Verklaring getuigenbewijs

Een getuigenverklaring kan (mag) alleen zien op feiten, die de getuige uit eigen waarneming bekende zijn (art. 163 Rv.). Oftewel, zoals we wel eens horen in Amerikaanse films, geen verklaring over feiten ‘van horen zeggen’ (‘hearsay’).

Partijgetuigen

Sinds 1988 kunnen ook de procespartijen zelf kunnen als getuige optreden (art. 164 lid 1 Rv.). Reden voor de introductie hiervan was, dat de wetgever de ‘equality of arms’ wilde bevorderen. Wanneer immers een natuurlijke persoon verwikkeld is in een procedure tegen een rechtspersoon, dan kan die laatste een vertegenwoordiger of een werknemer als getuige laten horen, terwijl de natuurlijke persoon dit niet kon.

De bewijskracht van een dergelijke verklaring is echter minder zwaar: de verklaring heeft ‘vrije bewijskracht’.

De verklaring van een partijgetuige kan geen dragend bewijs opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs (art. 164 lid 2 Rv.). Dit kwam aan de orde in het arrest HR 7 juli 2017 (persoonsschade uitglijden IKEA), waarin de Hoge Raad zonder verdere omhaal het cassatieberoep afwijst.

Zoals de P-G in zijn conclusie bij dit arrest (onder 2.4) vermeldt, is dit een uitzondering op de bewijsrechtelijke uitgangspunten dat bewijs kan worden geleverd door alle middelen (art. 152 lid 1 Rv) en dat de rechter vrij is in zijn bewijswaardering (art. 152 lid 2 Rv). Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat de waarheidsvinding zoveel mogelijk moet worden bevorder en daarom terughoudendheid moet worden betracht bij het stellen van voor de bewijsvoering belemmerende voorschriften.

Verschijnt een partijgetuige niet of weigert deze te verklaren, dan mag de rechter daaruit zijn conclusies trekken (art. 164 lid 3 Rv.).

Wettelijke plicht tot afleggen getuigenverklaring

Eenieder, die daartoe op de wettelijke wijze is opgeroepen, is verplicht een verklaring af te leggen (art. 165 lid 1 Rv.). Dit tenzij de getuige zich kan beroepen op een verschoningsrecht (lid 2).

Verschoningsrecht getuigen civiele procedure

Sommige getuigen kunnen zich op het verschoningsrecht beroepen: zij mogen weigeren te verklaren (art. 165 lid 2 Rv.). Hiertoe zijn gerechtigd:

a. de echtgenoot en de vroegere echtgenoot dan wel de geregistreerde partner en de vroegere geregistreerde partner van een partij, de bloed- of aanverwanten van een partij of van de echtgenoot of van de geregistreerde partner van een partij, tot de tweede graad ingesloten, een en ander tenzij de partij in hoedanigheid optreedt;

b. zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.

Verschoningsrecht in civiele zaak bij gevaar voor strafrechtelijke vervolging

Een getuige die op zich wel gehouden is te antwoorden, mag wel weigeren op een bepaalde vraag te antwoorden, als daardoor zijn familieleden of andere personen in een familierechtelijke band tot hem/haar (zijnde de personen genoemd in lid 2 sub a) gevaar lopen strafrechtelijk vervolgd te worden (art. 165 lid 3 Rv.).

Toelating tot getuigenbewijs

Op grond van art. 166 lid 1 Rv. moet een partij door de rechter tot getuigenbewijs worden toegelaten, indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. In hoger beroep geldt op grond van art. 166 lid 1 Rv. in verbinding met art. 353 lid 1 Rv. hetzelfde (vgl. HR 9 juli 2004 (OZ Export Planten/kweker), NJ 2005/270).

De rechter moet een verzoek tot het leveren van bewijs door middel van getuigen honoreren als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(i) het bewijsaanbod is specifiek;

(ii) en ziet op voor voor de beslissing relevante feiten;

(iii) de verklaringen van de getuigen strekken om de stellingen te onderbouwen van de partij die het aanbod doet;

(iv) en verder moet getuigenbewijs worden toegestaan als er andere verklaringen van getuigen zijn die tot een andere conclusie leiden (tegenbewijs).

Ook moet voor het te bewijzen feit gelden, dat bewijs door middel van getuigen daarbij mogelijk is en door de wet is toegelaten. De wet moet in het specifieke geval bijvoorbeeld niet uitdrukkelijk schriftelijk bewijs voorschrijven.

In dit bewijsaanbod hoeven (nog) niet exact alle getuigen met naam (en adres) te worden genoemd. Op het moment dat een partij tot getuigenbewijs is toegelaten, kan deze de namen en adressen van de getuigen opgeven. Het is echter altijd beter een bewijsaanbod zoveel mogelijk te concretiseren en met name ten aanzien van welke stelling die getuigen kunnen verklaren.

Rechter mag aanbod getuigenbewijs niet op voorhand afwijzen op basis van een eigen inschatting

De rechter mag niet op de uitkomst van het aangeboden getuigenbewijs vooruitlopen door zelf – al dan niet aan de hand van schriftelijke verklaringen of andere bescheiden – een verwachting uit te spreken, of de verklaringen van de voorgedragen getuigen tot het aangeboden bewijs kunnen bijdragen. Zie ook het hiervoor genoemde arrest OZ Export Planten, waar de Hoge Raad overweegt (r.o. 3.8):

“Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat OZ nog niet tot bewijsvoering was toegelaten en slechts, op verzoek van het hof, bescheiden had overgelegd. Het hof mocht in een dergelijk geval ook niet op grond van de inhoud van deze bescheiden aan het bewijsaanbod van OZ voorbijgaan, omdat het daarmee vooruitliep op de uitkomst van een eventuele bewijslevering door OZ die op grond van het tussenarrest van het hof juist mocht verwachten dat zij tot bewijslevering zou worden toegelaten vóórdat de waardering van het bewijsmateriaal aan de orde zou komen.”

Erfgrens-arrest

In het arrest HR 15 januari 2016 (geschil erfgrens) heeft de Hoge Raad opnieuw een beslissing van een Gerechtshof tot afwijzing van een aanbod tot het leveren van bewijs door middel van het horen van getuigen gecasseerd. In die zaak had al getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij de eiser in cassatie getuigen had mogen horen in contra-enquête. Het hof oordeelde, dat aan het opnieuw doen horen van (nadere) getuigen door de latere eiser in cassatie hoge eisen gesteld moesten worden, en wees dit bewijsaanbod vervolgens af. De Hoge Raad schetst hierin de randvoorwaarden voor het houden van een getuigenverhoor.

Lees meer over HR 15 januari 2016 (geschil erfgrens)

De Hoge Raad schetst eerst de – standaard – kaders voor een aanbod tot het doen houden van een getuigenverhoor:

De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.4.1):

“Uitgangspunt is dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden.

Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert.

In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard.

Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt vermeld in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.

De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte zou vooruitlopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.”

De Hoge Raad wijst er op, dat het Hof hiermee een verkeerde beslissing had genomen, daarbij verwijzend naar het ZP Export Planten-arrest en een arrest uit 2015:

“De partij die het bewijsaanbod doet, is voorts niet ertoe gehouden om toe te lichten in welk opzicht de verklaringen van niet eerder gehoorde getuigen afbreuk zouden kunnen doen aan eerder afgelegde verklaringen door andere getuigen (HR 9 oktober 2015 (aandelen Vivo Biss), NJ 2015/426).”

Range Rover-arrest

De Hoge Raad heeft in HR 17 juli 2020 (schenking Range Rover) het arrest van het Hof gecasseerd, waarin het Hof het aanbod van getuigenbewijs van de man had afgewezen inzake een (door de vrouw betwiste) schenking van een Range Rover – dan wel van het bedrag voor de aanschaf daarvan – door zijn ex-vrouw. Volgens het Hof zouden de voorgedragen getuigen niets kunnen verklaren over de vraag, of de Range Rover door de vrouw aan de man was geschonken of niet. Dit na een ‘copy paste’ citaat van r.o. 3.4.1 uit het erfgrens-arrest.

Aanbod getuigenbewijs bij tegenbewijs hoeft niet specifiek te zijn

Blijkens het arrest HR 17 april 2020 (erfgrens achterburen) hoeft een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs niet specifiek te zijn, als het tegenbewijs betreft. De Hoge Raad verwijst hierbij naar een ouder arrest (r.o. 3.5.2 laatste alinea):

“Tot slot geldt dat aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet de eis mag worden gesteld dat het voldoende is gespecificeerd, zodat ook dat geen grond voor het passeren van het bewijsaanbod kan zijn.”

De Hoge Raad verwijst hierbij naar o.a. HR 14 december 2018 (schade aan pioenrozen), r.o.. 3.5.2 en HR 29 april 2011 (vervalsing stukken alimentatiezaak), r.o. 3.4.3.

Opgaaf van de getuigen

Bepaalt de rechter in eerste aanleg of in hoger beroep door welke partij en waarover getuigenbewijs kan worden geleverd, dan is het op de voet van art. 170 lid 1 Rv. met inachtneming van de eisen van een goede procesorde aan die partij om te bepalen wie als getuigen worden gehoord en hoeveel getuigen worden gehoord (vgl. HR 2 mei 1997, LJN ZC2362, NJ 1998/237; HR 18 maart 2011, LJN BP0571, NJ 2012/315; HR 16 december 2011, LJN BU3922, NJ 2012/316). Dit laatste geldt eveneens voor de wederpartij die op de voet van art. 168 Rv. recht heeft op contra-enquête.

Zie in dit verband de overwegingen van de Hoge Raad (r.o. 3.7) in het arrest HR 26 april 2013 (Bruscom), waarin dit met zoveel woorden is gezegd.

Gijzeling weigerachtige getuige

De getuige die weigert te verklaren kan op last van de rechter gegijzeld worden (art. 173 Rv.). Deze regeling is bij de herziening van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering gewijzigd en gelijkgeschakeld met de regeling van lijfsdwang in art. 585 e.v. Rv.. Zie ook de pagina Lijfsdwang.

De maatstaf die de rechter moet aanleggen bij de beslissing om tot gijzeling over te gaan is dezelfde als de maatstaf van art. 587 Rv.. De maatregel moet de toets doorstaan aan proportionaliteit en subsidiariteit. Bovendien moet het dwangmiddel zinvol zijn: als nakoming onmogelijk is (geworden) vervalt de zin ervan.

Verhoor getuige in het buitenland

Als in een procedure verhoor nodig is van getuigen in het buitenland, dan staan de Nederlandse rechter – en daarmee indirect ook partijen – drie wegen ter beschikking. De eerste is de zgn. rogatoire commissie op grond van het Haags Bewijsverdrag van 1970 (‘rogatoir’ wil zeggen ‘tot het stellen van vragen’ – vgl. ‘interrogation‘ – en ‘commissie’ betekent letterlijk ‘opdracht’). Hierbij doet de rechter dus een verzoek aan een buitenlandse rechter ter plekke om voor hem het getuigenverhoor uit te voeren. Dit gaat dan volgens de lokale procesregels.

Deze methode is omslachtig, want vergt de nodige formaliteiten. Overigens kunnen buitenlandse rechters ook een dergelijk verzoek doen aan de Nederlandse rechter. Zo’n verzoek moet worden gedaan aan rechtbank Den Haag, die dit dan doorleidt aan de rechtbank, waar de getuige woont (of als het om meerdere getuigen gaat, de meesten van hen wonen). Zie in dit verband ook de pagina Haags Bewijsverdrag. Voor Nederlandse advocaten kan dit mede relevant zijn, omdat voor de buitenlandse partijen en advocaten het wenselijk kan zijn bijstand van een Nederlandse advocaat ter plekke in te schakelen. Ook kan het nodig of wenselijk zijn, dat een getuige wordt bijgestaan door een Nederlandse advocaat. Dit omdat op het verhoor in Nederland het hier geldende procesrecht toepasselijk is.

Wanneer het een verhoor binnen de EU (excl. Denemarken) betreft, dan kan over en weer een dergelijk verzoek ook gedaan worden op grond van de (Herschikte) Europese Bewijsverordening. Zie de pagina Europese Bewijsverordening.

Wanneer geen van beide van toepassing is, dan kan de rechter ook besluiten de getuigen in het buitenland te horen via een videoconferentie. Rechtbank Den Haag had daartoe besloten in Rb. Den Haag 25 maart 2020 (Stichting Komite Utang Kehormatan Belanda/Staat). Interessant is in die uitspraak, dat de rechter – bij gebreke van een verdrag – zelf de afspraken rondom de uitvoering van het verhoor (na een daartoe gehouden regiezitting) heeft bepaald (zie r.o. 2.8).

De rechter is niet verplicht de weg van de Bewijsverordening te kiezen. Volgens het HvJ EU 6 september 2012 (Lippens/Kortekaas c.s.) de geldt de Europese Bewijsverordening niet exclusief en kan – in plaats van de verordening – ook geopteerd kan worden voor het nationaal procesrecht. Of de Nederlandse rechter gehouden is om de weg van het Haags Bewijsverdrag te volgen, is onderwerp van debat.

In het vonnis Rb. Almelo 22 juni 2011 (Van de Kant q.q./Gyllentorget Brands B.V.) wees de rechtbank een verzoek tot het doen horen van getuigen in Duitsland, Zuid-Afrika en New York door middel van een rogatoire commissie af, omdat – naar analogie van de beslissing van het HvJ EU, dat de Europese Bewijsverordening niet uitsluit, dat buitenlandse getuigen volgens het nationale procesrecht worden gehoord – ditzelfde naar het oordeel van de rechtbank geldt voor het Haags Bewijsverdrag. Dit sluit volgens de rechtbank evenmin de toepassing van art. 176 Rv. uit zonder gebruik te maken van het Haags Bewijsverdrag (r.o. 2.3). De getuigen kunnen prima naar Almelo komen, zo was kennelijk de gedachte van de rechtbank. Of de getuigen kunnen verhoord worden via een videoverbinding.

In alledrie de gevallen kan het verhoor ook worden opgedragen aan een consulaire ambtenaar. De wettelijke basis vanuit de Nederlandse procedure is art. 176 lid 1 Rv., dat bepaalt, dat de rechter, voor zover bij verdrag of EG-verordening niet anders is bepaald, aan een door hem aan te wijzen autoriteit van het land waar de getuige zijn woonplaats heeft, kan verzoeken het verhoor te houden, of dat verhoor opdragen aan de Nederlandse consulaire ambtenaar tot wiens ressort de woonplaats van die getuige behoort. Waar mogelijk wordt het verhoor onder ede afgelegd.

De rechter bepaalt dan tevens de termijn die in acht genomen moet worden bij het betekenen aan de wederpartij van de plaats, de dag en het uur waarop dit verhoor wordt gehouden en stelt mede de dag vast waarop de zaak weer op de rol zal komen (art. 176 lid 2 Rv.).

Het proces-verbaal van dit getuigenverhoor heeft gelijke kracht als dat van het door de Nederlandse rechter gehouden verhoor (art. 176 lid 3 Rv.).

In de praktijk verloopt een dergelijk verhoor in toenemende mate via videoverbinding. Op basis van zowel het Haags Bewijsverdrag en de Herschikte Bewijsverordening kan de buitenlandse rechter het verhoor delegeren, maar kan hij (of zij) ook zelf het verhoor leiden.

Het vergaren van bewijs door middel van deze beide internationale regelingen is overigens niet alleen beperkt tot getuigenverhoor. Er kunnen ook schriftelijke stukken worden opgevraagd (binnen de kaders van art. 843a Rv.) en de Herschikte Bewijsverordening voorziet ook in het verkrijgen van ‘digitaal bewijs’. Zie de betreffende pagina’s.

Gang van zaken getuigenverhoor

De rechter vraagt de getuigen allereerst naar hun naam, voornamen, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats, en of zij bloed- of aanverwant zijn van de partijen of van een van hen, en zo ja in welke graad, alsmede of zij in dienstverband staan tot partijen of een van hen (art. 177 lid 1 Rv.). Dit laatste kan van belang zijn voor het verschoningsrecht.

De getuigen zweren, alvorens hun getuigenis af te leggen, op de bij de wet bepaalde wijze de eed de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen (art. 177 lid 2 Rv.). In de Wet vorm van de eed is geregeld, dat getuigen kunnen kiezen om hetzij de belofte (‘Dat beloof ik’), dan wel de eed (‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’) afleggen.

Als een getuige de betekenis van de eed niet voldoende kan beseffen of de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, wordt hij niet beëdigd, maar wordt hij aangemaand de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen. Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring van een zodanige getuige, geeft het vonnis daarvan in het bijzonder reden (art. 177 lid 3 Rv.).

De rechter mag aan een onbeëdigde verklaring slechts bewijs ontlenen indien hij in het vonnis vermeldt dat de eed ten onrechte niet is afgenomen en dat het niet mogelijk is de getuige opnieuw te horen (art. 177 lid 4 Rv.).

De rechter hoort ieder van de getuigen buiten tegenwoordigheid van de mede ter zitting verschenen getuigen die nog niet zijn gehoord, voor zover deze laatste getuigen niet tevens partij zijn (art. 179 lid 1 Rv.).

Partijen en hun raadslieden kunnen aan de getuigen vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven (art. 179 lid 2 Rv.). De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een partij getuigen tegenover elkaar of tegenover partijen of een van hen stellen.

De rechter kan naar aanleiding van de getuigenverklaringen aan partijen vragen stellen. Indien het betreft het verhoor van een getuige die niet tevens partij is, kunnen ook partijen elkaar zelf of bij monde van hun raadslieden vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven (art. 179 lid 3 Rv.).

Een verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten kan in het voordeel van de partij die haar aflegde geen bewijs opleveren. Overigens kan de rechter uit de op de voet van art. 179 lid 3 Rv. afgelegde verklaringen, uit het niet-verschijnen ter zitting of uit een weigering om te antwoorden of het proces-verbaal te ondertekenen, de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, behoudens hetgeen in art. 154 Rv. (inzake de gerechtelijke erkentenis) is bepaald (art. 179 lid 4 Rv.). Zie over gerechtelijke erkentenis de pagina Algemene bepalingen bewijsrecht.

Proces-verbaal van het getuigenverhoor

De griffier maakt het getuigenverhoor een proces-verbaal, waarin de in acht genomen vormen worden aangetekend en verder al hetgeen met betrekking tot de zaak voorvalt (art. 180 lid 1 Rv.). Vaak dicteert de rechter de tekst aan de hand van de door hem of haar gemaakte aantekeningen tijdens het verhoor. Dit is echter een samenvatting, en niet een woordelijk verslag.

De wet verbiedt echter niet om een woordelijk verslag te laten optekenen door een stenograaf. Het verhoor kan zelfs worden opgenomen, zoals blijkt uit de regels van de rogatoire commissie op grond van het Haags Bewijsverdrag. Zie ook de pagina Haags Bewijsverdrag, waar ook jurisprudentie over dit onderwerp is vermeld.

In art. 30n lid 7 Rv. (digitaal) wordt ook de mogelijkheid geboden om een geluidsopname of video-opname van een getuigenverhoor te maken. In niet-digitale procedures is die bepaling echter weer on hold gezet in verband met de intrekking van digitaal procederen onder KEI. In de rechtspraak rond de rogatoire commissie wordt een opname van een getuigenverhoor wel toegestaan als speciaal verzoeknummer. Zie ook de pagina Haags Bewijsverdrag.

Voorlezen proces-verbaal getuigenverhoor ter goedkeuring

Het proces-verbaal wordt aan iedere getuige voorgelezen voor het gedeelte dat hem betreft. Hij mag daarin zodanige veranderingen en bijvoegingen maken als hem goeddunkt (art. 180 lid 2 Rv.). Advocaten moeten ook alert zijn op de tekst die wordt opgenomen (met name al bij het dicteren door de rechter), opdat het p-v zo dicht mogelijk ligt tegen de tekst van de verklaring van de getuige. Vaak verklaren getuigen iets, en komt dit later weer ter sprake (soms anders dan eerder, dit kan door anders geformuleerde of aangescherpte vragen zijn). De verklaring wordt dan ‘ingedikt’. Als advocaat is het dan belangrijk voor de eigen partij relevante stukjes die daardoor wegvallen toch te laten opnemen. Aan de rechter kan dan worden voorgehouden: “Ik hoorde de getuige <toch, ook> zeggen <bla bla bla>, wilt u dit s.v.p. ook (zo) opnemen’?.

De getuige ondertekent zijn verklaring. Weigert hij te ondertekenen of verklaart hij dit niet te kunnen, dan wordt die weigering of die verklaring, inhoudende de oorzaak van verhindering, in het proces-verbaal vermeld (art. 180 lid 3 Rv.).

De bovenstaande drie bepalingen gelden ook voor door partijen (zelf) afgelegde verklaringen (art. 180 lid 4 Rv.).

Tot slot ondertekenen ook de griffier en de rechter – voor wie het verhoor heeft plaatsgevonden – het proces-verbaal (art. 180 lid 5 Rv.).

Uitzondering: geen proces-verbaal van getuigenverhoor als geen rechtsmiddel openstaat

In afwijking van artikel 180 behoeft in zaken die niet aan hoger beroep zijn onderworpen, geen proces-verbaal van het getuigenverhoor te worden opgemaakt (art. 181 lid 1 Rv.). Behálve wanneer de zaak in 1e instantie door het Hof wordt behandeld (lid 2).

Het naar aanleiding van het getuigenverhoor te wijzen vonnis houdt in dat geval de summiere inhoud van de afgelegde getuigenverklaringen in, plus de vermelding van de opgave, verklaringen en eedsaflegging als bedoeld in art. 177 Rv..

Vergoeding van kosten van de getuige

Indien de getuige schadeloosstelling vordert, wordt deze door de rechter begroot. Daarvan wordt melding gemaakt in het proces-verbaal. De schadeloosstelling wordt voldaan door de partij die de getuige heeft voorgebracht (art. 182 Rv.). Dit wordt opgetekend met de aanduiding ‘Taxe’. Als de getuige geen vergoeding vraagt, staat er dus ‘Taxe nihil’.

Getuigenverhoren verdeeld over meerdere dagen

In geval de getuigen niet op één dag kunnen worden gehoord, stelt de rechter het verdere horen tot een nadere dag uit en geschiedt er noch aan de ter zitting verschenen getuigen noch aan de al dan niet aldaar verschenen partij enige nieuwe oproeping (art. 183 Rv.).

Gevolgen van vormverzuim getuigenverhoor

Het nalaten van een van de in deze paragraaf voorgeschreven formaliteiten heeft, met uitzondering van artikel 177 omtrent het afleggen van de eed, alleen de nietigheid van het verhoor ten gevolge indien de belanghebbende partij daardoor in haar belangen is benadeeld en het verzuim niet kan worden hersteld.

Als daar geen sprake van is, dan kan de rechter, zo daartoe gronden zijn, herstel van begane onregelmatigheden bevelen (art. 184 Rv.).

Verwijzing naar de rol na getuigenverhoor

Na afloop van het getuigenverhoor of indien dit achterwege blijft, bepaalt de rechter de dag waarop de zaak weer op de rol zal komen (art. 185 Rv.).

Auteur & Last edit

[MdV, 29-6-2018; laatste bewerking 21-05-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.