LawyrupBurgerlijk wetboekVerdragen burgerlijk rechtOverige verdragen burgerlijk rechtVerdragen vervoersrechtVerdrag inzake de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR)

Verdrag inzake de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR)

Inleiding Verdrag inzake de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR)

Het CMR-verdrag is een verdrag van de Verenigde Naties, dat is getekend in Genève op 19 mei 1956. Het CMR-verdrag legt eenvormige aansprakelijkheidsregels op voor de schade bij verlies of beschadiging van de lading of bij vertraging. Deze regels zijn ook geldig bij een binnenlands transport als onderdeel van een internationaal transport. De CMR is dwingend recht (art. 41 CMR), er mag niet door partijen van af worden geweken.

Verschillende landen hebben dezelfde normen overgenomen voor louter binnenlandse transporten. Volgens de website van de Stichting Vervoeradres zijn er thans 58 landen bij het CMR-verdrag aangesloten. Blijkens het Protocol van ondertekening (onderaan de verdragstekst) is het verdrag niet van toepassing op vervoer tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Republiek Ierland.

Toepasselijkheid CMR-verdrag

Het CMR-verdrag is van toepassing op iedere overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen, wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering, zoals deze zijn aangegeven in de overeenkomst, gelegen zijn in twee verschillende landen, waarvan tenminste één een bij het Verdrag partij zijnd land is, ongeacht de woonplaats en de nationaliteit van partijen.

Het CMR-verdrag is niet van toepassing op:

a. vervoer, bewerkstelligd overeenkomstig internationale postovereenkomsten;
b. vervoer van lijken;
c. verhuizingen.

Maximale vergoeding bij schade internationaal wegvervoer onder CMR

Wanneer ingevolge de bepalingen van dit Verdrag een schadevergoeding voor geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen ten laste van de vervoerder wordt gebracht, wordt deze schadevergoeding berekend naar de waarde van de goederen op de plaats en het tijdstip van de inontvangstneming (art. 23 lid 1 CMR).

De schadevergoeding kan evenwel niet meer bedragen dan 8.33 rekeneenheden voor elk ontbrekend kilogram bruto-gewicht (art. 23 lid 3 CMR). Dit is ongeveer EUR 10,= per kilogram.

De in dit Verdrag genoemde rekeneenheid is het bijzondere trekkingsrecht (men spreekt in de praktijk van ‘SDR’, naar de Engelse term ‘special drawing rights’) zoals dit is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. Het in het derde lid van dit artikel genoemde bedrag wordt omgerekend in de nationale munteenheid van de Staat van het gerecht, waarvoor de vordering aanhangig is, volgens de waarde van die munteenheid op de datum van het vonnis of de datum, die de Partijen zijn overeengekomen (art. 23 lid 7 CMR).

De waarde van de nationale munteenheid, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, van een Staat, die lid is van het Internationale Monetaire Fonds, wordt berekend overeenkomstig de waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de desbetreffende datum wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties. De waarde van de nationale munteenheid, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, van een Staat, die geen lid is van het Internationale Monetaire Fonds, wordt berekend op een door die Staat vastgestelde wijze.

Uitzondering: geen inperking schadevergoeding bij opzet vervoerder

De vervoerder heeft niet het recht om zich te beroepen op de bepalingen van dit hoofdstuk, die zijn aansprakelijkheid uitsluiten of beperken of die de bewijslast omkeren, indien de schade voortspruit uit zijn opzet of uit schuld zijnerzijds, welke volgens de wet van het gerecht, waar de vordering aanhangig is, met opzet gelijkgesteld wordt (art. 29 lid 1 CMR).

Hetzelfde geldt bij opzet of schuld van de ondergeschikten van de vervoerder of van alle andere personen, van wier diensten hij voor de bewerkstelliging van het vervoer gebruik maakt, wanneer deze ondergeschikten of deze andere personen handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden. In dat geval hebben deze ondergeschikten of andere personen eveneens niet het recht om zich, voor wat hun persoonlijke aansprakelijkheid betreft, te beroepen op de bepalingen van dit hoofdstuk, als omschreven in het eerste lid (art. 29 lid 2 CMR).

In het arrest HR 22 april 2022 (Logistic Solutions/TMS c.s.) deed zich voor de naar het buitenland te vervoeren zaken – waarop het CMR dus van toepassing was – de vraag voor of de uitzondering van art. 29 CMR van toepassing was, omdat het onrechtmatig handelen van haar werknemer aan haar was toe te rekenen. De rechtbank meende van niet, het Hof van wel. De Hoge Raad casseerde en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, op procestechnische gronden. Het Hof was buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, omdat TMS geen grief had gericht tegen de vaststelling van de rechtbank dat de werknemer geen betrokkenheid had bij het vervoer door TMS. Zie ook de pagina Rechtspleging in hoger beroep over de zgn. devolutieve werking van het hoger beroep.

Lees de overwegingen van HR 22 april 2022 ( Logistics Solutions/TMS c.s.)

Het ging om een diefstal van elf pakketten met dure horloges van Audemars Piguet SA, die in Hooffdorp waren opgehaald en naar verschillende adressen vervoerd moesten worden, waarvan 2 naar het buitenland. De pakketten hadden een totale waarde van EUR 993.309. Op het vervoer daarvan was het CMR van toepassing. Een loodsmedewerker van de vervoerder Logistics Solutions was medeplichtig aan de diefstal. Die medewerker had echter – zo was in de procedure komen vast te staan – geen rechtstreekse betrokkenheid met de betreffende pakketten. Zijn dienst was pas begonnen toen die al waren geregistreerd en opgeslagen.

De rechtbank oordeelde dan ook, dat het enkele feit dat de werknemer de toegangsdeur heeft geopend, waarbij in het midden kan blijven of hij daartoe bevoegd was, is in het licht van vorenstaande feiten en omstandigheden onvoldoende om de slotsom te wettigen dat aan de (strenge) voorwaarden van artikel 29, tweede lid, CMR is voldaan. De gedragingen van de werknemer liggen, met andere woorden, niet in het verlengde van het uitvoeren van de vervoersovereenkomst door Logistics Solutions, aldus de rechtbank.

Daardoor kon Logistics Solutions zich beroepen op de maximering van de schadevergoeding van art. 23 CMR voor de pakketten waarvoor het CMR gold, omdat het handelen van haar medewerker niet als opzet van haarzelf kon worden aangemerkt in de zin van art. 29 lid 2 CMR. Het Hof breidde de toerekening aan de werkgever door het feit, dat de loodsmedewerker tijdens de opslag dienst had, te beschouwen als een betrokkenheid van de medewerker aan het vervoer van deze pakketten.

De Hoge Raad wees de klacht van Logistic Solutions toe, dat het Hof hiermee buiten de rechtsstrijd getreden was. TMS had namelijk in hoger beroep geen grief gericht tegen de vaststelling van de rechtbank, dat de werknemer geen rol vervulde bij het vervoer. Door dit zelf in te vullen trad het Hof buiten de rechtsstrijd. Op basis van de regel ‘quantum appellatum, tantum devolutum’ mocht het Hof alleen oordelen binnen de kaders van de grieven van TMS.

Auteur & Last edit

[MdV, 9-05-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.