Getuigen (Par. 4, Afd. 9, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Inleiding getuigenbewijs

In Par. 4 van Afd. 9, Titel 2 Boek 1 Rv. is de regeling van het bewijs door middel van getuigen opgenomen. De paragraaf omvat 23 artikelen (art. 163 Rv. tot en met art. 185 Rv.).

NB de links naar wetten overheid op deze pagina zijn naar de NIET-DIGITALE versie van Rv.. Voor de versie van het wetboek voor digitale procedures klik hier.

Toelating tot getuigenbewijs

Op grond van art. 166 lid 1 Rv. moet een partij door de rechter tot getuigenbewijs worden toegelaten, indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. In hoger beroep geldt op grond van art. 166 lid 1 Rv in verbinding met art. 353 lid 1 Rv hetzelfde (vgl. HR 9 juli 2004, LJN AO7817, NJ 2005/270).

In dit bewijsaanbod hoeven (nog) niet exact alle getuigen met naam (en adres) te worden genoemd. Op het moment dat een partij tot getuigenbewijs is toegelaten, kan deze de namen en adressen van de getuigen opgeven. Het is echter altijd beter een bewijsaanbod zoveel mogelijk te concretiseren en met name ten aanzien van welke stelling die getuigen kunnen verklaren.

Opgaaf van de getuigen

Bepaalt de rechter in eerste aanleg of in hoger beroep door welke partij en waarover getuigenbewijs kan worden geleverd, dan is het op de voet van art. 170 lid 1 Rv. met inachtneming van de eisen van een goede procesorde aan die partij om te bepalen wie als getuigen worden gehoord en hoeveel getuigen worden gehoord (vgl. HR 2 mei 1997, LJN ZC2362, NJ 1998/237; HR 18 maart 2011, LJN BP0571, NJ 2012/315; HR 16 december 2011, LJN BU3922, NJ 2012/316). Dit laatste geldt eveneens voor de wederpartij die op de voet van art. 168 Rv. recht heeft op contra-enquête.

Zie in dit verband de overwegingen van de Hoge Raad (r.o. 3.7) in het arrest HR 26 april 2013 (Bruscom), waarin dit met zoveel woorden is gezegd.

Gijzeling weigerachtige getuige

De getuige die weigert te verklaren kan op last van de rechter gegijzeld worden (art. 173 Rv.). Deze regeling is bij de herziening van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering gewijzigd en gelijkgeschakeld met de regeling van lijfsdwang in art. 585 e.v. Rv.. Zie ook de pagina Lijfsdwang.

De maatstaf die de rechter moet aanleggen bij de beslissing om tot gijzeling over te gaan is dezelfde als de maatstaf van art. 587 Rv.. De maatregel moet de toets doorstaan aan proportionaliteit en subsidiariteit. Bovendien moet het dwangmiddel zinvol zijn: als nakoming onmogelijk is (geworden) vervalt de zin ervan.

Auteur & Last edit

[MdV, 29-6-2018; laatste bewerking 10-12-2020]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.

Vond je deze content nuttig? Steun Lawyrup met een donatie naar keuze.

Doneren