de echtgenoot de toestemming zonder goede reden of is hij niet in staat zijn wil kenbaar te maken, dan kan de rechter bepalen dat de rechtshandeling alsnog verricht kan worden (art. 1:165 lid 3 B.W.).

      Hertrouwen gescheiden partners met elkaar

      Als de ex-echtgenoten hertrouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan, dan herleven alle gevolgen van rechtswege alsof er geen echtscheiding is geweest. De geldigheid van rechtshandelingen die zijn verricht tussen de ontbinding van het huwelijk en het nieuwe huwelijk worden door de rechter beoordeeld naar het tijdstip van die handeling (art. 1:166 B.W.).

      Hoorrecht van minderjarigen bij echtscheiding

      Tot 5 juli 1982 bepaalde art. 1:167 B.W. dat kinderen vanaf twaalf jaar gelegenheid moesten kunnen krijgen om gehoord te worden in procedures die hen aan gingen, zoals echtscheidingsprocedures (Stb. 1982, 315). Tegenwoordig is dit hoorrecht te vinden in art. 827 lid 2 Rv. jo. art. 809 lid 1 Rv..

      Auteur & Last edit

      [AvB, 23-06-2021; laatste bewerking MdV 9-11-2023]

      Echtscheiding (Afd. 2, Titel 9, Boek 1 B.W.)

      Zoeken binnen de kennisbank

      Lawyrup, jouw gratis kennisbank over burgerlijk (proces)recht!