Haags Bewijsverdrag

Inleiding Haags Bewijsverdrag

Het Haags Bewijsverdrag (1970) – voluit geheten Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en handelszaken (Engels: Convention of the Taking of Evidence Abroad in Civil or Commercial Matters) – regelt bewijsgaring in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken. Het verdrag is net als het Haags Betekeningsverdrag tot stand gekomen onder auspiciën van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht (zie ook de website van de HCCH).

Bij dit verdrag zijn 64 landen aangesloten. Een lijst van aangesloten landen is te vinden op de website van de HCCH. Ter facilitering van de uitvoering in Nederland is op 11 december 1980 de Uitvoeringswet Bewijsverdrag uitgevaardigd.

Alternatief voor bewijsvergaring in het buitenland is – als dit binnen de EU plaatsvindt – de Europese Bewijsverordening. Zie de pagina Europese Bewijsverordening. Een ander alternatief voor buitenlandse partijen is om te proberen in het land in kwestie – dat kan dus ook Nederland zijn – volgens de gewone regels van het nationale procesrecht en bewijsrecht de gewenste bewijzen te verkrijgen. Zie voor het Nederlandse bewijsrecht de pagina Bewijs en in het bijzonder voor het horen van getuigen de pagina Getuigenbewijs.

Voor landen waar het Haags Bewijsverdrag niet geldt, zou naast het nationale procesrecht ook het Haags Rechtsvorderingsverdrag van 1954 wellicht nog nuttig kunnen zijn, maar dit vindt nog maar weinig toepassing.

Vraag of rechter verplicht is het Haags Bewijsbedrag te gebruiken

Of de Nederlandse rechter gehouden is om de weg van het Haags Bewijsverdrag te volgen, is onderwerp van debat. Voor de Bewijsverordening is dit al beslist, ten gunste van keuzevrijheid. Volgens het HvJ EU 6 september 2012 (Lippens/Kortekaas c.s.) de geldt de Europese Bewijsverordening niet exclusief en kan – in plaats van de verordening – dus ook geopteerd kan worden voor het nationaal procesrecht. Zie voor het Haags Bewijsverdrag zie het discussiestuk ‘Mandatory or non mandatory character of the Evidence Convention‘ op de website van de HCCC.

In het vonnis Rb. Almelo 22 juni 2011 (Van de Kant q.q./Gyllentorget Brands B.V.) wees de rechtbank een verzoek tot het doen horen van getuigen in Duitsland, Zuid-Afrika en New York door middel van een rogatoire commissie af, omdat – naar analogie van de beslissing van het HvJ EU, dat de Europese Bewijsverordening niet uitsluit, dat buitenlandse getuigen volgens het nationale procesrecht worden gehoord – ditzelfde naar het oordeel van de rechtbank geldt voor het Haags Bewijsverdrag. Dit sluit volgens de rechtbank evenmin de toepassing van art. 176 Rv. uit zonder gebruik te maken van het Haags Bewijsverdrag (r.o. 2.3). De getuigen kunnen prima naar Almelo komen, zo is kennelijk de gedachte van de rechtbank.

Bewijsgaring door (via) de rechter

De bewijsverkrijging in het buitenland verloopt bij het Haags Bewijsverdrag via de rechter, die een instantie in het land ter plekke benadert voor assistentie. Doorgaans is die instantie ook de lokale rechter. Onderstaand wordt ingegaan op de afhandeling van een verzoek tot getuigenverhoor. De procedure wordt uitgevoerd conform het procesrecht van het land, dat de rogatoire commissie uitvoert (art. 9 Haags Bewijsverdrag en art. 11 lid 1 Uitvoeringswet).

Uit de terminologie volgt naar Nederlands procesrecht, dat het hierbij gaat om een verzoekschriftprocedure. Zie de pagina Verzoekschriftprocedure in 1e aanleg.

Centrale instantie Haags Bewijsverdrag: rechtbank Den Haag

Bij verzoeken tot bewijsgaring in Nederland moet de buitenlandse rechter het verzoek richten tot rechtbank Den Haag. Deze is in art. 2 Uitvoeringswet aangewezen als de ‘centrale autoriteit’ voor rogatoire commissies conform art. 2 Haags Bewijsverdrag.

De rechtbank toetst krachtens art. 5 lid 1 Uitvoeringswet summierlijk of het verzoek aan de in het verdrag gestelde eisen voldoet. De centrale autoriteit toetst het verzoek niet inhoudelijk, in die zin of het verzoek tot toepassing van een bepaalde vorm van de bewijsgaring uitvoerbaar is (de toets van art. 9 Haags Bewijsverdrag). Die toets is aan de uitvoerende rechtbank.

Uitvoerende rechtbank rogatoire commissie

De rechtbank Den Haag stuurt het verzoek vervolgens door naar de uitvoerende rechtbank. Dat is de rechtbank waar de getuige – of als het meerdere getuigen betreft – woont (art. 5 lid 2 Uitvoeringswet). Dat kan zijn de Kantonrechter of de Afd. Civiel en Handelszaken van de ‘gewone’ rechtbank ter plaatse (art. 5 lid 3 Uitvoeringswet). In het laatste geval geldt voor de partijen verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat. Zie de pagina Verloop verzoekschriftprocedures. De uitvoerende rechtbank benoemt daartoe een rechter-commissaris, zijnde een rechter uit die rechtbank (art. 22 lid 1 Uitvoeringswet).

Van belang is, dat op grond van art. 22 lid 4 Uitvoeringswet (aanhef en onder a, 2e gedachtenstreepje) in de oproep van de getuige vermeld moet worden, dat de verschijning vrijwillig geschiedt en dat een weigering om te verschijnen, de eed of de belofte af te leggen of een verklaring af te leggen, niet kan leiden tot enigerlei maatregel of straf van welke aard ook tegen de betrokkene, noch in Nederland, noch in de Staat waar de procedure aanhangig is.

Met name buitenlandse advocaten hebben er belang bij actief bij de rogatoire commissie betrokken te worden. De uitvoerende rechtbank stelt daartoe de verzoekende rechtbank tijdig op de hoogte van het tijdstip van uitvoering (art. 7 Haags Bewijsverdrag). De buitenlandse rechter kan wel vragen om zelf de uitvoering van het getuigenverhoor op zich nemen (art. 8 Haags Bewijsverdrag en art. 21 lid 1 Uitvoeringswet), maar dat komt weinig of niet voor.

Het verhoor wordt vervolgens – behoudens de hierna te bespreken ‘bijzondere verzoeken’ – uitgevoerd zoals naar Nederlands recht gebruikelijk is (art. 11 lid 1 Uitvoeringswet). Zie voor de wijze waarop een getuigenverhoor naar Nederlands procesrecht normaliter verloopt de pagina Getuigenbewijs.

Verzoek om toepassing van bijzondere vormen van getuigenverhoor in het buitenland

Op grond van art. 9 Haags Bewijsverdrag kan de buitenlandse rechter – meestal op instigatie van de advocaten in het land van de verzoekende rechtbank – vragen om het verhoor in een bijzondere vorm uit te voeren. Met name advocaten uit de VS doen vaak dergelijke uitvoerige en gespecificeerde verzoeken. Daarbij valt te denken aan:

– het rechtstreeks laten stellen van vragen aan de getuige door de buitenlandse advocaat;
– het houden van het getuigenverhoor in het Engels;
– het houden van het getuigenverhoor via een videoconference of telefonische conference call;
– rechtstreeks verhoor van getuigen via videoverbinding door de buitenlandse rechter;
– het laten verstrekken van stukken door de getuige;
– het opstellen van een woordelijk verslag met behulp van een ‘court reporter’;
– het laten opnemen van het getuigenverhoor.

De uitvoerende rechter zal moeten beoordelen, in hoeverre deze speciale verzoeken verenigbaar zijn met het Nederlandse procesrecht (art. 9 Haags Bewijsverdrag). De rechter zal daarbij met name rekening houden met de positie van de getuige, en deze dan ook toestaan zich daarover uit te laten. Het is raadzaam dat de getuige zich daarbij ook door een advocaat laat bijstaan, met name als de getuige bezwaren heeft tegen bepaalde vormen. Die bezwaren zullen dan deugdelijk onderbouwd moeten worden.

Verder zal de rechter ook alle betrokken buitenlandse partijen in de gelegenheid moeten stellen zich uit te laten over de verzochte specifieke vorm(en) van uitvoering van het verhoor. Omdat zij niet thuis zijn in het Nederlandse procesrecht doen ook zij er verstandig aan een Nederlandse advocaat in de arm te nemen.

De rechter kan partijen en de getuige vragen zich schriftelijk uit te laten over de ‘bijzondere vormen’, maar er kan ook een mondelinge behandeling plaatsvinden om die te bespreken. Daarna pas zal de rechter beslissen, en kan het eigenlijke verhoor plaatsvinden.

Kan de rol van de buitenlandse advocaat of rechter worden ingepast in het Nederlandse procesrecht?

De rechter zal dus moeten beoordelen, in hoeverre bijzondere verzoeken als hiervoor genoemd ingepast kunnen worden in het Nederlandse procesrecht. Enkele van deze speciale vormen passeren hierna de revue.

Ondervraging van getuigen door buitenlandse advocaten van partijen

Op zichzelf is het ondervragen van getuigen door (Nederlandse) advocaten en zelfs door partijen zelf binnen het Nederlandse procesrecht toegestaan (art. 179 lid 2 Rv.). De rechter is in het Nederlandse procesrecht sterk sturend in het verhoor. Hij kan verhinderen dat een vraag wordt beantwoord. Daarin verschilt het Nederlandse systeem van het Angelsaksische, waar het verhoor in handen is van de advocaten (de ‘cross examination’) en de rechter slechts als scheidsrechter optreedt (‘objection, your honour!’). Zie de pagina Getuigenbewijs, over de gang van zaken bij het getuigenverhoor.

Verhoor door buitenlandse advocaten wordt echter niet altijd toegestaan. Vgl. Rb. Midden-Nederland 6 mei 2015 (Intellectual Ventures/AT&T Mobility c.s.), r.o. 4.5. Anderzijds zijn er ook rechters, die vinden dat de buitenlandse advocaten en partijen juist bij uitstek zijn aangewezen om vragen te stellen. Vgl. Rb. Midden-Nederland 20 oktober 2021 (verzoek van de Tribunal de Première Instance, Geneve), r.o. 3.5.

Getuigenverhoor in een andere taal dan het Nederlands

Er is geen bepaling in het Nederlandse procesrecht, dat de procestaal in Nederlandse procedures het Nederlands is, maar dit wordt wel als geldend recht aangenomen. De Gerechtsdeurwaarderswet stelt overigens geen expliciete eisen aan de taal waarin het exploot wordt opgesteld. In de MvT bij het wetsvoorstel 34761 inzake de invoering van de NCC en de NCCA (Netherlands Commercial Court) wordt hierover het volgende gezegd:

“Er is evenmin een wettelijke bepaling die expliciet voorschrijft dat de procestaal in Nederlandse civiele procedures de Nederlands taal is. Algemeen wordt wel aangenomen dat dit geldend recht is. Ook de Wet gebruik Friese taal gaat van die veronderstelling uit. Artikel 15, eerste lid, van deze wet bepaalt dat in strafzaken, civiele zaken en bestuursrechtelijke zaken die aanhangig zijn bij de rechtbank Noord-Nederland of het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden processtukken, met uitzondering van dagvaardingen in strafzaken, in de Friese taal mogen worden gesteld. Daarnaast mogen ingevolge artikel 11 van de wet inwoners van Friesland bij voornoemde gerechten zich bedienen van de Friese taal. Ook het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kent de mogelijkheid om in de lokaal erkende voertalen (het Engels, het Nederlands en het Papiaments) het woord te voeren en om producties in de vreemde taal te overleggen.”

In de Wet vorm van de eed stelt de wet wel het vereiste, dat die in het Nederlands wordt afgelegd. De rechter kan echter het stellen van vragen in het Engels toestaan. Vgl. Rb. Rotterdam 4 juni 2009 (verzoek District Court of of the Southern district of New York) en Rb. Midden-Nederland 19 februari 2021 (verzoek District Court of Salt Lake County).

Waar nodig wordt een Engelse tolk ingeschakeld, als de getuige geen Engels spreekt. Die moet op grond van art. 14 Haags Bewijsverdrag worden betaald door het verzoekende gerecht.

Internationaal getuigenverhoor via videoverbinding

Het houden van rechterlijke zittingen via videoverbinding is inmiddels – dankzij corona – gemeengoed geworden. Dat is dus naar Nederlands recht mogelijk geworden, waar eerder – omdat Nederland klein is – de noodzaak zich niet echt voordeed, anders dan in landen zoals de Verenigde Staten. In de MvT bij het wetsvoorstel 34059 wordt uitdrukkelijk vermeld, dat het doen houden van een zitting via videoconference mogelijk is, en in sommige gevallen zelfs wenselijk en efficiënter is.

“De digitalisering leidt uitdrukkelijk niet tot een vermindering van het contact tussen de rechter en de rechtzoekenden. De mondelinge behandeling zelf vindt in beginsel plaats in fysieke aanwezigheid van alle betrokkenen, hoewel de wet niet in de weg staat aan een zitting die via een videoconferentie plaatsvindt.”

Overigens heeft de Hoge Raad in het arrest HR 22 april 2022, (X/Stichting Het Utrechts Landschap) beslist, dat een zitting via videoverbinding wel degelijk is aan te merken als openbaar, en dit dus niet in strijd is met de Grondwet of art. 6 EVRM. Immers kan eenieder die ter plekke is aan beide kanten van de verbinding de zitting volgen.

Rechtstreeks verhoor van getuigen via videoverbinding door de buitenlandse rechter

Het rechtstreeks verhoren van getuigen via een videoverbinding door de buitenlandse rechter behoort ook tot de mogelijkheden. Zie in dit verband ook art. 8 Haags Bewijsverdrag, dat reeds de mogelijkheid biedt om de buitenlandse rechter – desgevraagd – het verhoor te laten leiden.

Ook daartoe moet dan door de verzoekende rechter een bijzonder verzoek gedaan worden. Dit was onder meer aan de orde in Rb. Overijssel 30 juni 2021 (Combe Intn. Ltd./August Wolf GmbH & Co.) (zie r.o. 1.6) op het verzoek tot een rogatoire commissie van de ‘Senior Master of the Queen’s Bench Division, Royal Courts of Justice’ (Londen).

Het laten verstrekken van stukken door de getuige

In Angelsaksische procedures bestaat de zgn. ‘pretrial discovery of documents‘. In Nederland is die vorm niet toegestaan. Op grond van Nederlands procesrecht is een ‘fishing expedition‘ waarbij openlegging wordt gevraagd van niet exact omschreven bewijsstukken niet toegestaan. Nederland heeft daarom gebruik gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid van art. 23 Haags Bewijsverdrag. Zie op dit punt ook r.o. 4.2 in het arrest HR 18 februari 2000 (News c.s./ABN AMRO).

Het vragen van stukken – over te leggen door een getuige – is wel mogelijk, maar zo’n verzoek wordt dan getoetst aan de stricte eisen van art. 843a Rv.. Daarbij hoeft – sinds de herziening van art. 843a Rv. in 2002 geen sprake (meer) te zijn van een rechtsbetrekking tussen de getuige en de verzoekende partij, die tot de verstrekking van die informatie verplicht. Zie ook de pagina Afschrift, uittreksel en inzage van akten en andere bewijsmiddelen.

Als de rechter het verzoek tot afgifte of inzage toestaat, dan zal de getuige deze voorafgaand aan het verhoor moeten verstrekken, omdat die immers van belang (kunnen) zijn voor de bij het verhoor te stellen vragen.

Het opmaken van een woordelijk verslag van het getuigenverhoor bij een rogatoire commissie

Krachtens art. 180 lid 1 Rv. maakt de griffier een proces-verbaal van het getuigenverhoor. Dat is echter geen woordelijk verslag, maar meer een samenvatting. De getuige kan daar wijzigingen in laten aanbrengen, als hij meent dat het verslag niet juist weergeeft wat hij heeft verklaard. Advocaten kunnen daarop ook sturen. Zie ook de pagina Getuigenbewijs.

De ratio achter het niet woordelijk laten opnemen is volgens de wetsgeschiedenis enerzijds, dat dit de rechter beter zou laten nadenken over het verhoor en anderzijds omdat dit praktischer is. De wet verbiedt echter niet een woordelijk verslag (opgemaakt door een stenograaf of ‘court reporter‘), en zeker wanneer de partijen – zoals bij een rogatoire commissie – de extra kosten daarvan moeten dragen is dat geen bezwaar. Zie het vonnis van Rb. Rotterdam 4 juni 2009 (Citco/X). De rechtbank zag geen bezwaar in een woordelijk verslag. Het transcript en de bewijsstukken dienden wel door de rechtbank bekrachtigd te worden, aldus de rechtbank.

Zie ook de (nog) niet gepubliceerde uitspraak van Ktr. Utrecht 21 april 2008 (NJF, 2008), en de wel gepubliceerde hiervoor al genoemde uitspraken Rb. Midden-Nederland 6 mei 2015 (Intellectual Ventures/At&T c.s.) (r.o. 4.9), Rb. Overijssel 30 juni 2021 (Combe Intn. Ltd./August Wolf GmbH & Co.) (zie r.o. 1.5).

De rechtbank maakt een proces-verbaal op van het getuigenverhoor (art. 12 Uitvoeringswet). Wanneer er een woordelijk (verbatim) verslag gemaakt wordt, kan de rechtbank in het p-v van het getuigenverhoor kortheidshalve verwijzen naar dat (bijgevoegde) verslag. Het p-v van het verhoor wordt vervolgens toegezonden aan de rechtbank Den Haag als centrale instantie, die het doorstuurt naar de verzoekende rechterlijke instantie (art. 14 Uitvoeringswet).

Opname van het getuigenverhoor

Krachtens art. 90 lid 7 Rv. behoort het maken van een geluidsopname of video-opname van en mondelinge behandeling al tot de mogelijkheden. Zie de pagina Algemene bepalingen dagvaardingsprocedure. In art. 30n lid 7 Rv. (digitaal) wordt ook de mogelijkheid geboden om een geluidsopname of video-opname van een getuigenverhoor te maken. In niet-digitale procedures is die bepaling echter weer on hold gezet in verband met de intrekking van digitaal procederen onder KEI. De daar genoemde AMvB is (nog) niet uitgevaardigd.

In Rb. Midden-Nederland 6 mei 2015 (Intellectual Ventures/At&T c.s.) is een video-opname toegestaan.

Bovenstaande informatie is mede ontleend aan het zeer informatieve artikel van mr. W.A. Visser, stafjurist rechtbank Midden-Nederland en NCC, verschenen in BER (april nr. 3, 2022).

Auteur & Last edit

[MdV, 18-05-2022; laatste bewerking 21-05-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.