Onderhandse en authentieke akte

Daar vinden we de definitie van het begrip “akte”. Art. 156 lid 1 Rv. definieert een akte als volgt:

“Akten zijn ondertekende geschriften, bestemd om tot bewijs te dienen.”

Een akte vereist dus, dat iets op schrift gesteld is. Bovendien moet de akte zijn ondertekend (van een handtekening zijn voorzien). Het ligt voor de hand, dat als een partij een akte niet getekend heeft, de akte tegen die partij  niet tot bewijs kan strekken. De instemming met de inhoud van de akte moet immers blijken uit de ondertekening.

Authentieke akte

Authentieke akten zijn akten, die zijn opgemaakt door daarvoor aangewezen ambtenaren. Zoals een notaris of een griffier.

Art. 156 lid 2 Rv. formuleert het aldus:

“Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren, aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen.”

Dat betekent dus, dat een authentieke akte ook schriftelijk moet zijn opgemaakt, en van een handtekening voorzien moet zijn.

De bevoegdheid kan in bepaalde gevallen ook worden gedelegeerd, zegt de tweede volzin van deze bepaling.

Onderhandse akte

De definitie van een onderhandse akte is vrij simpel: dat zijn alle akten. Dus alle schriftelijke en ondertekende documenten dienende tot bewijs, die niet door een ambtenaar (of namens hem krachtens delegatie van diens bevoegdheid) zijn opgesteld. Aldus art. 156 lid 3 Rv.

Digitale vastlegging onderhandse akte

Art. 156a lid 1 Rv. laat ook toe, dat onderhandse akten op andere wijzen dan schriftelijk worden vastgelegd. Deze bepaling is aan de wet toegevoegd omdat steeds minder gebruik gemaakt wordt van papier en steeds meer van digitale vastlegging. Deze bepaling is per 1 maart 2017 van kracht geworden, als onderdeel van de Wetswijziging in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (zie Stb. 2016, 289 en Stb. 2017, 16).

Wanneer schriftelijke vastlegging wettelijk is voorgeschreven, dan is digitale (d.w.z. “anders dan schriftelijke vastlegging op papier”) vastlegging alleen toegestaan met instemming van degene aan wie de akte verschaft moet worden (art. 156a lid 2 Rv. ).

Geregistreerde onderhandse akte

Een geregistreerde onderhandse akte is een onderhandse akte die is geregistreerd door de Belastingdienst, Afdeling Registratie en Successie. Zie de website van de Belastingdienst voor meer informatie. Zie ook de pagina Overdracht van goederen en de daar besproken “akte van cessie” en de pagina Pandrecht.

Dwingende bewijskracht authentieke en onderhandse akte

Authentieke akten hebben dwingende bewijskracht tegenover eenieder voor wat betreft de ambtenaar binnen zijn bevoegdheid heeft  verklaard (art. 157 lid 1 Rv.). Denk bvb. aan de notariële oprichting van een rechtspersoon of de notariële akte van overdracht van onroerend goed.

Tussen partijen hebben authentieke en onderhandse akten ook dwingende bewijskracht waar het gaat om verklaringen in die akte die tot doel hebben een bepaald feit of rechtsfeit als bewijs vast te leggen (art. 157 lid 2 Rv.). Iedere onderhandse overeenkomst beoogt na de bewoordingen: “verklaren te zijn overeengekomen als volgt” een dergelijke verklaring. De akte bindt ook rechtverkrijgenden.

Processuele abstractie

De onderhandse akte roept een zgn. “processuele abstractie” in het leven, waardoor voor de toewijsbaarheid van de vordering in beginsel niet ter zake doet welke verbintenis aan de vordering ten grondslag ligt. Ook doet niet ter zake doet of deze verbintenis die aan de vordering ten grondslag ligt in rechte is komen vast te staan. De akte biedt in zichzelf het dwingend bewijs daarvan, en de juridische grondslag van de vordering hoeft niet in de akte vermeld te zijn.

Wanneer een partij zich op de dwingende bewijskracht wil beroepen, geldt overigens een belangrijke nuance in de wijze waarop dit in de procedure gesteld wordt. De eisende partij moet uitdrukkelijk een beroep doen op de processuele abstractie die art. 157 lid 2 Rv. (c.q. art. 158 lid 1 Rv., als de akte minimaal een goedschrift bevat) aan een dergelijke akte verbindt. De vordering moet primair op de schuldbekentenis zelf gebaseerd worden, want die biedt daarvoor de bewijsrechtelijke basis. De schuldeiser behoeft slechts te stellen dat er een schuld is alsmede een schuldbekentenis en vervolgens kan afwachten of de gedaagde erin slaagt tegenbewijs te leveren.

De Hoge Raad heeft dit toegelicht in het arrest HR 13 juni 1997 (ECLI:NLHR:1997:AG7245):

“3.5 De eiser die zich ten bewijze van zijn vordering op gedaagde beroept op een onderhandse akte waarin naar vaststaat gedaagde in verband met een in die akte vermelde rechtsverhouding heeft verklaard een bepaalde geldsom aan eiser te zullen betalen, heeft daardoor in beginsel zijn vorderingsrecht met betrekking tot die geldsom bewezen, ook indien niet in de akte is uitgedrukt uit welke hoofde de betaling aan de eiser dient te geschieden. Het ligt dan op de weg van de gedaagde die verweer wenst te voeren, om feiten te stellen en te bewijzen, waaruit blijkt dat het door eiser gestelde vorderingsrecht hem niet toekomt.”

De dwingende bewijskracht kan worden weerlegd met tegenbewijs. Voor het slagen van tegenbewijs is voldoende dat het door de andere partij geleverde bewijs erdoor wordt ontzenuwd. Zie HR 16 maart 2007 (voorkeursrecht tuinbouwbedrijf). In Hof Arnhem-Leeuwarden 21 november 2017 (borgen Wassenaar Holding B.V./Friesland Bank overweegt het gerechtshof hierover (r.o. 5.3): “Voor zo’n tegenbewijslevering is overigens voldoende dat het voorhanden bewijs wordt ontzenuwd of, anders gezegd, de overtuiging die er van uitgaat aan het wankelen wordt gebracht.”

De wet maakt een uitzondering voor rechtsgevolgen die niet ter vrije bepaling van partijen staan. Dat is logisch: partijen kunnen niet iets bewerkstelligen waar ze geen bevoegdheid over hebben.

Uitleg van akten

Los van het bewijsaspect van een akte kan ook discussie ontstaan over de vraag, wat er precies in de akte is afgesproken en vastgelegd. Niet alle akten zijn even goed geformuleerd. Zie ook de pagina Rechtsgevolgen van overeenkomsten inzake de uitleg van overeenkomsten op grond van het Haviltex-criterium.

De P-G merkt hierover – onder verwijzing naar de literatuur – in diens conclusie bij het hierna vermelde arrest HR 13 maart 2017 op:

“De bedoeling waarmee de akte is opgemaakt, is bepalend voor het antwoord op de vraag of de akte is bestemd om tot bewijs te dienen van een bepaalde daarin opgenomen verklaring10. De bewijsbestemming van de akte zal in de regel kunnen worden afgeleid uit de inhoud en de ondertekening, omdat in het algemeen een schriftelijke vastlegging zal zijn bedoeld om tot bewijs te dienen. In sommige gevallen moet dit echter worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval.”

Bij een akte van schuldbekentenis is de verschuldigdheid voor dat bedrag – met ander woorden: het bestaan en de omvang van de in de akte aangeduide schuld – datgene wat dwingend bewijs oplevert, als aan het vereiste van (tenminste) het handgeschreven goedschrift is voldaan.

Bewijskracht eenzijdige onderhandse akte bij geldsom

Wanneer een onderhandse akte slechts een verbintenis van één partij tot voldoening van een geldsom vastlegt, heeft die akte géén dwingende bewijskracht maar slechts vrije bewijskracht, als de akte niet volledig handgeschreven is of een goedschrift bevat (art. 158 lid 1 Rv.). Hiermee geeft de wet een uitzondering op de dwingende bewijskracht van art. 157 lid 2 Rv.. Deze bepaling is ook van belang bij een particuliere borgstelling (zie de pagina Borgtocht buiten beroep of bedrijf).

De P-G merkt in de conclusie bij onderstaand arrest op, dat bij een akte van schuldbekentenis de verschuldigdheid voor dat bedrag – met ander woorden: het bestaan en de omvang van de in de akte aangeduide schuld – datgene is wat dwingend bewijs oplevert, mits aan het vereiste van (tenminste) het handgeschreven goedschrift is voldaan.

Is een dergelijke akte niet eigenhandig geschreven of niet van een met de hand geschreven goedschrift voorzien, dan is art. 157 lid 2 Rv. niet van toepassing en heeft de akte derhalve slechts vrije bewijskracht. De bedoeling van de wetgever met deze bepaling is om onvoorzichtige mensen te beschermen tegen het ondoordacht tekenen van schuldbekentenissen en blanco stukken. Aldus nog steeds de P-G.

Van de hiervoor genoemde bescherming heeft de wetgever in art. 158 lid 2 Rv. uitgezonderd een schuldenaar die een verbintenis aangaat in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.

De juridische grondslag (de “causa” of titel) van de vordering hoeft niet in de schuldbekentenis vermeld te worden. Zie de conclusie van de P-G van 11 maart 2016, die daarin ook verwijst naar de literatuur.

Wat is een goedschrift in een schuldbekentenis of borgstelling?

Een goedschrift houdt in, dat de partij die de schriftelijke akte heeft ondertekend deze heeft voorzien van een goedkeuring die de geldsom voluit in letters vermeldt. Dus bijvoorbeeld (handgeschreven): “goed voor tweeduizend Euro”.

Deze bepaling geeft dus niet een vormvereiste dat voorwaarde is voor de geldigheid van de akte als zodanig. Het is slechts een bewijsregel. De begunstigde van de akte kan zich er nog steeds op beroepen. Wanneer de geldigheid van de akte wordt betwist door de ondertekenaar omdat het goedschrift ontbreekt, dan heeft deze daardoor de mogelijkheid tegenbewijs te leveren tegen de geldigheid van de verklaring in de akte, waar de wederpartij zich op beroept.

Art. 158 lid 2 Rv. maakt een uitzondering voor verbintenissen door de schuldenaar in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf aangegaan, en voor aandelen in een obligatielening. Zie voor de vaststelling wat is aan te merken als “aangegaan in beroep of bedrijf” ook de pagina Borgtocht buiten beroep of bedrijf, waar ook enkele arresten van de Hoge Raad worden besproken.

Rechtspraak over bewijskracht eenzijdige onderhandse akte geldsom

In het arrest HR 13 maart 2017 (Hoogeboom) vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof, omdat de motivering van een aantal beslissingen van het Hof inzake de toepassing van art. 158 lid 1 Rv. onvoldoende was. Het betrof een zaak, waarin een vader en twee zoons, die samen een onderneming (een grondverzetbedrijf en een loonbedrijf) in de vorm van een aantal vennootschappen voerden, een onderhandse akte hadden ondertekend waarin zij verklaarden aan een derde – die de vennootschappen gefinancierd had – een bedrag van 2,8 miljoen Euro met 3,5% rente schuldig te zijn. Hun echtgenoten hadden meegetekend in verband met art. 1:88 B.W.. Deze onderhandse schuldbekentenis bevatte echter geen goedschrift. De Hoge Raad corrigeert het Hof, dat aan de akte van schuldbekentenis dwingende bewijskracht toekende en een bewijsaanbod tot het leveren van tegenbewijs passeerde.

Lees de overwegingen van HR 13 maart 2017 (Hoogeboom)

De Hoge Raad stelt eerst de feiten vast:

“In januari, maart of mei 2007 hebben vader en zoons en de derde een door een advocaat opgestelde akte van schuldbekentenis ondertekend. Daarin verklaarden de holding, het aannemersbedrijf en het loonbedrijf alsmede de natuurlijke personen [betrokkene 1], [eiser 3] en [eiser 5] in privé, als schuldenaren hoofdelijk aan [verweerder] € 2,8 miljoen vermeerderd met 3,5% rente per jaar schuldig te zijn:

“ten titel van………..als in de bijlage gespecificeerd en gedocumenteerd weergegeven en voor het overige aan partijen genoegzaam bekend is (productie 1) – hierna ook te noemen: de vordering”.

De akte bevat voorts de bepaling dat de schuldenaren verplicht zijn op eerste schriftelijk verzoek van [verweerder] zekerheid aan hem te verstrekken voor de nakoming van hun verplichtingen, bijvoorbeeld in de vorm van een hypotheekrecht.

De toenmalige boekhouder van het familiebedrijf heeft de schuldbekentenis met de pen gedateerd op 1 januari 2007. De echtgenotes van vader en zoons, worden niet als schuldenaar in de akte vermeld maar hebben deze wel ondertekend voor “toestemming echtgenote ex artikel 1:88 BW”.”

Daarnaast hebben partijen ook nog een verklaring, gedateerd op 15 januari 2007 ondertekend, waarbij alle zes natuurlijke personen verklaren “in privé en zakelijk (voor holding, grondverzet en loonbedrijf)” € 2,8 miljoen schuldig te zijn aan de derde. Logischerwijs zou je verwachten dat aan de hand daarvan de andere akte door de advocaat is opgesteld en vervolgens door hen is ondertekend. Vervolgens is op 10 juli 2007 ook nog hypotheek verstrekt op onroerende zaken van vader en zoons. Nadat de BV’s failliet gegaan waren hebben vader (of diens erfgenaam) en zoons middels een advocaat op 25 maart 2009 en 1 april 2009 de vernietiging ingeroepen van de overeenkomsten van schuldbekentenis en hypotheek uit 2007 van in hoofdsom € 2,8 miljoen.

De derde vordert betaling van het bedrag van € 2,8 miljoen plus rente. De erfgenaam van vader en de zoons vorderen een verklaring voor recht dat zij in 2009 terecht de vernietigbaarheid van de schuldbekentenissen hebben ingeroepen. De rechtbank wees de vordering van de derde af, en die van de erven en zoons toe. Het Hof wees echter alsnog de vordering van de derde toe (en de verklaring voor recht af).

Het Hof overwoog daarbij:

“6. De akte van schuldbekentenis (…) is een onderhandse akte, die ingevolge art. 157, tweede lid Rv. ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs oplevert van de waarheid van die verklaring. Er moet dus op grond van art. 157, tweede lid Rv. van uitgegaan worden, dat waar is wat er in de door partijen ondertekende akte staat.

en verder:

11. Op grond van het voorgaande gaat het hof uit van de juistheid van de akte van schuldbekentenis die is gedateerd op 1 januari 2007. De tweede schuldbekentenis (gedateerd op 15 januari 2007) vermeldt weliswaar niet de reden van de verschuldigdheid van € 2,8 miljoen, maar door het verband met de eerste schuldbekentenis waarin de mannen hun hoofdelijke aansprakelijkheid erkenden en de vrouwen daarvoor toestemming gaven is die reden (ook voor de vrouwen) voldoende gegeven. Het staat [eisers] vrij om tegenbewijs tegen deze aanname te leveren, maar enig bewijsaanbod hebben zij niet gedaan.”

De Hoge Raad corrigeert het Hof, overwegende (r.o. 3.3):

“De onderdelen 1.1-1.2 klagen dat het hof heeft miskend dat de akte van schuldbekentenis … door partijen niet is voorzien van een handgeschreven goedschrift als bedoeld in art. 158 Rv, en dat die akte daarom tussen partijen geen dwingend bewijs oplevert van de waarheid van de daarin opgenomen verklaringen.

De onderdelen zijn gegrond. Tussen partijen staat vast dat in de hiervoor bedoelde (onderhandse) akte van schuldbekentenis verbintenissen van slechts één partij zijn aangegaan of vastgelegd en dat die verbintenissen (mede) strekken tot voldoening van een geldsom. Nu die akte, zoals eveneens vaststaat, niet is voorzien van een goedschrift in de zin van art. 158 lid 1 Rv, is art. 157 lid 2 Rv niet van toepassing op die akte voor zover de verbintenissen strekken tot voldoening van een geldsom, en levert die akte derhalve daaromtrent tussen partijen geen dwingend bewijs op, maar heeft zij vrije bewijskracht.”

De Hoge Raad casseert ook omdat er bij de rechtbank wel een aanbod gedaan was tot het leveren van tegenbewijs in de vorm van getuigenverhoor. Een dergelijk bewijsaanbod moet door het Hof in verband met de devolutieve werking van het hoger beroep ook in die instantie worden meegenomen en hoeft niet per se herhaald te worden.

Auteur & Last edit

[MdV, 29-11-2016; laatste bewerking 20-10-2020]

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.