Getuigen (Par. 4, Afd. 9, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Pagina inhoud

Inleiding getuigenbewijs

In Par. 4 van Afd. 9, Titel 2 Boek 1 Rv. is de regeling van het bewijs door middel van getuigen opgenomen. De paragraaf omvat 23 artikelen (art. 163 Rv. tot en met art. 185 Rv.).

Bewijsaanbod voor bewijs door middel van getuigen

Getuigenverklaringen kunnen een belangrijke aanvulling vormen op het door een partij te leveren bewijs. Ze kunnen ook nuttig zijn voor het tegenbewijs door de verweerder. Het procesrecht gaat er van uit dat partijen al meteen bij de eerste stukkenwisseling – en meestal is er ook maar één ronde – al hun kaarten op tafel leggen (art. 21 Rv.). Zie ook de pagina Algemene beginselen procedures over de waarheidsplicht en de stelplicht.

Een bewijsaanbod waarbij in een later stadium wordt aangeboden nadere schriftelijke stukken in het geding te brengen is daarom een slag in de lucht: de rechter gaat daar niet op in omdat een partij dit zelf al direct had moeten doen. Het bewijsaanbod is dus met name zinvol voor getuigenbewijs (en andere vormen van bewijs die niet meteen overgelegd kunnen worden, zoals deskundigenbewijs). Het aanbod om nader bewijs te leveren door middel van getuigen moet zo concreet mogelijk aangeven, welke stellingen men met getuigen bewijzen. Alleen een algemene standaard zin waarin dit wordt aangeboden kan door de rechter gepasseerd worden. Zie hierover hierna nader bij het kopje Toelating tot getuigenbewijs.

Tegenbewijs door getuigen

De verweerder heeft steeds recht op het doen horen van getuigen na getuigenbewijs door de eisende partij (art. 168 Rv.). De verweerder hoeft daarvoor niet een bewijsaanbod gedaan te hebben. Behalve wanneer er sprake is van een wettelijk vermoeden (of rechterlijk vermoeden) ten nadele van de verweerder. Dan moet de verweerder wel een (concreet) bewijsaanbod voor getuigenbewijs doen, als hij dit vermoeden met getuigen wil weerleggen. En wanneer de verweerder nader getuigenverhoor wenst, nadat in 1e instantie al getuigen van de kant van verweerder gehoord zijn. Zie nader het kopje Contra-enquête.

Schriftelijke verklaring getuige is geen getuigenverklaring

Onder een getuigenverklaring wordt niet verstaan een schriftelijke verklaring van een getuige, al dan niet afgelegd ten overstane van een notaris. Dat is schriftelijk bewijs, waarvoor niet de regels van Par. 4, Afd. 9 gelden. Het verschil is, dat getuigen ter zitting onder ede verhoord worden, en partijen ook vragen kunnen stellen (hoor en wederhoor). Meestal neemt de rechter-commissaris echter het voortouw bij het stellen van vragen. De advocaten kunnen daarna vragen stellen. Soms laat de rechter het stellen van vragen direct over aan de (advocaat van de) partij, die de getuige heeft opgeroepen. Daarop moet je als advocaat dus zijn voorbereid.

De bewijskracht van getuigenverklaringen is vrij (art. 152 lis 2 Rv.). Zie de pagina Algemene bepalingen bewijsrecht.

NB de links naar wetten overheid op deze pagina zijn naar de NIET-DIGITALE versie van Rv..

Verklaring getuigenbewijs

Een getuigenverklaring kan (mag) alleen zien op feiten, die de getuige uit eigen waarneming bekend zijn (art. 163 Rv.). Ook kunnen getuigen in het Nederlandse procesrecht verklaren over feiten, die zij ‘van horen zeggen’ (testimonium de auditu) hebben (anders dan in de VS waar ‘hearsay’ kennelijk niet is toegestaan, gelet op de vaak gehoorde bezwaren in TV-series (‘hearsay your honour!’). Getuigen mogen dus ook verklaren over iets wat zij een ander hebben horen zeggen over een bepaald feit of een gebeurtenis enz..

Zij mogen ook verklaren over ‘indrukken’ die zij over of bij een bepaalde gebeurtenis hadden. Hierin verschilt de getuige van de deskundige, die uitsluitend kan verklaren over diens deskundige oordeel over de aan de orde gestelde feiten.

Voorbereiding door de getuige op het verhoor door raadplegen stukken

In het hierna bij art. 165 lid 2 Rv. ook aan de orde komende arrest HR 19 september 2003 (Hoofd Binnenlandse Veiligheidsdienst kwam aan de orde, dat de getuige zich naast zijn beroep op het verschoningsrecht er ook op beriep, dat hij geen verklaring kon afleggen over de feiten die de eiser wilde bewijzen, omdat hij toen nog niet voor de BVD werkte. De Hoge Raad honoreert dit verweer. De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.6):

“Weliswaar kan onder omstandigheden van een getuige worden verlangd dat hij zich ter voorbereiding van een door hem af te leggen verklaring op de hoogte stelt van schriftelijke stukken of kennis neemt van andere gegevens die eraan kunnen bijdragen dat hij zijn geheugen opfrist en op een adequate wijze op vragen zal kunnen antwoorden, doch het vereiste van art. 163 (art. 189 oud) Rv. dat de verklaring betrekking moet hebben op aan de getuige uit eigen waarneming bekende feiten, staat eraan in de weg dat de getuige verplicht wordt ter voorbereiding van de door hem af te leggen verklaring een onderzoek in te stellen naar feiten en omstandigheden die hem niet uit eigen wetenschap bekend zijn. Dit geldt te meer indien iemand als getuige wordt opgeroepen met de bedoeling dat door middel van deze getuige toegang zal worden verkregen tot bronnen die anders niet toegankelijk zouden zijn voor de partij die de getuige oproept.”

Hieruit blijkt, dat van een getuige wel verwacht kan worden dat die ter voorbereiding van het verhoor nog eens kennis neemt van schriftelijke stukken of andere gegevens, die eraan kunnen bijdragen zijn geheugen op te frissen en hem in staat stellen tijdens het verhoor adequate antwoorden te geven. Dit onverminderd het feit dat het wel moet gaan om feiten, die de getuige uit eigen waarneming bekend zijn geraakt.

Partijgetuigen

Sinds 1988 kunnen ook de procespartijen zelf kunnen als getuige optreden (art. 164 lid 1 Rv., tot 2002 art. 190 lid 1 oud Rv.). Reden voor de introductie hiervan was, dat de wetgever de ‘equality of arms’ wilde bevorderen. Wanneer immers een natuurlijke persoon verwikkeld is in een procedure tegen een rechtspersoon, dan kan die laatste een vertegenwoordiger of een werknemer als getuige laten horen, terwijl de natuurlijke persoon dit niet kon.

De bewijskracht van een dergelijke verklaring is echter minder zwaar: de verklaring heeft ‘vrije bewijskracht’, met de hierna te bespreken inperking van art. 164 lid 2 Rv..

Bewijskracht partijverklaring voor door die partij te bewijzen feiten

De verklaring van een partijgetuige kan ter zake van feiten die door haar te bewijzen zijn geen dragend bewijs opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs (art. 164 lid 2 Rv.). Dit kwam aan de orde in het arrest HR 7 juli 2017 (persoonsschade uitglijden IKEA), waarin de Hoge Raad zonder verdere omhaal het cassatieberoep afwijst.

Zoals de P-G in zijn conclusie bij dit arrest (onder 2.4) vermeldt, is dit een uitzondering op de bewijsrechtelijke uitgangspunten dat bewijs kan worden geleverd door alle middelen (art. 152 lid 1 Rv) en dat de rechter vrij is in zijn bewijswaardering (art. 152 lid 2 Rv). Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat de waarheidsvinding zoveel mogelijk moet worden bevorder en daarom terughoudendheid moet worden betracht bij het stellen van voor de bewijsvoering belemmerende voorschriften.

In HR 13 april 2001 (geschil verkoop woning) heeft de Hoge Raad beslist, dat deze wettelijke bepaling niet in strijd is met art. 6 EVRM (r.o. 3.4). De Hoge Raad geeft in dat arrest als maatstaf  voor het meewegen van de partijverklaring:

“de verklaring van een partij-getuige <kan> omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs te haren voordele opleveren, indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken.”

Dit betekent dus niet, dat een partijverklaring omtrent door haar te bewijzen feiten geen waarde heeft. In samenhang met andere bewijsmiddelen kan de rechter daar wel degelijk bewijskracht aan toekennen. Zie ook HR 31 maart 2006 (Ibro Energy Systems/Newinco c.s.), waar de Hoge Raad in r.o. 4.5.2 overwoog:

“… Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren.”

Deze regel mist toepassing voor contra-enquête: het betreft alleen de feiten die door de betreffende partij bewezen moeten worden. Voor verklaringen van de (tegen)partij in de contra-enquête geldt dit dus niet; die verklaringen wegen ten volle mee. Vgl. Hof Den Bosch 29 maart 2005 (enquete erfdienstbaarheid) (r.o. 4.4.2, de op één na laatste zin).

Niet verschijnen partijgetuige of weigering om te verklaren

Verschijnt een partijgetuige niet, of weigert de partijgetuige te antwoorden, of weigert hij/zij de verklaring te ondertekenen, dan mag de rechter daaruit zijn conclusies trekken (art. 164 lid 3 Rv.).

Wettelijke plicht tot afleggen getuigenverklaring

Eenieder, die daartoe op de wettelijke wijze is opgeroepen, is verplicht een verklaring af te leggen (art. 165 lid 1 Rv.). Dit is een burgerplicht in het algemeen belang, die op eenieder rust om indien gevraagd bij te dragen aan de waarheidsvinding in rechtszaken. Dit tenzij de getuige zich kan beroepen op een verschoningsrecht.

Verschoningsrecht getuigen civiele procedure

Sommige getuigen kunnen zich op het verschoningsrecht beroepen: zij mogen weigeren te verklaren (art. 165 lid 2 Rv.). Hiertoe zijn gerechtigd:

a. de echtgenoot en de vroegere echtgenoot (dan wel de geregistreerde partner en de vroegere geregistreerde partner) van een partij en de familie en schoonfamilie van een partij tot in de tweede graad. Dat omvat bloed- of aanverwanten van een partij of van de echtgenoot (of van de geregistreerde partner). Dit tenzij de partij in hoedanigheid optreedt;

b. zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd. Hierbij kan worden gedacht aan advocaten, notarissen en artsen. Het verschoningsrecht vloeit logischerwijs voort uit de geheimhoudingsplicht, die uit hoofde van hun beroep op deze beroepsbeoefenaren rust.
Ook geestelijken, belastingambtenaren, reclasseringsambtenaren, maatschappelijk werkers, juridisch medewerkers van een bureau voor rechtshulp, verplegers en journalisten.

Niet onder het verschoningsrecht vallen: een gezinsvoogd, een rechter, accountants, gemeenteraadsleden, de vertrouwensarts en de mediator.

Verschoningsrecht in civiele zaak bij gevaar voor strafrechtelijke vervolging

Een getuige die op zich wel gehouden is te antwoorden, mag wel weigeren op een bepaalde vraag te antwoorden, als daardoor zijn familieleden of andere personen in een familierechtelijke band tot hem/haar (zijnde de personen genoemd in lid 2 sub a) gevaar lopen strafrechtelijk vervolgd te worden (art. 165 lid 3 Rv.).

Incident verschoningsrecht getuige

De getuige is vrij zich al of niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Wanneer hij of zij dat doet, is dat een ‘incident’ in de procedure, waarover de rechter een beslissing moet nemen. In dit incident wordt de getuige dan ook partij, zodat deze ook hoger beroep kan instellen. Voor de getuige is dit echter de hoofdzaak en het vonnis dus ten opzichte van hem een eindvonnis. Zie HR 19 september 2003 (Hoofd Binnenlandse Veiligheidsdienst (r.o. 3.2). Het Hoofd van de BVD was als getuige opgeroepen in de procedure tussen de Staat en een ex-medewerker Maatschappelijke Dienstverlening Eemland. De medewerker in kwestie eiste schadevergoeding van de staat wegens het feit dat de Staat er de hand in had gehad dat hij was ontslagen en nadien geen kans meer maakte op de arbeidsmarkt. De Hoge Raad besliste dat de beslissing van het Hof over het verschoningsrecht jegens de getuige was aan te merken als eindbeslissing, waartegen op de voet van art. 401a lid 2 Rv. cassatie kon worden ingesteld. Zou het een tussenvonnis zijn, dan kon pas met het eindvonnis cassatie worden aangetekend. Zie de pagina Cassabiliteit.

De getuige in kwestie beriep zich erop dat hij op grond van art. 23 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten een geheimhoudingsverplichting heeft en een (bijzondere) verschoningsplicht. Voor het afleggen van een verklaring behoeft hij de ontheffing van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie gezamenlijk, welke ontheffing hij niet had gekregen. Bovendien voerde de getuige aan, dat de gebeurtenissen lagen in een periode waarin hij niet was verbonden aan de BVD, zodat hij daarover niet uit eigen wetenschap kon verklaren. Ook dit verweer werd gehonoreerd.

Zie over incidenten in de procedure ook de pagina Incidentele vorderingen.

Toelating tot getuigenbewijs

Op grond van art. 166 lid 1 Rv. moet een partij door de rechter tot getuigenbewijs worden toegelaten, indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. In hoger beroep geldt hetzelfde (art. 166 lid 1 Rv. jo. art. 353 lid 1 Rv.).

Wanneer het aanbod tot het leveren van bewijs door middel van getuigen goed is onderbouwd en ziet op voor de beslissing van het geschil relevante feiten, dan kan de rechter moeilijk onder een bewijsaanbod uit. Wel kunnen in hoger beroep zwaardere eisen gesteld worden aan een aanbod tot het leveren van bewijs door middel van getuigen (vgl. r.o. 3.6 van het hierna genoemde arrest HR 9 juli 2004 inzake OZ Export Planten).

Aan een aanbod getuigenbewijs te stellen eisen

De rechter moet een verzoek tot het leveren van bewijs door middel van getuigen honoreren als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(i) het bewijsaanbod is specifiek;

(ii) en ziet op voor voor de beslissing relevante feiten;

(iii) de verklaringen van de getuigen strekken om de stellingen te onderbouwen van de partij die het aanbod doet;

(iv) en verder moet getuigenbewijs worden toegestaan als er andere verklaringen van getuigen zijn die tot een andere conclusie leiden (tegenbewijs).

Voor het te bewijzen feit geldt verder de eis, dat bewijs door middel van getuigen daarbij mogelijk is en door de wet is toegelaten. De wet moet in het specifieke geval bijvoorbeeld niet uitdrukkelijk schriftelijk bewijs voorschrijven.

In dit bewijsaanbod hoeven (nog) niet exact alle getuigen met naam (en adres) te worden genoemd. Ook hoeft niet te worden aangegeven wat de getuigen (evt. in aanvulling op hun schriftelijke verklaring, nog meer) kunnen verklaren. HR 9 juli 2004 (OZ Export Planten/kweker), r.o. 3.5 e.v.). Wel moet dus voldoende duidelijk worden aangegeven op welke feiten het bewijsaanbod ziet (oftewel: op welke stellingen met betrekking tot de aangevoerde feiten).

Op het moment dat een partij tot getuigenbewijs is toegelaten, kan deze de namen en adressen van de getuigen opgeven. Het is echter altijd beter een bewijsaanbod zoveel mogelijk te concretiseren en met name ten aanzien van welke stelling die getuigen kunnen verklaren.

Rechter mag aanbod getuigenbewijs niet op voorhand afwijzen op basis van een eigen inschatting

De rechter mag niet op de uitkomst van het aangeboden getuigenbewijs vooruitlopen door zelf – al dan niet aan de hand van schriftelijke verklaringen of andere bescheiden – een verwachting uit te spreken, of de verklaringen van de voorgedragen getuigen tot het aangeboden bewijs kunnen bijdragen. Zie ook het hiervoor genoemde arrest OZ Export Planten, waar de Hoge Raad overweegt (r.o. 3.8):

“Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat OZ nog niet tot bewijsvoering was toegelaten en slechts, op verzoek van het hof, bescheiden had overgelegd. Het hof mocht in een dergelijk geval ook niet op grond van de inhoud van deze bescheiden aan het bewijsaanbod van OZ voorbijgaan, omdat het daarmee vooruitliep op de uitkomst van een eventuele bewijslevering door OZ die op grond van het tussenarrest van het hof juist mocht verwachten dat zij tot bewijslevering zou worden toegelaten vóórdat de waardering van het bewijsmateriaal aan de orde zou komen.”

Erfgrens-arrest

In het arrest HR 15 januari 2016 (geschil erfgrens) heeft de Hoge Raad opnieuw een beslissing van een Gerechtshof tot afwijzing van een aanbod tot het leveren van bewijs door middel van het horen van getuigen gecasseerd. In die zaak had al getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij de eiser in cassatie getuigen had mogen horen in contra-enquête. Het hof oordeelde, dat aan het opnieuw doen horen van (nadere) getuigen door de latere eiser in cassatie hoge eisen gesteld moesten worden, en wees dit bewijsaanbod vervolgens af. De Hoge Raad schetst hierin de randvoorwaarden voor het houden van een getuigenverhoor.

Lees meer over HR 15 januari 2016 (geschil erfgrens)

De Hoge Raad schetst eerst de – standaard – kaders voor een aanbod tot het doen houden van een getuigenverhoor:

De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.4.1):

“Uitgangspunt is dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden.

Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert.

In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard.

Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt vermeld in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.

De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte zou vooruitlopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.”

De Hoge Raad wijst er op, dat het Hof hiermee een verkeerde beslissing had genomen, daarbij verwijzend naar het ZP Export Planten-arrest en een arrest uit 2015:

“De partij die het bewijsaanbod doet, is voorts niet ertoe gehouden om toe te lichten in welk opzicht de verklaringen van niet eerder gehoorde getuigen afbreuk zouden kunnen doen aan eerder afgelegde verklaringen door andere getuigen (HR 9 oktober 2015 (aandelen Vivo Biss), NJ 2015/426).”

Range Rover-arrest

De Hoge Raad heeft in HR 17 juli 2020 (schenking Range Rover) het arrest van het Hof gecasseerd, waarin het Hof het aanbod van getuigenbewijs van de man had afgewezen inzake een (door de vrouw betwiste) schenking van een Range Rover – dan wel van het bedrag voor de aanschaf daarvan – door zijn ex-vrouw. Volgens het Hof zouden de voorgedragen getuigen niets kunnen verklaren over de vraag, of de Range Rover door de vrouw aan de man was geschonken of niet. Dit na een ‘copy paste’ citaat van r.o. 3.4.1 uit het erfgrens-arrest.

Aanbod getuigenbewijs bij tegenbewijs hoeft niet specifiek te zijn

Blijkens het arrest HR 17 april 2020 (erfgrens achterburen) hoeft een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs niet specifiek te zijn, als het tegenbewijs betreft. De Hoge Raad verwijst hierbij naar een ouder arrest (r.o. 3.5.2 laatste alinea):

“Tot slot geldt dat aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet de eis mag worden gesteld dat het voldoende is gespecificeerd, zodat ook dat geen grond voor het passeren van het bewijsaanbod kan zijn.”

De Hoge Raad verwijst hierbij naar o.a. HR 14 december 2018 (schade aan pioenrozen), r.o.. 3.5.2 en HR 29 april 2011 (vervalsing stukken alimentatiezaak), r.o. 3.4.3.

Zoals hiervoor al aangegeven, kan deze regel uitzondering lijden wanneer de verweerder nader getuigenverhoor wenst, nadat in 1e instantie al getuigen van de kant van verweerder gehoord zijn. Zie ook het arrest HR 12 september 2003 (Timco Import Export B.V./Nationale Nederlanden).

Opgaaf van de getuigen

Bepaalt de rechter in eerste aanleg of in hoger beroep door welke partij en waarover getuigenbewijs kan worden geleverd, dan is het op de voet van art. 170 lid 1 Rv. met inachtneming van de eisen van een goede procesorde aan die partij om te bepalen wie als getuigen worden gehoord en hoeveel getuigen worden gehoord (vgl. HR 2 mei 1997, LJN ZC2362, NJ 1998/237; HR 18 maart 2011, LJN BP0571, NJ 2012/315; HR 16 december 2011, LJN BU3922, NJ 2012/316). Dit laatste geldt eveneens voor de wederpartij die op de voet van art. 168 Rv. recht heeft op contra-enquête.

Zie in dit verband de overwegingen van de Hoge Raad (r.o. 3.7) in het arrest HR 26 april 2013 (Bruscom), waarin dit met zoveel woorden is gezegd.

Gijzeling weigerachtige getuige

De getuige die weigert te verklaren kan op last van de rechter gegijzeld worden (art. 173 Rv.). Deze regeling is bij de herziening van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering gewijzigd en gelijkgeschakeld met de regeling van lijfsdwang in art. 585 e.v. Rv.. Zie ook de pagina Lijfsdwang.

De maatstaf die de rechter moet aanleggen bij de beslissing om tot gijzeling over te gaan is dezelfde als de maatstaf van art. 587 Rv.. De maatregel moet de toets doorstaan aan proportionaliteit en subsidiariteit. Bovendien moet het dwangmiddel zinvol zijn: als nakoming onmogelijk is (geworden) vervalt de zin ervan.

Verhoor getuige in het buitenland

Als in een procedure verhoor nodig is van getuigen in het buitenland, dan staan de Nederlandse rechter – en daarmee indirect ook partijen – drie wegen ter beschikking. De eerste is de zgn. rogatoire commissie op grond van het Haags Bewijsverdrag van 1970 (‘rogatoir’ wil zeggen ‘tot het stellen van vragen’ – vgl. ‘interrogation‘ – en ‘commissie’ betekent letterlijk ‘opdracht’). Hierbij doet de rechter dus een verzoek aan een buitenlandse rechter ter plekke om voor hem het getuigenverhoor uit te voeren. Dit gaat dan volgens de lokale procesregels.

Deze methode is omslachtig, want vergt de nodige formaliteiten. Overigens kunnen buitenlandse rechters ook een dergelijk verzoek doen aan de Nederlandse rechter. Zo’n verzoek moet worden gedaan aan rechtbank Den Haag, die dit dan doorleidt aan de rechtbank, waar de getuige woont (of als het om meerdere getuigen gaat, de meesten van hen wonen). Zie in dit verband ook de pagina Haags Bewijsverdrag. Voor Nederlandse advocaten kan dit mede relevant zijn, omdat voor de buitenlandse partijen en advocaten het wenselijk kan zijn bijstand van een Nederlandse advocaat ter plekke in te schakelen. Ook kan het nodig of wenselijk zijn, dat een getuige wordt bijgestaan door een Nederlandse advocaat. Dit omdat op het verhoor in Nederland het hier geldende procesrecht toepasselijk is.

Wanneer het een verhoor binnen de EU (excl. Denemarken) betreft, dan kan over en weer een dergelijk verzoek ook gedaan worden op grond van de (Herschikte) Europese Bewijsverordening. Zie de pagina Europese Bewijsverordening.

Wanneer geen van beide van toepassing is, dan kan de rechter ook besluiten de getuigen in het buitenland te horen via een videoconferentie. Rechtbank Den Haag had daartoe besloten in Rb. Den Haag 25 maart 2020 (Stichting Komite Utang Kehormatan Belanda/Staat). Interessant is in die uitspraak, dat de rechter – bij gebreke van een verdrag – zelf de afspraken rondom de uitvoering van het verhoor (na een daartoe gehouden regiezitting) heeft bepaald (zie r.o. 2.8).

De rechter is niet verplicht de weg van de Bewijsverordening te kiezen. Volgens het HvJ EU 6 september 2012 (Lippens/Kortekaas c.s.) de geldt de Europese Bewijsverordening niet exclusief en kan – in plaats van de verordening – ook geopteerd kan worden voor het nationaal procesrecht. Of de Nederlandse rechter gehouden is om de weg van het Haags Bewijsverdrag te volgen, is onderwerp van debat.

In het vonnis Rb. Almelo 22 juni 2011 (Van de Kant q.q./Gyllentorget Brands B.V.) wees de rechtbank een verzoek tot het doen horen van getuigen in Duitsland, Zuid-Afrika en New York door middel van een rogatoire commissie af, omdat – naar analogie van de beslissing van het HvJ EU, dat de Europese Bewijsverordening niet uitsluit, dat buitenlandse getuigen volgens het nationale procesrecht worden gehoord – ditzelfde naar het oordeel van de rechtbank geldt voor het Haags Bewijsverdrag. Dit sluit volgens de rechtbank evenmin de toepassing van art. 176 Rv. uit zonder gebruik te maken van het Haags Bewijsverdrag (r.o. 2.3). De getuigen kunnen prima naar Almelo komen, zo was kennelijk de gedachte van de rechtbank. Of de getuigen kunnen verhoord worden via een videoverbinding.

In alledrie de gevallen kan het verhoor ook worden opgedragen aan een consulaire ambtenaar. De wettelijke basis vanuit de Nederlandse procedure is art. 176 lid 1 Rv., dat bepaalt, dat de rechter, voor zover bij verdrag of EG-verordening niet anders is bepaald, aan een door hem aan te wijzen autoriteit van het land waar de getuige zijn woonplaats heeft, kan verzoeken het verhoor te houden, of dat verhoor opdragen aan de Nederlandse consulaire ambtenaar tot wiens ressort de woonplaats van die getuige behoort. Waar mogelijk wordt het verhoor onder ede afgelegd.

De rechter bepaalt dan tevens de termijn die in acht genomen moet worden bij het betekenen aan de wederpartij van de plaats, de dag en het uur waarop dit verhoor wordt gehouden en stelt mede de dag vast waarop de zaak weer op de rol zal komen (art. 176 lid 2 Rv.).

Het proces-verbaal van dit getuigenverhoor heeft gelijke kracht als dat van het door de Nederlandse rechter gehouden verhoor (art. 176 lid 3 Rv.).

In de praktijk verloopt een dergelijk verhoor in toenemende mate via videoverbinding. Op basis van zowel het Haags Bewijsverdrag en de Herschikte Bewijsverordening kan de buitenlandse rechter het verhoor delegeren, maar kan hij (of zij) ook zelf het verhoor leiden.

Het vergaren van bewijs door middel van deze beide internationale regelingen is overigens niet alleen beperkt tot getuigenverhoor. Er kunnen ook schriftelijke stukken worden opgevraagd (binnen de kaders van art. 843a Rv.) en de Herschikte Bewijsverordening voorziet ook in het verkrijgen van ‘digitaal bewijs’. Zie de betreffende pagina’s.

Gang van zaken getuigenverhoor

De rechter vraagt de getuigen allereerst naar hun naam, voornamen, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats, en of zij bloed- of aanverwant zijn van de partijen of van een van hen, en zo ja in welke graad, alsmede of zij in dienstverband staan tot partijen of een van hen (art. 177 lid 1 Rv.). Dit laatste kan van belang zijn voor het verschoningsrecht.

Getuigen verklaren na afleggen van de eed of de belofte

De getuigen zweren, alvorens hun getuigenis af te leggen, op de bij de wet bepaalde wijze de eed de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen (art. 177 lid 2 Rv.). In de Wet vorm van de eed is geregeld, dat getuigen kunnen kiezen om hetzij de belofte (‘Dat beloof ik’), dan wel de eed (‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’) afleggen.

Als een getuige de betekenis van de eed niet voldoende kan beseffen of de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, wordt hij niet beëdigd, maar wordt hij aangemaand de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen. Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring van een zodanige getuige, geeft het vonnis daarvan in het bijzonder reden (art. 177 lid 3 Rv.).

De rechter mag aan een onbeëdigde verklaring slechts bewijs ontlenen indien hij in het vonnis vermeldt dat de eed ten onrechte niet is afgenomen en dat het niet mogelijk is de getuige opnieuw te horen (art. 177 lid 4 Rv.).

Wijze waarop getuigenverhoor plaatsvindt

De rechter hoort ieder van de getuigen buiten tegenwoordigheid van de mede ter zitting verschenen getuigen die nog niet zijn gehoord, voor zover deze laatste getuigen niet tevens partij zijn (art. 179 lid 1 Rv.).

Partijen en hun raadslieden kunnen aan de getuigen vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven (art. 179 lid 2 Rv.). De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een partij getuigen tegenover elkaar of tegenover partijen of een van hen stellen. In Nederland is een zgn. ‘cross examination’ zoals in het Angelsaksische recht niet gebruikelijk. De getuigen kunnen vrijelijk antwoorden en worden niet zoals je op TV ziet in Amerikaanse series belet om meer te verklaren dan het exacte antwoord op de gestelde vraag.

De rechter kan naar aanleiding van de getuigenverklaringen aan partijen vragen stellen. Indien het betreft het verhoor van een getuige die niet tevens partij is, kunnen ook partijen elkaar zelf of bij monde van hun raadslieden vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven (art. 179 lid 3 Rv.).

Een verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten kan in het voordeel van de partij die haar aflegde geen bewijs opleveren. Overigens kan de rechter uit de op de voet van art. 179 lid 3 Rv. afgelegde verklaringen, uit het niet-verschijnen ter zitting of uit een weigering om te antwoorden of het proces-verbaal te ondertekenen, de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, behoudens hetgeen in art. 154 Rv. (inzake de gerechtelijke erkentenis) is bepaald (art. 179 lid 4 Rv.). Zie over gerechtelijke erkentenis de pagina Algemene bepalingen bewijsrecht.

Proces-verbaal van het getuigenverhoor

De griffier maakt het getuigenverhoor een proces-verbaal, waarin de in acht genomen vormen worden aangetekend en verder al hetgeen met betrekking tot de zaak voorvalt (art. 180 lid 1 Rv.). Vaak dicteert de rechter de tekst aan de hand van de door hem of haar gemaakte aantekeningen tijdens het verhoor. Dit is echter een samenvatting, en niet een woordelijk verslag.

De wet verbiedt echter niet om een woordelijk verslag te laten optekenen door een stenograaf. Het verhoor kan zelfs worden opgenomen, zoals blijkt uit de regels van de rogatoire commissie op grond van het Haags Bewijsverdrag. Zie ook de pagina Haags Bewijsverdrag, waar ook jurisprudentie over dit onderwerp is vermeld.

In art. 30n lid 7 Rv. (digitaal) wordt ook de mogelijkheid geboden om een geluidsopname of video-opname van een getuigenverhoor te maken. In niet-digitale procedures is die bepaling echter weer on hold gezet in verband met de intrekking van digitaal procederen onder KEI. In de rechtspraak rond de rogatoire commissie wordt een opname van een getuigenverhoor wel toegestaan als speciaal verzoeknummer. Zie ook de pagina Haags Bewijsverdrag.

Voorlezen proces-verbaal getuigenverhoor ter goedkeuring

Het proces-verbaal wordt aan iedere getuige voorgelezen voor het gedeelte dat hem betreft. Hij mag daarin zodanige veranderingen en bijvoegingen maken als hem goeddunkt (art. 180 lid 2 Rv.). Advocaten moeten ook alert zijn op de tekst die wordt opgenomen (met name al bij het dicteren door de rechter), opdat het p-v zo dicht mogelijk ligt tegen de tekst van de verklaring van de getuige. Vaak verklaren getuigen iets, en komt dit later weer ter sprake (soms anders dan eerder, dit kan door anders geformuleerde of aangescherpte vragen zijn). De verklaring wordt dan ‘ingedikt’. Als advocaat is het dan belangrijk voor de eigen partij relevante stukjes die daardoor wegvallen toch te laten opnemen. Aan de rechter kan dan worden voorgehouden: “Ik hoorde de getuige <toch, ook> zeggen <bla bla bla>, wilt u dit s.v.p. ook (zo) opnemen’?.

De getuige ondertekent zijn verklaring. Weigert hij te ondertekenen of verklaart hij dit niet te kunnen, dan wordt die weigering of die verklaring, inhoudende de oorzaak van verhindering, in het proces-verbaal vermeld (art. 180 lid 3 Rv.).

De bovenstaande drie bepalingen gelden ook voor door partijen (zelf) afgelegde verklaringen (art. 180 lid 4 Rv.).

Tot slot ondertekenen ook de griffier en de rechter – voor wie het verhoor heeft plaatsgevonden – het proces-verbaal (art. 180 lid 5 Rv.).

Uitzondering: geen proces-verbaal van getuigenverhoor als geen rechtsmiddel openstaat

In afwijking van artikel 180 Rv. behoeft in zaken die niet aan hoger beroep zijn onderworpen, geen proces-verbaal van het getuigenverhoor te worden opgemaakt (art. 181 lid 1 Rv.). Behálve wanneer de zaak in 1e instantie door het Hof wordt behandeld (lid 2).

Het naar aanleiding van het getuigenverhoor te wijzen vonnis houdt in dat geval de summiere inhoud van de afgelegde getuigenverklaringen in, plus de vermelding van de opgave, verklaringen en eedsaflegging als bedoeld in art. 177 Rv..

Vergoeding van kosten van de getuige

Indien de getuige schadeloosstelling vordert, wordt deze door de rechter begroot. Daarvan wordt melding gemaakt in het proces-verbaal. De schadeloosstelling wordt voldaan door de partij die de getuige heeft voorgebracht (art. 182 Rv.). Dit wordt opgetekend met de aanduiding ‘Taxe’. Als de getuige geen vergoeding vraagt, staat er dus ‘Taxe nihil’.

Getuigenverhoren verdeeld over meerdere dagen

In geval de getuigen niet op één dag kunnen worden gehoord, stelt de rechter het verdere horen tot een nadere dag uit en geschiedt er noch aan de ter zitting verschenen getuigen noch aan de al dan niet aldaar verschenen partij enige nieuwe oproeping (art. 183 Rv.).

Contra-enquete (tegenbewijs door middel van getuigen)

Nadat de partij, aan wie een bewijsopdracht is gegeven of aan wie het doen horen van getuigen is toegestaan, krijgt de wederpartij desgevraagd de gelegenheid tot een contra-enquete, waarin zij van haar kant ook getuigen kan oproepen om haar stellingen te onderbouwen. Dit is een uitvloeisel van de regel van hoor en wederhoor.

Het recht op tegenbewijs door contra-enquête is voorzien in art. 168 Rv.. Het aanbod tot het leveren van tegenbewijs hoeft niet specifiek te zijn (behoudens uitzonderingen). Zie de Inleiding bovenaan deze pagina en het kopje Aanbod tegenbewijs hoeft niet specifiek te zijn.

Gevolgen van vormverzuim getuigenverhoor

Het nalaten van een van de in deze paragraaf voorgeschreven formaliteiten heeft, met uitzondering van artikel 177 omtrent het afleggen van de eed, alleen de nietigheid van het verhoor ten gevolge indien de belanghebbende partij daardoor in haar belangen is benadeeld en het verzuim niet kan worden hersteld.

Als daar geen sprake van is, dan kan de rechter, zo daartoe gronden zijn, herstel van begane onregelmatigheden bevelen (art. 184 Rv.).

Verwijzing naar de rol na getuigenverhoor

Na afloop van het getuigenverhoor of indien dit achterwege blijft, bepaalt de rechter de dag waarop de zaak weer op de rol zal komen (art. 185 Rv.). In de regel zullen partijen dan een conclusie na enquete kunnen nemen, waarin zij zich kunnen uitlaten over de verklaringen. Dit geldt uiteraard niet bij een voorlopig getuigenverhoor.

Auteur & Last edit

[MdV, 29-6-2018; laatste bewerking 1-11-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.