Pagina inhoud

    Geldend maken van de legitieme portie (Par. 2, Afd. 3, Titel 4, Boek 4 B.W.)

    Inleiding geldend maken van de legitieme portie

    Par. 3, Afd. 3, Titel 4, Boek 4 B.W. regelt de wet, op welke wijze de legitieme portie geldend gemaakt moet worden. Deze paragraaf omvat 14 bepalingen (art. 4:79 B.W. tot en met art. 4:92 B.W.). De ‘legitieme portie’ is een wettelijk minimum aandeel dat aan degenen toekomt, die zonder uiterste wilsbeschikking de erfgenamen zouden zijn. Het gaat hierbij alleen om in neergaande lijn (de kinderen). De rechthebbende op de legitieme portie wordt ‘legitimaris’ genoemd.

    Vorderingsrecht legitimaris op erfgenamen of op een begiftigde

    De legitimaris kan volgens art. 4:79 B.W. de aanspraak op grond van de legitieme portie een vorderingsrecht hebben hetzij:

    a. op de gezamenlijke erfgenamen, dan wel op de echtgenoot van de erflater, door daarop aanspraak te maken overeenkomstig art. 4:80 lid 1 B.W., dan wel

    b. op een begiftigde, door inkorting als bedoeld in art. 4:89 B.W..

    Vordering legitimaris jegens de gezamenlijke erfgenamen

    Een legitimaris die daarop aanspraak maakt, heeft volgens art. 4:80 lid 1 B.W. terzake van hetgeen hem met inachtneming van art. 4:70 B.W. tot en met art. 4:76 B.W. als legitieme portie toekomt, een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen.

    De schuld ter zake van een legitieme portie waarop krachtens art. 4:80 BW aanspraak wordt gemaakt, is een schuld van de nalatenschap (art. 4:7 lid 1, onder g, BW). Vandaar dat die vordering tegen de gezamenlijke erfgenamen moet worden ingesteld. Is er echter een executeur testamentair, dan is die degene jegens wie de vordering ingesteld moet worden, omdat de executeur de erfgenamen ‘privatief’ (oftewel met uitsluiting van de door hem vertegenwoordigde erfgenamen) vertegenwoordigt. Aldus ook HR 1 april 2022 (legitieme portie uitgesloten zoon) en Parl. Gesch. Nieuw BW Boek 4, p. 961.

    Zie voor de executeur testamentair ook de pagina Executeur testamentair.

    Wanneer de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig art. 4:13 B.W., dan heeft de legitimaris een vordering op de als erfgenaam achtergelaten echtgenoot van de erflater. Zie voor deze vorm van verdeling ook de pagina Erfopvolging bij versterf van de niet gescheiden echtgenoot en kinderen.

    Vordering van de legitimaris

    Art. 4:79 B.W. bepaalt hoe de legitimaris zijn vordering geldend kan maken. Dit gebeurt door het kenbaar maken van zijn wilsrecht. In feite komt dit neer op een beroep doen op zijn legitieme portie en dat daarmee dus kenbaar maken. In eerste instantie moet de legitimaris zich verhalen op de personen genoemd in art. 4:79 sub a B.W.. Dit zijn de gezamenlijke erfgenamen dan wel de echtgenoot van de erflater. De legitimaris kan een vordering verkrijgen overeenkomstig art. 4:80 lid 1 B.W.. Indien de vordering van de legitimaris niet is voldaan op grond van art. 4:79 sub a B.W., dan kan de legitimaris op grond van art. 4:79 sub b B.W. zijn vordering instellen tegenover een begiftigde door middel van inkorting, zoals geregeld in art. 4:89 B.W..

    Vordering van de legitimaris op de gezamenlijke erfgenamen of echtgenoot

    Art. 4:80 lid 1 B.W. regelt dat de legitimaris een vordering in geld heeft op de gezamenlijke erfgenamen, dan wel wanneer de nalatenschap is verdeeld volgens art. 4:13 B.W., dus volgens de wettelijke verdeling, op de als erfgenaam achtergelaten echtgenoot van de erflater. Rekening moet worden gehouden met art. 4:70 B.W. tot en art. 4:76 B.W., die zien op de waardering van de legitieme portie.

    Vervolgens bepaalt art. 4:80 lid 2 B.W. dat de erfgenamen en in geval van een verdeling van de nalatenschap op grond van art. 4:13 B.W., de echtgenoot, niet verplicht zijn de vorderingen van de legitimaris te voldoen, voor zover deze tezamen de waarde der nalatenschap te boven gaan. Dit is ook wel een begrenzing van de aansprakelijkheid van de erfgenamen of de echtgenoot. In het geval dat de vordering boven de waarde van de nalatenschap komt, ondergaan de vorderingen een vermindering naar evenredigheid en moet de legitimaris hier genoegen mee nemen. Onder de waarde van de nalatenschap wordt verstaan alle goederen van de nalatenschap verminderd met de in art. 4:7 lid 1 onder a, b, c en f B.W. vermelde schulden.

    Opeisbaarheid van de vordering van de legitimaris

    Art. 4:81 lid 1 B.W. regelt dat de vordering van de legitimaris niet opeisbaar is voordat zes maanden zijn verstreken na het overlijden van de erflater.

    Art. 4:81 lid 2 B.W. regelt een uitzondering op het eerste lid, namelijk indien de nalatenschap verdeeld is overeenkomstig de wettelijke verdeling (artikel 4:13 B.W.)., dan is de vordering direct opeisbaar indien a) de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard of b) als de echtgenoot is overleden. Indien de legitimaire vordering ten laste komt van een legaat aan een ander dan de echtgenoot, dus de opeisbaarheid van de legitimaire vordering afhankelijk is van het uitvoeren van dat legaat, dan leidt de eerste zin van art. 4:81 lid 2 B.W. niet tot een later tijdstip van opeisbaarheid dan voortvloeit uit art. 4:81 lid 1 B.W..

    In art. 4:81 lid 3 B.W. staat, dat de vordering niet opeisbaar is, zolang de goederen der nalatenschap kunnen worden belast met het recht van vruchtgebruik krachtens art. 4:29 B.W. of art. 4:30 B.W.. Indien er sprake is van de wettelijke verdeling krijgt de langstlevende echtgenoot de mogelijkheid om het recht van vruchtgebruik over de goederen van de nalatenschap te vestigen. Echter is hier een vervaltermijn aan gekoppeld, zoals geregeld in art. 4:31 lid 2 B.W.. Na de vervaltermijn is de vordering van de legitimaris weer opeisbaar. De toepasselijkheid van art. 4:31 lid 4 B.W. is uitgesloten voor art. 4:81 lid 3 B.W.. In art. 4:31 lid 4 B.W. wordt de termijn om aanspraak te maken op het recht van vruchtgebruik verruimd met drie maanden. De wetgever heeft dit uitgesloten gezien de legitimaris anders te lang zou moeten wachten voor de opeisbaarheid van zijn legitimaire vordering.

    Art. 4:81 lid 4 B.W. regelt dat zolang er een recht van vruchtgebruik is gevestigd ten behoeve van de echtgenoot op grond van art. 4:29 B.W. of art. 4:30 B.W., de vordering van de legitimaris niet opeisbaar is. Dit betekent dat het tientallen jaren zou kunnen duren voordat de vordering opeisbaar zou worden, gezien de langstlevende echtgenoot nog vele jaren mogelijk in de achtergebleven woning zou willen verblijven. Een uitzondering hierop is in het geval dat de langstlevende echtgenoot failliet is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard. In dat geval wordt de legitimaire vordering weer opeisbaar.

    In art. 4:81 lid 5 B.W. wordt geregeld dat voor zover voor de legitimaire vordering andere personen dan de echtgenoot zijn verbonden (denk bijvoorbeeld aan andere erfgenamen), kan, zolang een vruchtgebruik krachtens art. 4:29 B.W. of art. 4:30 B.W. bestaat, van elk van die anderen slechts het gedeelte van de vordering worden opgeëist dat overeen komt met het gedeelte dat zijn aandeel in de niet met vruchtgebruik belaste goederen van de nalatenschap uitmaakt van de goederen van de nalatenschap. Kort gezegd is de vordering van de legitimaris wel opeisbaar ten aanzien van het gedeelte van de nalatenschap waar geen recht van vruchtgebruik op is gevestigd.

    Art. 4:81 lid 6 B.W. geeft een regeling voor de opeisbaarheid van de legitimaire vordering in geval dat de regeling van schuldsanering van toepassing is. Is de legitimaire vordering opeisbaar geworden doordat ten aanzien van de echtgenoot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan is de vordering – voor zover deze onvoldaan is gebleven – niet wederom opeisbaar door beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van natuurlijke personen na het einde daarvan door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst (art. 356 lid 2 Fw.)..

    Dit is logisch in die zin dat de bescherming van de langstlevende echtgenoot altijd op de eerste plek komt. Zou de vordering opeisbaar blijven, dan zou de langstlevende echtgenoot onevenredig geschaad worden waardoor hij niet ongestoord voort zou kunnen blijven leven.

    Opeisbaarheid vordering legitieme portie uitstellen

    Art. 4:82 B.W. regelt dat een erflater de voorwaarde kan verbinden aan zijn testament dat de vordering van een legitimaris, voor zover deze ten laste zou komen van de langstlevende echtgenoot, dat die vordering pas opeisbaar zou worden na diens overlijden. Dit geldt ook voor geregistreerde partners, volgend uit de gelijkstelling van geregistreerde partners met echtgenoten in art. 4:8 B.W.. In de laatste zin van art. 4:82 B.W. komt naar voren dat dit artikel van overeenkomstige toepassing is op levensgezellen indien deze met de erflater een gemeenschappelijke huishouding voert en een notarieel samenlevingsovereenkomst is aangegaan. Denk hierbij aan het typische voorbeeld van samenwoners die nooit zijn gehuwd. Wat precies onder een gemeenschappelijke huishouding wordt verstaan wordt niet ingekleurd door de wetgever. In ieder geval wordt aangenomen dat de twee partners wonen in dezelfde woning die functioneert als hoofdverblijf en in financiële zin voor elkaar zorgen.

    In dit artikel komt de beschermingsfunctie van de langstlevende echtgenoot weer naar voren. Dit hebben we al eens eerder gezien bij de wettelijke verdeling. Vaak wordt de voorwaarde genoemd in art. 4:82 B.W. opgenomen in het testament wanneer de wettelijke verdeling niet van toepassing wordt verklaard door de erflater, om zo toch bescherming te bieden aan de langstlevende echtgenoot. Van belang om op te merken is dat het uitstellen van de opeisbaarheid van de legitimaire vordering niet afhankelijk is van de vraag of er een verzorgingsbehoefte is van de langstlevende echtgenoot. Ook in het geval dat de langstlevende echtgenoot over meer dan voldoende financiële middelen beschikt, kan de opeisbaarheid van de vordering tot na diens overlijden worden uitgesteld.

    Opeisbaarheid vordering legitieme portie van omstandigheden laten afhangen

    In art. 4:83 B.W. komt naar voren dat de erflater bij testament de opeisbaarheid van de legitimaire vordering van de legitimaris, voor zover deze ten laste zou komen van de echtgenoot of een andere levensgezel, kan doen afhangen van andere omstandigheden dan die welke genoemd zijn in art. 4:81 lid 2 B.W. en art. 4:82 B.W.. In de literatuur worden niet veel voorbeelden hiervan genoemd, omdat er natuurlijk veel omstandigheden zijn waaraan gedacht zou kunnen worden door de erflater. Een omstandigheid die veel voorkomt in de praktijk is wanneer de erflater opneemt dat de legitimaire vordering van een behoeftig kind eerder opeisbaar wordt dan de vordering van het kind dat er financieel beter voor staat.

    Rente over de legitieme vordering

    Art. 4:84 B.W. brengt naar voren dat de legitimaire vorderingen worden verhoogd met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan 6%, berekend per jaar vanaf de dag waarop aanspraak op de legitieme portie is gemaakt, bij welke berekening tevens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt genomen. Uitsluitend de hoofdsom wordt in aanmerking genomen wat betekent dat slechts enkelvoudige rente verschuldigd is, in plaats van de samengestelde rente. Het verschil tussen de twee is als volgt:

    Percentage wettelijke rente
    (voorbeeld)
    Enkelvoudige renteSamengestelde rente
    2022 6%
    Vordering: 1.000 euro
    1.000 euro + (6% x 1.000) = 1.0601.000 euro + (6% x 1.000) = 1.060
    2023 6%
    Vordering 1.000 euro
    1.000 euro + (6% 1.000) = 1.0601.000 euro + (6% x 1.060) =
    1.063,6
    totaal1.060 + 1.060 = 2.1201.060 + 1.063,6 = 2.123,6

    Bij samengestelde rente wordt de rente dus doorgeteld en komt het boven op de vordering. In het tweede jaar wordt de rente berekend over de vordering + de verschuldigde rente. Het volgend jaar wordt die rente er weer bovenop gerekend. Eigenlijk wordt de rente dan ieder jaar berekend over de vordering + de eerder bijgeschreven rente. Met de wettelijke rente genoemd in art. 4:84 B.W. verwijst naar art. 6:119 B.W.. Vanaf 1 januari 2024 is de wettelijke rente voor niet-handelspartijen vastgesteld op 7%. Voor art. 4:84 B.W. zou dit dus betekenen dat 1% rente boven op de vordering wordt geteld.

    Zie voor de wettelijke rente ook de pagina Verbintenissen tot betaling van een geldsom.

    Vervaltermijn legitieme portie

    Art. 4:85 lid 1 B.W. regelt dat de mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt, indien de legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Art. 4:85 B.W. is een veel besproken artikel binnen het erfrecht, voornamelijk omdat het voor veel conflicten heeft gezorgd. De vervaltermijn van vijf jaar is namelijk ook nog niet zo lang in de wet. De notaris en de legitimaris worden door art. 4:85 lid 1 B.W. in een moeilijke positie gebracht. De notaris moet de belangen behartigen van zijn cliënt, de erfgenaam. Hij is wettelijk verplicht om erfgenamenonderzoek te doen en contact op te nemen met de erfgenamen om de nalatenschap af te wikkelen.

    Gek genoeg, of misschien logischerwijze, afhankelijk van je mening over de kwestie, heeft de notaris niét de plicht om de legitimaris te informeren over zijn positie en het feit dat hij zijn legitieme portie op kan eisen. In de literatuur is hier gigantisch veel kritiek op gekomen. Hoewel de termijn van vijf jaar lang lijkt, is dat in de praktijk vrij kort, voornamelijk omdat de afwikkeling van de nalatenschap vaak lang duurt. Het probleem is dat de erfgenamen natuurlijk geen contact zullen opnemen met de legitimaris, die vaak een onterfd kind of ander erfgenaam is. De vordering van de legitimaris is namelijk een schuld van de nalatenschap op grond van art. 4:7 lid 1 sub g B.W., schulden van de nalatenschap moeten eerst afgelost worden voordat de erfdelen of legaten uitgekeerd worden. De legitimaris heeft dus voorrang op de erfgenamen. In de praktijk is er dus maar één iemand die ervoor kan zorgen dat de legitimaris geïnformeerd wordt over zijn positie, en dat is natuurlijk de notaris.

    Hoewel er nog geen wettelijke plicht is voor de notaris om de legitimarissen te benaderen, bestaat er veel discussie hierover in de praktijk en zijn er notarissen die er toch voor kiezen om de legitimarissen te informeren over hun legitieme portie (vaak wél met toestemming van de erfgenamen, gezien hun belang behartigd moet worden door de notaris). Dit in verband met de zorgplicht die notarissen hebben en het feit dat zij moeten waken voor juridische onkunde. Bovendien heeft de notariële tuchtrechter geoordeeld in een uitspraak dat de notaris een onterfde legitimaris wel zou moeten informeren over de aanwezigheid van een testament (ECLI:NL:GHAMS:2013:1895).

    In art. 4:85 lid 2 B.W. staat dat indien negen maanden na het overlijden van de erflater niet vaststaat in hoeverre diens echtgenoot aanspraak zal maken op vestiging van een vruchtgebruik krachtens art. 4:30 B.W., het deel van de vordering dat ten laste van de echtgenoot zou komen vervalt, tenzij de legitimaris binnen die termijn aan de echtgenoot heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Op basis van art. 4:31 lid 2 B.W. heeft de langstlevende echtgenoot één jaar de tijd om beroep te doen op de vestiging van het recht van vruchtgebruik op goederen van de nalatenschap. Als langstlevende echtgenoot is het relevant om te weten wat de legitimarissen gaan doen, of ze wel of niet hun legitieme portie op gaan eisen, omdat de schulden van de nalatenschap eerst afbetaald moeten worden. Mochten er niet genoeg liquide middelen zijn in de nalatenschap om de legitieme portie te voldoen, dan moeten er bepaalde goederen verkocht worden. In dat geval kan de langstlevende dat geen recht van vruchtgebruik op dat goed vestigen. Zie ook voor art. 4:30 B.W. en art. 4:31 B.W. ook de pagina Andere wettelijke rechten.

    Om die reden is art. 4:85 lid 2 B.W. in de wet gekomen. Indien de legitimaire vordering ten laste van de langstlevende echtgenoot komt, vervalt de vordering binnen negen maanden, tenzij de legitimaris binnen de termijn verklaard dat hij zijn legitieme portie toch wenst te ontvangen. Art. 4:77 B.W. is van overeenkomstige toepassing op deze termijn, wat betekent dat de kantonrechter de termijn een of meermalen kan verlengen op grond van bijzondere omstandigheden, zelfs nadat de termijn reeds verlopen is.

    Termijnen legitieme portie bij vermiste erflater

    Art. 4:86 B.W. regelt dat de termijnen vermeld in art. 4:81 B.W. en art. 4:85 B.W. gaan lopen op een later moment in het geval dat de rechtbank een beschikking van rechtsvermoeden van overlijden of een beschikking van vaststelling van overlijden heeft afgegeven voor de erflater. Denk aan de situatie waarin de erflater al voor een lange tijd wordt vermist. In dat geval beginnen de termijnen te lopen op de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

    Volgorde van inkorting legitieme portie

    Art. 4:87 lid 1 B.W. regelt de volgorde van inkorting voor de legitimaire vordering. De voldoening van de schulden aan de legitimarissen komt als eerste ten laste van het gedeelte van de nalatenschap waarover de erflater niet door erfstellingen of legaten heeft beschikt. Dit met het idee dat de erfgenamen en legatarissen zouden willen dat hun erfdeel/ legaat onaangeraakt wordt. Als dit niet voldoende is, wordt er ingekort in de erfstellingen en de legaten. De tweede zin van art. 4:87 lid 1 B.W. regelt de situatie waarin de afstammelingen van een legitimaris bij wijze van plaatsvervulling de legitimaire vordering erven. In dat geval wordt het aan de bij plaatsvervulling opkomende afstammeling toekomende als eerste ingekort, tenzij de erflater in het testament anders heeft bepaald. Dit betekent dat de afstammeling die door plaatsvervulling opkomt, voorrang krijgt op de andere legitimarissen. Art. 4:87 lid 2 B.W. bepaalt wat er gebeurt indien inkorting op basis van art. 4:87 lid 1 B.W. onvoldoende is. In dat geval komen de makingen, dus de erfstellingen en de legaten voor inkorting in aanmerking. De hoofdregel hierbij is dat tenzij iets anders uit het testament voortvloeit, de erfstellingen en de makingen gelijkelijk naar evenredigheid van hun waarde voor inkorting in aanmerking komen.

    Een uitzondering hierop vormen de natuurlijke verbintenissen, deze komen pas na de makingen voor inkorting in aanmerking. In de praktijk ziet men dat vaak wordt afgeweken van de regel dat op de makingen naar evenredigheid wordt ingekort. Een vaak voorkomende regeling is dat inkorting geschiedt ten laste van de verkrijging van de langstlevende echtgenoot, bijvoorbeeld bij een wettelijke verdeling. Gezien de legitimaire vordering een schuld van de nalatenschap is, rijst de vraag in de literatuur op of de legitimaire vordering pas opeisbaar wordt bij het overlijden van de langstlevende. In de literatuur is hier geen eenduidig antwoord op gegeven. Een aantal auteurs zijn van mening dat dit alleen zo is, voor zover de legitimaire vordering ten laste komt van de langstlevende. Andere auteurs zijn van mening dat voornamelijk wanneer er sprake is van een vruchtgebruiktestament, wat vaak voorkomt wanneer de langstlevende achterblijft, de legitimaire vordering áltijd ten laste komt van de langstlevende. Als de legitimaris zijn vordering wil verhalen op de erfdelen, dan kan het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap niet meer worden afgegeven aan de langstlevende.

    Vervolgens regelt art. 4:87 lid 3 B.W. dat verkrijgingen van andere legitimarissen ook voor inkorting vatbaar zijn. In het geval dat de legitimaire vordering nog niet is voldaan, dan geschiedt inkorting op het gedeelte van de nalatenschap dat aan een legitimaris toekomt en zijn legitieme portie niet te boven gaat. De inkorting geschiedt met vermindering van de vordering waarvoor wordt ingekort, op een manier waarop beide legitimarissen eenzelfde evenredig deel van hun legitieme porties verkrijgen. Feitelijk verkrijgen de legitimarissen dan niet hun volledige legitieme portie, maar een deel daarvan.

    Op grond van de wet heeft de legitimaris een vordering op de erfgenamen en de langstlevende. Echter heeft de legitimaris geen vordering op legatarissen of lastbevoordeelden. Op grond van art. 4:87 lid 4 B.W. kunnen de erfgenamen ervoor kiezen om de vordering van de legitimaris in te korten op de legaten of lasten. Hiertoe hebben zij de keuze, dit is dus geen verplichting. Als de erfgenamen dit willen, kunnen ze een verklaring uitbrengen aan de legataris of aan de lastbevoordeelden. In het geval dat de erfgenamen of de langstlevende niet de legaten of lasten willen inkorten, dan moeten zij de vordering zelf voldoen. Interessant om op te merken is dat de erfgenamen de mogelijkheid tot terugvordering en verhaal van een legaat hebben op grond van art. 4:216 B.W. en art. 4:220 lid 3 B.W., in het geval dat het legaat al is uitgekeerd aan de legataris. Zie ook de pagina Vereffening van de nalatenschap.

    In art. 4:87 lid 5 B.W. staat dat voor zover de legitimaire vordering ten laste komt van het erfdeel van de langstlevende echtgenoot of samenwoner, en de voldoening hiervan pas op een later tijdstip verlangd kan worden, zoals het geval is bij art. 4:81 lid 2 B.W., art. 4:82 B.W. of art. 4:83 B.W., dan is de langstlevende echtgenoot of samenwoner met zijn gehele vermogen aansprakelijk, ook als hij de nalatenschap beneficiair had aanvaard. Dit speelt wanneer de nalatenschap met toepassing van de wettelijke verdeling is verdeeld. Dit brengt mee dat de vordering niet voldaan hoeft te worden door de langstlevende echtgenoot, als beschermingsmaatregel. Het gevolg is wel dat de langstlevende echtgenoot wel aansprakelijk blijft voor de voldoening van de vordering. Vaak zal de voldoening bij het overlijden van de langstlevende gebeuren.

    Art. 4:87 lid 6 B.W. regelt een vergelijkbare situatie als art. 4:87 lid 5 B.W., alleen voor echtgenoten of levensgezellen die belast zijn met een legaat. Het gedeelte van de legitimaire vordering dat nog niet is voldaan, komt ook in dit geval te rusten op de echtgenoot of levensgezel dat met het legaat is belast. Het laatste lid van dit artikel, art. 4:87 lid 7 B.W., regelt dat voor de toepassing van dit artikel, een last die strekt tot een uitgave van geld of een goed uit de nalatenschap, gelijk wordt gesteld met een legaat.

    De overige bepalingen van deze Afdeling (art. 4:88 B.W. tot en met art. 4:92 B.W.) worden nog nader uitgewerkt.

    Auteur & Last edit

    [MdV, 3-04-2022; laatste bewerking AT 7-04-2024]

    Geldend maken van de legitieme portie (Par. 2, Afd. 3, Titel 4, Boek 4 B.W.)

    Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

    Praktizijns

    Pagina inhoud

      Geldend maken van de legitieme portie (Par. 2, Afd. 3, Titel 4, Boek 4 B.W.)

      Inleiding geldend maken van de legitieme portie

      Par. 3, Afd. 3, Titel 4, Boek 4 B.W. regelt de wet, op welke wijze de legitieme portie geldend gemaakt moet worden. Deze paragraaf omvat 14 bepalingen (art. 4:79 B.W. tot en met art. 4:92 B.W.). De ‘legitieme portie’ is een wettelijk minimum aandeel dat aan degenen toekomt, die zonder uiterste wilsbeschikking de erfgenamen zouden zijn. Het gaat hierbij alleen om in neergaande lijn (de kinderen). De rechthebbende op de legitieme portie wordt ‘legitimaris’ genoemd.

      Vorderingsrecht legitimaris op erfgenamen of op een begiftigde

      De legitimaris kan volgens art. 4:79 B.W. de aanspraak op grond van de legitieme portie een vorderingsrecht hebben hetzij:

      a. op de gezamenlijke erfgenamen, dan wel op de echtgenoot van de erflater, door daarop aanspraak te maken overeenkomstig art. 4:80 lid 1 B.W., dan wel

      b. op een begiftigde, door inkorting als bedoeld in art. 4:89 B.W..

      Vordering legitimaris jegens de gezamenlijke erfgenamen

      Een legitimaris die daarop aanspraak maakt, heeft volgens art. 4:80 lid 1 B.W. terzake van hetgeen hem met inachtneming van art. 4:70 B.W. tot en met art. 4:76 B.W. als legitieme portie toekomt, een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen.

      De schuld ter zake van een legitieme portie waarop krachtens art. 4:80 BW aanspraak wordt gemaakt, is een schuld van de nalatenschap (art. 4:7 lid 1, onder g, BW). Vandaar dat die vordering tegen de gezamenlijke erfgenamen moet worden ingesteld. Is er echter een executeur testamentair, dan is die degene jegens wie de vordering ingesteld moet worden, omdat de executeur de erfgenamen ‘privatief’ (oftewel met uitsluiting van de door hem vertegenwoordigde erfgenamen) vertegenwoordigt. Aldus ook HR 1 april 2022 (legitieme portie uitgesloten zoon) en Parl. Gesch. Nieuw BW Boek 4, p. 961.

      Zie voor de executeur testamentair ook de pagina Executeur testamentair.

      Wanneer de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig art. 4:13 B.W., dan heeft de legitimaris een vordering op de als erfgenaam achtergelaten echtgenoot van de erflater. Zie voor deze vorm van verdeling ook de pagina Erfopvolging bij versterf van de niet gescheiden echtgenoot en kinderen.

      Vordering van de legitimaris

      Art. 4:79 B.W. bepaalt hoe de legitimaris zijn vordering geldend kan maken. Dit gebeurt door het kenbaar maken van zijn wilsrecht. In feite komt dit neer op een beroep doen op zijn legitieme portie en dat daarmee dus kenbaar maken. In eerste instantie moet de legitimaris zich verhalen op de personen genoemd in art. 4:79 sub a B.W.. Dit zijn de gezamenlijke erfgenamen dan wel de echtgenoot van de erflater. De legitimaris kan een vordering verkrijgen overeenkomstig art. 4:80 lid 1 B.W.. Indien de vordering van de legitimaris niet is voldaan op grond van art. 4:79 sub a B.W., dan kan de legitimaris op grond van art. 4:79 sub b B.W. zijn vordering instellen tegenover een begiftigde door middel van inkorting, zoals geregeld in art. 4:89 B.W..

      Vordering van de legitimaris op de gezamenlijke erfgenamen of echtgenoot

      Art. 4:80 lid 1 B.W. regelt dat de legitimaris een vordering in geld heeft op de gezamenlijke erfgenamen, dan wel wanneer de nalatenschap is verdeeld volgens art. 4:13 B.W., dus volgens de wettelijke verdeling, op de als erfgenaam achtergelaten echtgenoot van de erflater. Rekening moet worden gehouden met art. 4:70 B.W. tot en art. 4:76 B.W., die zien op de waardering van de legitieme portie.

      Vervolgens bepaalt art. 4:80 lid 2 B.W. dat de erfgenamen en in geval van een verdeling van de nalatenschap op grond van art. 4:13 B.W., de echtgenoot, niet verplicht zijn de vorderingen van de legitimaris te voldoen, voor zover deze tezamen de waarde der nalatenschap te boven gaan. Dit is ook wel een begrenzing van de aansprakelijkheid van de erfgenamen of de echtgenoot. In het geval dat de vordering boven de waarde van de nalatenschap komt, ondergaan de vorderingen een vermindering naar evenredigheid en moet de legitimaris hier genoegen mee nemen. Onder de waarde van de nalatenschap wordt verstaan alle goederen van de nalatenschap verminderd met de in art. 4:7 lid 1 onder a, b, c en f B.W. vermelde schulden.

      Opeisbaarheid van de vordering van de legitimaris

      Art. 4:81 lid 1 B.W. regelt dat de vordering van de legitimaris niet opeisbaar is voordat zes maanden zijn verstreken na het overlijden van de erflater.

      Art. 4:81 lid 2 B.W. regelt een uitzondering op het eerste lid, namelijk indien de nalatenschap verdeeld is overeenkomstig de wettelijke verdeling (artikel 4:13 B.W.)., dan is de vordering direct opeisbaar indien a) de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard of b) als de echtgenoot is overleden. Indien de legitimaire vordering ten laste komt van een legaat aan een ander dan de echtgenoot, dus de opeisbaarheid van de legitimaire vordering afhankelijk is van het uitvoeren van dat legaat, dan leidt de eerste zin van art. 4:81 lid 2 B.W. niet tot een later tijdstip van opeisbaarheid dan voortvloeit uit art. 4:81 lid 1 B.W..

      In art. 4:81 lid 3 B.W. staat, dat de vordering niet opeisbaar is, zolang de goederen der nalatenschap kunnen worden belast met het recht van vruchtgebruik krachtens art. 4:29 B.W. of art. 4:30 B.W.. Indien er sprake is van de wettelijke verdeling krijgt de langstlevende echtgenoot de mogelijkheid om het recht van vruchtgebruik over de goederen van de nalatenschap te vestigen. Echter is hier een vervaltermijn aan gekoppeld, zoals geregeld in art. 4:31 lid 2 B.W.. Na de vervaltermijn is de vordering van de legitimaris weer opeisbaar. De toepasselijkheid van art. 4:31 lid 4 B.W. is uitgesloten voor art. 4:81 lid 3 B.W.. In art. 4:31 lid 4 B.W. wordt de termijn om aanspraak te maken op het recht van vruchtgebruik verruimd met drie maanden. De wetgever heeft dit uitgesloten gezien de legitimaris anders te lang zou moeten wachten voor de opeisbaarheid van zijn legitimaire vordering.

      Art. 4:81 lid 4 B.W. regelt dat zolang er een recht van vruchtgebruik is gevestigd ten behoeve van de echtgenoot op grond van art. 4:29 B.W. of art. 4:30 B.W., de vordering van de legitimaris niet opeisbaar is. Dit betekent dat het tientallen jaren zou kunnen duren voordat de vordering opeisbaar zou worden, gezien de langstlevende echtgenoot nog vele jaren mogelijk in de achtergebleven woning zou willen verblijven. Een uitzondering hierop is in het geval dat de langstlevende echtgenoot failliet is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard. In dat geval wordt de legitimaire vordering weer opeisbaar.

      In art. 4:81 lid 5 B.W. wordt geregeld dat voor zover voor de legitimaire vordering andere personen dan de echtgenoot zijn verbonden (denk bijvoorbeeld aan andere erfgenamen), kan, zolang een vruchtgebruik krachtens art. 4:29 B.W. of art. 4:30 B.W. bestaat, van elk van die anderen slechts het gedeelte van de vordering worden opgeëist dat overeen komt met het gedeelte dat zijn aandeel in de niet met vruchtgebruik belaste goederen van de nalatenschap uitmaakt van de goederen van de nalatenschap. Kort gezegd is de vordering van de legitimaris wel opeisbaar ten aanzien van het gedeelte van de nalatenschap waar geen recht van vruchtgebruik op is gevestigd.

      Art. 4:81 lid 6 B.W. geeft een regeling voor de opeisbaarheid van de legitimaire vordering in geval dat de regeling van schuldsanering van toepassing is. Is de legitimaire vordering opeisbaar geworden doordat ten aanzien van de echtgenoot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan is de vordering – voor zover deze onvoldaan is gebleven – niet wederom opeisbaar door beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van natuurlijke personen na het einde daarvan door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst (art. 356 lid 2 Fw.)..

      Dit is logisch in die zin dat de bescherming van de langstlevende echtgenoot altijd op de eerste plek komt. Zou de vordering opeisbaar blijven, dan zou de langstlevende echtgenoot onevenredig geschaad worden waardoor hij niet ongestoord voort zou kunnen blijven leven.

      Opeisbaarheid vordering legitieme portie uitstellen

      Art. 4:82 B.W. regelt dat een erflater de voorwaarde kan verbinden aan zijn testament dat de vordering van een legitimaris, voor zover deze ten laste zou komen van de langstlevende echtgenoot, dat die vordering pas opeisbaar zou worden na diens overlijden. Dit geldt ook voor geregistreerde partners, volgend uit de gelijkstelling van geregistreerde partners met echtgenoten in art. 4:8 B.W.. In de laatste zin van art. 4:82 B.W. komt naar voren dat dit artikel van overeenkomstige toepassing is op levensgezellen indien deze met de erflater een gemeenschappelijke huishouding voert en een notarieel samenlevingsovereenkomst is aangegaan. Denk hierbij aan het typische voorbeeld van samenwoners die nooit zijn gehuwd. Wat precies onder een gemeenschappelijke huishouding wordt verstaan wordt niet ingekleurd door de wetgever. In ieder geval wordt aangenomen dat de twee partners wonen in dezelfde woning die functioneert als hoofdverblijf en in financiële zin voor elkaar zorgen.

      In dit artikel komt de beschermingsfunctie van de langstlevende echtgenoot weer naar voren. Dit hebben we al eens eerder gezien bij de wettelijke verdeling. Vaak wordt de voorwaarde genoemd in art. 4:82 B.W. opgenomen in het testament wanneer de wettelijke verdeling niet van toepassing wordt verklaard door de erflater, om zo toch bescherming te bieden aan de langstlevende echtgenoot. Van belang om op te merken is dat het uitstellen van de opeisbaarheid van de legitimaire vordering niet afhankelijk is van de vraag of er een verzorgingsbehoefte is van de langstlevende echtgenoot. Ook in het geval dat de langstlevende echtgenoot over meer dan voldoende financiële middelen beschikt, kan de opeisbaarheid van de vordering tot na diens overlijden worden uitgesteld.

      Opeisbaarheid vordering legitieme portie van omstandigheden laten afhangen

      In art. 4:83 B.W. komt naar voren dat de erflater bij testament de opeisbaarheid van de legitimaire vordering van de legitimaris, voor zover deze ten laste zou komen van de echtgenoot of een andere levensgezel, kan doen afhangen van andere omstandigheden dan die welke genoemd zijn in art. 4:81 lid 2 B.W. en art. 4:82 B.W.. In de literatuur worden niet veel voorbeelden hiervan genoemd, omdat er natuurlijk veel omstandigheden zijn waaraan gedacht zou kunnen worden door de erflater. Een omstandigheid die veel voorkomt in de praktijk is wanneer de erflater opneemt dat de legitimaire vordering van een behoeftig kind eerder opeisbaar wordt dan de vordering van het kind dat er financieel beter voor staat.

      Rente over de legitieme vordering

      Art. 4:84 B.W. brengt naar voren dat de legitimaire vorderingen worden verhoogd met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan 6%, berekend per jaar vanaf de dag waarop aanspraak op de legitieme portie is gemaakt, bij welke berekening tevens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt genomen. Uitsluitend de hoofdsom wordt in aanmerking genomen wat betekent dat slechts enkelvoudige rente verschuldigd is, in plaats van de samengestelde rente. Het verschil tussen de twee is als volgt:

      Percentage wettelijke rente
      (voorbeeld)
      Enkelvoudige renteSamengestelde rente
      2022 6%
      Vordering: 1.000 euro
      1.000 euro + (6% x 1.000) = 1.0601.000 euro + (6% x 1.000) = 1.060
      2023 6%
      Vordering 1.000 euro
      1.000 euro + (6% 1.000) = 1.0601.000 euro + (6% x 1.060) =
      1.063,6
      totaal1.060 + 1.060 = 2.1201.060 + 1.063,6 = 2.123,6

      Bij samengestelde rente wordt de rente dus doorgeteld en komt het boven op de vordering. In het tweede jaar wordt de rente berekend over de vordering + de verschuldigde rente. Het volgend jaar wordt die rente er weer bovenop gerekend. Eigenlijk wordt de rente dan ieder jaar berekend over de vordering + de eerder bijgeschreven rente. Met de wettelijke rente genoemd in art. 4:84 B.W. verwijst naar art. 6:119 B.W.. Vanaf 1 januari 2024 is de wettelijke rente voor niet-handelspartijen vastgesteld op 7%. Voor art. 4:84 B.W. zou dit dus betekenen dat 1% rente boven op de vordering wordt geteld.

      Zie voor de wettelijke rente ook de pagina Verbintenissen tot betaling van een geldsom.

      Vervaltermijn legitieme portie

      Art. 4:85 lid 1 B.W. regelt dat de mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt, indien de legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Art. 4:85 B.W. is een veel besproken artikel binnen het erfrecht, voornamelijk omdat het voor veel conflicten heeft gezorgd. De vervaltermijn van vijf jaar is namelijk ook nog niet zo lang in de wet. De notaris en de legitimaris worden door art. 4:85 lid 1 B.W. in een moeilijke positie gebracht. De notaris moet de belangen behartigen van zijn cliënt, de erfgenaam. Hij is wettelijk verplicht om erfgenamenonderzoek te doen en contact op te nemen met de erfgenamen om de nalatenschap af te wikkelen.

      Gek genoeg, of misschien logischerwijze, afhankelijk van je mening over de kwestie, heeft de notaris niét de plicht om de legitimaris te informeren over zijn positie en het feit dat hij zijn legitieme portie op kan eisen. In de literatuur is hier gigantisch veel kritiek op gekomen. Hoewel de termijn van vijf jaar lang lijkt, is dat in de praktijk vrij kort, voornamelijk omdat de afwikkeling van de nalatenschap vaak lang duurt. Het probleem is dat de erfgenamen natuurlijk geen contact zullen opnemen met de legitimaris, die vaak een onterfd kind of ander erfgenaam is. De vordering van de legitimaris is namelijk een schuld van de nalatenschap op grond van art. 4:7 lid 1 sub g B.W., schulden van de nalatenschap moeten eerst afgelost worden voordat de erfdelen of legaten uitgekeerd worden. De legitimaris heeft dus voorrang op de erfgenamen. In de praktijk is er dus maar één iemand die ervoor kan zorgen dat de legitimaris geïnformeerd wordt over zijn positie, en dat is natuurlijk de notaris.

      Hoewel er nog geen wettelijke plicht is voor de notaris om de legitimarissen te benaderen, bestaat er veel discussie hierover in de praktijk en zijn er notarissen die er toch voor kiezen om de legitimarissen te informeren over hun legitieme portie (vaak wél met toestemming van de erfgenamen, gezien hun belang behartigd moet worden door de notaris). Dit in verband met de zorgplicht die notarissen hebben en het feit dat zij moeten waken voor juridische onkunde. Bovendien heeft de notariële tuchtrechter geoordeeld in een uitspraak dat de notaris een onterfde legitimaris wel zou moeten informeren over de aanwezigheid van een testament (ECLI:NL:GHAMS:2013:1895).

      In art. 4:85 lid 2 B.W. staat dat indien negen maanden na het overlijden van de erflater niet vaststaat in hoeverre diens echtgenoot aanspraak zal maken op vestiging van een vruchtgebruik krachtens art. 4:30 B.W., het deel van de vordering dat ten laste van de echtgenoot zou komen vervalt, tenzij de legitimaris binnen die termijn aan de echtgenoot heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Op basis van art. 4:31 lid 2 B.W. heeft de langstlevende echtgenoot één jaar de tijd om beroep te doen op de vestiging van het recht van vruchtgebruik op goederen van de nalatenschap. Als langstlevende echtgenoot is het relevant om te weten wat de legitimarissen gaan doen, of ze wel of niet hun legitieme portie op gaan eisen, omdat de schulden van de nalatenschap eerst afbetaald moeten worden. Mochten er niet genoeg liquide middelen zijn in de nalatenschap om de legitieme portie te voldoen, dan moeten er bepaalde goederen verkocht worden. In dat geval kan de langstlevende dat geen recht van vruchtgebruik op dat goed vestigen. Zie ook voor art. 4:30 B.W. en art. 4:31 B.W. ook de pagina Andere wettelijke rechten.

      Om die reden is art. 4:85 lid 2 B.W. in de wet gekomen. Indien de legitimaire vordering ten laste van de langstlevende echtgenoot komt, vervalt de vordering binnen negen maanden, tenzij de legitimaris binnen de termijn verklaard dat hij zijn legitieme portie toch wenst te ontvangen. Art. 4:77 B.W. is van overeenkomstige toepassing op deze termijn, wat betekent dat de kantonrechter de termijn een of meermalen kan verlengen op grond van bijzondere omstandigheden, zelfs nadat de termijn reeds verlopen is.

      Termijnen legitieme portie bij vermiste erflater

      Art. 4:86 B.W. regelt dat de termijnen vermeld in art. 4:81 B.W. en art. 4:85 B.W. gaan lopen op een later moment in het geval dat de rechtbank een beschikking van rechtsvermoeden van overlijden of een beschikking van vaststelling van overlijden heeft afgegeven voor de erflater. Denk aan de situatie waarin de erflater al voor een lange tijd wordt vermist. In dat geval beginnen de termijnen te lopen op de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

      Volgorde van inkorting legitieme portie

      Art. 4:87 lid 1 B.W. regelt de volgorde van inkorting voor de legitimaire vordering. De voldoening van de schulden aan de legitimarissen komt als eerste ten laste van het gedeelte van de nalatenschap waarover de erflater niet door erfstellingen of legaten heeft beschikt. Dit met het idee dat de erfgenamen en legatarissen zouden willen dat hun erfdeel/ legaat onaangeraakt wordt. Als dit niet voldoende is, wordt er ingekort in de erfstellingen en de legaten. De tweede zin van art. 4:87 lid 1 B.W. regelt de situatie waarin de afstammelingen van een legitimaris bij wijze van plaatsvervulling de legitimaire vordering erven. In dat geval wordt het aan de bij plaatsvervulling opkomende afstammeling toekomende als eerste ingekort, tenzij de erflater in het testament anders heeft bepaald. Dit betekent dat de afstammeling die door plaatsvervulling opkomt, voorrang krijgt op de andere legitimarissen. Art. 4:87 lid 2 B.W. bepaalt wat er gebeurt indien inkorting op basis van art. 4:87 lid 1 B.W. onvoldoende is. In dat geval komen de makingen, dus de erfstellingen en de legaten voor inkorting in aanmerking. De hoofdregel hierbij is dat tenzij iets anders uit het testament voortvloeit, de erfstellingen en de makingen gelijkelijk naar evenredigheid van hun waarde voor inkorting in aanmerking komen.

      Een uitzondering hierop vormen de natuurlijke verbintenissen, deze komen pas na de makingen voor inkorting in aanmerking. In de praktijk ziet men dat vaak wordt afgeweken van de regel dat op de makingen naar evenredigheid wordt ingekort. Een vaak voorkomende regeling is dat inkorting geschiedt ten laste van de verkrijging van de langstlevende echtgenoot, bijvoorbeeld bij een wettelijke verdeling. Gezien de legitimaire vordering een schuld van de nalatenschap is, rijst de vraag in de literatuur op of de legitimaire vordering pas opeisbaar wordt bij het overlijden van de langstlevende. In de literatuur is hier geen eenduidig antwoord op gegeven. Een aantal auteurs zijn van mening dat dit alleen zo is, voor zover de legitimaire vordering ten laste komt van de langstlevende. Andere auteurs zijn van mening dat voornamelijk wanneer er sprake is van een vruchtgebruiktestament, wat vaak voorkomt wanneer de langstlevende achterblijft, de legitimaire vordering áltijd ten laste komt van de langstlevende. Als de legitimaris zijn vordering wil verhalen op de erfdelen, dan kan het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap niet meer worden afgegeven aan de langstlevende.

      Vervolgens regelt art. 4:87 lid 3 B.W. dat verkrijgingen van andere legitimarissen ook voor inkorting vatbaar zijn. In het geval dat de legitimaire vordering nog niet is voldaan, dan geschiedt inkorting op het gedeelte van de nalatenschap dat aan een legitimaris toekomt en zijn legitieme portie niet te boven gaat. De inkorting geschiedt met vermindering van de vordering waarvoor wordt ingekort, op een manier waarop beide legitimarissen eenzelfde evenredig deel van hun legitieme porties verkrijgen. Feitelijk verkrijgen de legitimarissen dan niet hun volledige legitieme portie, maar een deel daarvan.

      Op grond van de wet heeft de legitimaris een vordering op de erfgenamen en de langstlevende. Echter heeft de legitimaris geen vordering op legatarissen of lastbevoordeelden. Op grond van art. 4:87 lid 4 B.W. kunnen de erfgenamen ervoor kiezen om de vordering van de legitimaris in te korten op de legaten of lasten. Hiertoe hebben zij de keuze, dit is dus geen verplichting. Als de erfgenamen dit willen, kunnen ze een verklaring uitbrengen aan de legataris of aan de lastbevoordeelden. In het geval dat de erfgenamen of de langstlevende niet de legaten of lasten willen inkorten, dan moeten zij de vordering zelf voldoen. Interessant om op te merken is dat de erfgenamen de mogelijkheid tot terugvordering en verhaal van een legaat hebben op grond van art. 4:216 B.W. en art. 4:220 lid 3 B.W., in het geval dat het legaat al is uitgekeerd aan de legataris. Zie ook de pagina Vereffening van de nalatenschap.

      In art. 4:87 lid 5 B.W. staat dat voor zover de legitimaire vordering ten laste komt van het erfdeel van de langstlevende echtgenoot of samenwoner, en de voldoening hiervan pas op een later tijdstip verlangd kan worden, zoals het geval is bij art. 4:81 lid 2 B.W., art. 4:82 B.W. of art. 4:83 B.W., dan is de langstlevende echtgenoot of samenwoner met zijn gehele vermogen aansprakelijk, ook als hij de nalatenschap beneficiair had aanvaard. Dit speelt wanneer de nalatenschap met toepassing van de wettelijke verdeling is verdeeld. Dit brengt mee dat de vordering niet voldaan hoeft te worden door de langstlevende echtgenoot, als beschermingsmaatregel. Het gevolg is wel dat de langstlevende echtgenoot wel aansprakelijk blijft voor de voldoening van de vordering. Vaak zal de voldoening bij het overlijden van de langstlevende gebeuren.

      Art. 4:87 lid 6 B.W. regelt een vergelijkbare situatie als art. 4:87 lid 5 B.W., alleen voor echtgenoten of levensgezellen die belast zijn met een legaat. Het gedeelte van de legitimaire vordering dat nog niet is voldaan, komt ook in dit geval te rusten op de echtgenoot of levensgezel dat met het legaat is belast. Het laatste lid van dit artikel, art. 4:87 lid 7 B.W., regelt dat voor de toepassing van dit artikel, een last die strekt tot een uitgave van geld of een goed uit de nalatenschap, gelijk wordt gesteld met een legaat.

      De overige bepalingen van deze Afdeling (art. 4:88 B.W. tot en met art. 4:92 B.W.) worden nog nader uitgewerkt.

      Auteur & Last edit

      [MdV, 3-04-2022; laatste bewerking AT 7-04-2024]

      Geldend maken van de legitieme portie (Par. 2, Afd. 3, Titel 4, Boek 4 B.W.)

      Zoeken binnen de kennisbank

      Lawyrup, jouw gratis kennisbank over burgerlijk (proces)recht!