Verklaring getuigenbewijs

Een getuigenverklaring kan (mag) alleen zien op feiten, die de getuige uit eigen waarneming bekende zijn (art. 163 Rv.). Oftewel, zoals we wel eens horen in Amerikaanse films, geen verklaring over feiten ‘van horen zeggen’ (‘hearsay’).

Partijgetuigen

Sinds 1988 kunnen ook de procespartijen zelf kunnen als getuige optreden (art. 164 lid 1 Rv.). Reden voor de introductie hiervan was, dat de wetgever de ‘equality of arms’ wilde bevorderen. Wanneer immers een natuurlijke persoon verwikkeld is in een procedure tegen een rechtspersoon, dan kan die laatste een vertegenwoordiger of een werknemer als getuige laten horen, terwijl de natuurlijke persoon dit niet kon.

De bewijskracht van een dergelijke verklaring is echter minder zwaar: de verklaring heeft ‘vrije bewijskracht’.

De verklaring van een partijgetuige kan geen dragend bewijs opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs (art. 164 lid 2 Rv.). Dit kwam aan de orde in het arrest HR 7 juli 2017 (persoonsschade uitglijden IKEA), waarin de Hoge Raad zonder verdere omhaal het cassatieberoep afwijst.

Zoals de P-G in zijn conclusie bij dit arrest (onder 2.4) vermeldt, is dit een uitzondering op de bewijsrechtelijke uitgangspunten dat bewijs kan worden geleverd door alle middelen (art. 152 lid 1 Rv) en dat de rechter vrij is in zijn bewijswaardering (art. 152 lid 2 Rv). Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat de waarheidsvinding zoveel mogelijk moet worden bevorder en daarom terughoudendheid moet worden betracht bij het stellen van voor de bewijsvoering belemmerende voorschriften.

Verschijnt een partijgetuige niet of weigert deze te verklaren, dan mag de rechter daaruit zijn conclusies trekken (art. 164 lid 3 Rv.).

Wettelijke plicht tot afleggen getuigenverklaring

Eenieder, die daartoe op de wettelijke wijze is opgeroepen, is verplicht een verklaring af te leggen (art. 165 lid 1 Rv.). Dit tenzij de getuige zich kan beroepen op een verschoningsrecht (lid 2).

Verschoningsrecht getuigen civiele procedure

Sommige getuigen kunnen zich op het verschoningsrecht beroepen: zij mogen weigeren te verklaren (art. 165 lid 2 Rv.). Hiertoe zijn gerechtigd:

a. de echtgenoot en de vroegere echtgenoot dan wel de geregistreerde partner en de vroegere geregistreerde partner van een partij, de bloed- of aanverwanten van een partij of van de echtgenoot of van de geregistreerde partner van een partij, tot de tweede graad ingesloten, een en ander tenzij de partij in hoedanigheid optreedt;

b. zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.

Verschoningsrecht in civiele zaak bij gevaar voor strafrechtelijke vervolging

Een getuige die op zich wel gehouden is te antwoorden, mag wel weigeren op een bepaalde vraag te antwoorden, als daardoor zijn familieleden of andere personen in een familierechtelijke band tot hem/haar (zijnde de personen genoemd in lid 2 sub a) gevaar lopen strafrechtelijk vervolgd te worden (art. 165 lid 3 Rv.).

Toelating tot getuigenbewijs

Op grond van art. 166 lid 1 Rv. moet een partij door de rechter tot getuigenbewijs worden toegelaten, indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. In hoger beroep geldt op grond van art. 166 lid 1 Rv. in verbinding met art. 353 lid 1 Rv. hetzelfde (vgl. HR 9 juli 2004 (OZ Export Planten/kweker), NJ 2005/270).

De rechter moet een verzoek tot het leveren van bewijs door middel van getuigen honoreren als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(i) het bewijsaanbod is specifiek;

(ii) en ziet op voor voor de beslissing relevante feiten;

(iii) de verklaringen van de getuigen strekken om de stellingen te onderbouwen van de partij die het aanbod doet;

(iv) en verder moet getuigenbewijs worden toegestaan als er andere verklaringen van getuigen zijn die tot een andere conclusie leiden (tegenbewijs).

Ook moet voor het te bewijzen feit gelden, dat bewijs door middel van getuigen daarbij mogelijk is en door de wet is toegelaten. De wet moet in het specifieke geval bijvoorbeeld niet uitdrukkelijk schriftelijk bewijs voorschrijven.

In dit bewijsaanbod hoeven (nog) niet exact alle getuigen met naam (en adres) te worden genoemd. Op het moment dat een partij tot getuigenbewijs is toegelaten, kan deze de namen en adressen van de getuigen opgeven. Het is echter altijd beter een bewijsaanbod zoveel mogelijk te concretiseren en met name ten aanzien van welke stelling die getuigen kunnen verklaren.

Rechter mag aanbod getuigenbewijs niet op voorhand afwijzen op basis van een eigen inschatting

De rechter mag niet op de uitkomst van het aangeboden getuigenbewijs vooruitlopen door zelf – al dan niet aan de hand van schriftelijke verklaringen of andere bescheiden – een verwachting uit te spreken, of de verklaringen van de voorgedragen getuigen tot het aangeboden bewijs kunnen bijdragen. Zie ook het hiervoor genoemde arrest OZ Export Planten, waar de Hoge Raad overweegt (r.o. 3.8):

“Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat OZ nog niet tot bewijsvoering was toegelaten en slechts, op verzoek van het hof, bescheiden had overgelegd. Het hof mocht in een dergelijk geval ook niet op grond van de inhoud van deze bescheiden aan het bewijsaanbod van OZ voorbijgaan, omdat het daarmee vooruitliep op de uitkomst van een eventuele bewijslevering door OZ die op grond van het tussenarrest van het hof juist mocht verwachten dat zij tot bewijslevering zou worden toegelaten vóórdat de waardering van het bewijsmateriaal aan de orde zou komen.”

Erfgrens-arrest

In het arrest HR 15 januari 2016 (geschil erfgrens) heeft de Hoge Raad opnieuw een beslissing van een Gerechtshof tot afwijzing van een aanbod tot het leveren van bewijs door middel van het horen van getuigen gecasseerd. In die zaak had al getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij de eiser in cassatie getuigen had mogen horen in contra-enquête. Het hof oordeelde, dat aan het opnieuw doen horen van (nadere) getuigen door de latere eiser in cassatie hoge eisen gesteld moesten worden, en wees dit bewijsaanbod vervolgens af.

De Hoge Raad schetst eerst de – standaard – kaders voor een aanbod tot het doen houden van een geruigenverhoor:

De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.4.1):

“Uitgangspunt is dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden.

Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert.

In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard.

Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt vermeld in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.

De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte zou vooruitlopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.”

De Hoge Raad wijst er op, dat het Hof hiermee een verkeerde beslissing had genomen, daarbij verwijzend naar het ZP Export Planten-arrest en een arrest uit 2015:

“De partij die het bewijsaanbod doet, is voorts niet ertoe gehouden om toe te lichten in welk opzicht de verklaringen van niet eerder gehoorde getuigen afbreuk zouden kunnen doen aan eerder afgelegde verklaringen door andere getuigen (HR 9 oktober 2015 (aandelen Vivo Biss), NJ 2015/426).”

Range Rover-arrest

De Hoge Raad heeft in HR 17 juli 2020 (schenking Range Rover) het arrest van het Hof gecasseerd, waarin het Hof het aanbod van getuigenbewijs van de man had afgewezen inzake een (door de vrouw betwiste) schenking van een Range Rover – dan wel van het bedrag voor de aanschaf daarvan – door zijn ex-vrouw. Volgens het Hof zouden de voorgedragen getuigen niets kunnen verklaren over de vraag, of de Range Rover door de vrouw aan de man was geschonken of niet. Dit na een ‘copy paste’ citaat van r.o. 3.4.1 uit het erfgrens-arrest.

Aanbod getuigenbewijs bij tegenbewijs hoeft niet specifiek te zijn

Blijkens het arrest HR 17 april 2020 (erfgrens achterburen) hoeft een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs niet specifiek te zijn, als het tegenbewijs betreft. De Hoge Raad verwijst hierbij naar een ouder arrest (r.o. 3.5.2 laatste alinea):

“Tot slot geldt dat aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet de eis mag worden gesteld dat het voldoende is gespecificeerd, zodat ook dat geen grond voor het passeren van het bewijsaanbod kan zijn.”

De Hoge Raad verwijst hierbij naar o.a. HR 14 december 2018 (schade aan pioenrozen), r.o.. 3.5.2 en HR 29 april 2011 (vervalsing stukken alimentatiezaak), r.o. 3.4.3.

Opgaaf van de getuigen

Bepaalt de rechter in eerste aanleg of in hoger beroep door welke partij en waarover getuigenbewijs kan worden geleverd, dan is het op de voet van art. 170 lid 1 Rv. met inachtneming van de eisen van een goede procesorde aan die partij om te bepalen wie als getuigen worden gehoord en hoeveel getuigen worden gehoord (vgl. HR 2 mei 1997, LJN ZC2362, NJ 1998/237; HR 18 maart 2011, LJN BP0571, NJ 2012/315; HR 16 december 2011, LJN BU3922, NJ 2012/316). Dit laatste geldt eveneens voor de wederpartij die op de voet van art. 168 Rv. recht heeft op contra-enquête.

Zie in dit verband de overwegingen van de Hoge Raad (r.o. 3.7) in het arrest HR 26 april 2013 (Bruscom), waarin dit met zoveel woorden is gezegd.

Gijzeling weigerachtige getuige

De getuige die weigert te verklaren kan op last van de rechter gegijzeld worden (art. 173 Rv.). Deze regeling is bij de herziening van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering gewijzigd en gelijkgeschakeld met de regeling van lijfsdwang in art. 585 e.v. Rv.. Zie ook de pagina Lijfsdwang.

De maatstaf die de rechter moet aanleggen bij de beslissing om tot gijzeling over te gaan is dezelfde als de maatstaf van art. 587 Rv.. De maatregel moet de toets doorstaan aan proportionaliteit en subsidiariteit. Bovendien moet het dwangmiddel zinvol zijn: als nakoming onmogelijk is (geworden) vervalt de zin ervan.

Auteur & Last edit

[MdV, 29-6-2018; laatste bewerking 22-08-2021]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.