LawyrupBurgerlijke rechtsvorderingWijze van procederen (Boek 1 Rv.)Dagvaardingsprocedure 1e aanleg (Titel 2, Boek 1 Rv.)Algemene bepalingen dagvaardingsprocedure (Afd. 1, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Algemene bepalingen dagvaardingsprocedure (Afd. 1, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Inleiding algemene bepalingen dagvaardingszaken

De 1e afdeling van Titel 2 Boek 1 Rv. bevat algemene bepalingen over het procesrecht in dagvaardingszaken. Wat dagvaardingszaken zijn, wordt gedefinieerd door art. 78 lid 2 Rv., namelijk: zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid.

De afdeling omvat 15 artikelen (art. 78 t/m 92 Rv.). Art. 78 lid 1 Rv. verklaart de titel van toepassing op alle zaken die geen verzoekschriftprocedures zijn (ex art. 261 Rv.).

Dit kan uitzondering lijden “voor zover daarop niet een andere, bijzondere wettelijke regeling van toepassing is”, aldus de wet. Het kan echter ook voorkomen, dat de aard van de procedure zich verzet tegen overeenkomstige toepassing. Zo oordeelde de Hoge Raad in het prejudiciële advies van HR 3 juni 2016 prejudiciële vraag (A/GIA Systems), dat de schakelbepaling van art. 78 lid 1 Rv. niet opgaat voor de toepasselijkheid van art. 125-127 Rv. op de kort geding procedure, vanwege het eigen karakter van de kort geding procedure. De Hoge Raad geeft vervolgens procesregels voor kort geding, die binnen de eigenheid van het kort geding aansluiten bij het systeem van de wet.

NB de links naar wetten overheid op deze pagina zijn naar de NIET-DIGITALE versie van Rv.. Voor de versie van het wetboek voor digitale procedures klik hier.

Verplichte procesvertegenwoordiging

In procedures bij de rechtbank moeten partijen zich door een advocaat laten bijstaan (art. 79 lid 2 Rv.). Die is hun spreekbuis. In de procedure heeft de procespartij zelf geen stem. Een uitzondering is de comparitie. Daar worden partijen juist wel zelf aan het woord gelaten en stelt de rechtbank hen rechtstreekse vragen.

In Kantonzaken mogen partijen echter zelf procederen, of zich laten vertegenwoordigen door een andere procesgemachtigde dan een advocaat (art. 79 lid 1 Rv.). Hetzelfde geldt voor de gedaagde in een kort geding. Wanneer die echter een tegeneis wil instellen, is weer wel een advocaat nodig.

Procesvolmacht

Advocaten en deurwaarders worden op hun woord geloofd als zij stellen volmacht te hebben, wanneer zij een partij bij de Kantonrechter vertegenwoordigen (art. 80 lid 3 Rv.). Anderen kunnen gevraagd worden een schriftelijke volmacht te tonen (art. 80 lid 1 en 2 Rv.). De Kantonrechter kan een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan weigeren (art. 81 Rv.).

Vordering door lasthebber als eiser en cessie ter incasso

Een partij die namens een ander – op grond van lastgeving – optreedt, hoeft dit niet expliciet te melden. Alleen zal die partij, wanneer diens bevoegdheid de eis in te stellen wordt betwist, moeten stellen en bewijzen op grond waarvan de partij bevoegd is op te treden (vgl. o.a. HR 26 november 2004 (fietsenverhuur). Bij lastgeving zal de last dus moeten worden gesteld en bewezen. In het arrest van de Hoge Raad d.d. 16 november 2018 (Mondial Keukens/Euretco)heeft deze beslist, dat de lasthebber die in eerste instantie op eigen naam optreedt, in hoger beroep alsnog kan aangeven dat hij op grond van lastgeving (op grond van cessie ter incasso) voor een gelieerde partij in rechte optreedt. Zie ook de pagina Lastgeving en de rechtspraak over het antwoord op de vraag, wie contractspartij (althans bevoegd als procespartij op te treden) is, de pagina Rechtshandelingen.

Domiciliekeuze

Een belangrijke bepaling is (art. 80 lid 4 Rv.)., waarin is bepaald dat een procespartij geacht wordt tot het einde van de procedure domicilie te hebben gekozen ten kantore van de advocaat. Aan dat adres kan op basis van art. 63 Rv. dan ook een rechtsmiddel betekend worden. Zie ook de pagina exploten.

Indiening processtukken

In art. 82 Rv. wordt bepaald wanneer – en op welke wijze – processtukken (conclusies en akten) worden ingediend. Doorgaans wordt schriftelijk geprocedeerd, en worden de stukken voor op op de datum van de zitting ingediend. Bij de Kantonrechter worden deze per post naar de griffie gestuurd. Daar kan ook mondeling op de zitting worden geconcludeerd, de griffier moet daar dan aantekening van bijhouden.

Bij de rechtbank (en het Hof) moeten deze op de roldatum worden ingediend, maar voorafgaand wordt een digitaal formulier aangemaakt (een zgn. B-formulier) dat moet worden meegestuurd. Alle rolzittingen van de rechtbank in dagvaardingszaken zijn op woensdag. Bij de Kantonrechter kan dat per rechtbank en per zaak verschillen. Bij het Hof is de landelijke roldag de dinsdag. De formulieren heten daar H-formulieren.

De processtukken moeten worden ondertekend (art. 83 Rv.).

Toezending processtukken

In Kantonzaken stuurt de griffier de voor de andere partij bedoelde exemplaren van de processtukken door. In zaken met verplichte procesvertegenwoordiging stuurt de advocaat afschriften aan de andere advocaat of advocaten (art. 84 Rv.).

Bewijsstukken en stukken van overtuiging

Wanneer een partij zich op een schriftelijk stuk beroept, is deze partij gehouden dit in het geding te brengen (art. 85 Rv.). Uiteraard moet dat – in verband met de hoor en wederhoor – tijdig gebeuren. Voor de eiser geldt in beginsel, dat dit direct bij de dagvaarding in het geding gebracht moet worden, of anders bij de comparitie na antwoord. Voor de gedaagde is dit bij de conclusie van antwoord, dan wel bij de comparitie na antwoord. De eerst mogelijke gelegenheid is het meest aan te raden.

Veelal staat in het rolreglement een termijn, of wordt door de rechtbank aangegeven. Voor het in het geding brengen van stukken voor een zitting is een termijn van uiterlijk 14 dagen tevoren gebruikelijk. De sanctie is dat het stuk buiten beschouwing wordt gelaten. Art. 89 Rv. geeft nog een specifieke bepaling voor het tijdstip van indienen van stukken, waarvan de rechter indiening heeft gelast op grond van art. 22 Rv..

Van belang is ook, dat de partij die zich op een stuk beroept, en ter ondersteuning een productie in het geding brengt waaruit dit feit moet blijken, ook duidelijk in het processtuk aangeeft welke stelling daarmee wordt bewezen. Daarbij moet dus zo concreet mogelijk worden aangegeven op welke passage wordt gedoeld. Van de rechter kan niet worden verwacht deze gevolgtrekkingen zelf uit de producties te trekken, mede gelet op het feit dat de wederpartij moet weten waarover het debat gaat (hoor en wederhoor) en waarop de rechter diens beslissing zou moeten baseren.

In het arrest van de Hoge Raad d.d. 10 maart 2017 (zieke analiste NAK/advocaat) komt dit pijnlijk aan de orde, waar een cassatie-advocaat aansprakelijk wordt gehouden wegens ondeugdelijk procederen. De rechtbank was van oordeel dat de cassatie-advocaat niet heeft gehandeld overeenkomstig de eisen die kunnen worden gesteld aan een redelijk handelend en redelijk bekwaam (cassatie)advocaat, omdat zij in het cassatiemiddel niet heeft verwezen naar de passage in de memorie van grieven in de eerste procedure, zodat het middel niet voldeed aan de vereisten ingevolge art. 407 lid 2 Rv..

Zij werd echter niet aansprakelijk gehouden voor het derven van schadevergoeding door haar cliënte, omdat dit het gevolg was van het feit dat haar advocaat in hoger beroep ontoereikend geprocedeerd had. Die had namelijk nagelaten in de grieven expliciet aan te geven, dat uit een in het geding gebrachte productie bleek, dat de analiste gedurende de periode waarin zij schadelijke stoffen ingeademd zou hebben wel degelijk werkte en niet (om andere redenen) wegens arbeidsongeschiktheid niet op het werk was. Van het Hof kon niet verwacht worden, dat het dit zelf uit die productie zou halen, als de advocaat die haar in hoger beroep bijstond hier niet op wees.

Zoals de Hoge Raad deze overweging van de rechtbank citeerde:

“Daartoe achtte de rechtbank van belang dat tegenover de uitgebreide en met stukken onderbouwde stellingname van NAK, in de memorie van grieven van de werkneemster is volstaan met een korte, niet met stukken gestaafde argumentatie. Daaraan doet volgens de rechtbank niet af dat uit de passage in de notulen van het werkoverleg zou kunnen worden afgeleid dat zij vanaf eind 1997 weer op arbeidstherapeutische basis werkzaam was voor NAK; nu in de memorie van grieven niet naar die passage was verwezen, kan het hof niet worden verweten dat het niet ambtshalve kennis had genomen van de inhoud van deze productie.”

De Hoge Raad overwoog over de noodzaak van het niet alleen overleggen van producties, maar ook helder (met aanduiding van de relevante passage, als het een langer stuk betreft) stellen welk feit daaruit moet worden afgeleid – onder verwijzing naar oudere jurisprudentie – als volgt (r.o. 3.3.2):

“De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, NJ 1992/814 en HR 8 januari 1999, NJ 1999/342). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl. HR 10 december 1993, NJ 1994/686).”

Het Hof in de beroepsaansprakelijkheidszaak wees de schadevergoeding tegen de cassatie-advocaat wel toe (voor 50% op grond van weging van de proceskansen), maar de Hoge Raad casseerde en bekrachtigde de beslissing van de rechtbank. De cassatie-advocaat was wel gehouden het eigen honorarium te vergoeden omdat de ontbinding van de opdracht door de rechtbank was toegewezen.

Inzage in originele stukken

De wet voorziet in art. 85 lid 2 Rv. in afgifte van originele stukken ten behoeve van inzage door de wederpartij. Deze worden daartoe bij de griffie gedeponeerd. Art. 86 Rv. bepaalt wanneer deze moeten worden teruggegeven: een week na deponering. De laatste volzin van art. 85 lid 2 Rv. voorziet in procedures met verplichte procesvertegenwoordiging in afgifte aan de advocaat van de wederpartij. Een dergelijke afgifte vraagt wel het nodige vertrouwen in die advocaat, want als het stuk “kwijt” raakt, kan het welslagen van de procedure daardoor in gevaar komen.

Schikkingscomparitie

De rechter kan te allen tijde – ambtshalve of op verzoek van partijen – een comparitie gelasten om te proberen een schikking te bereiken art. 87 lid 1 Rv.. Op de schikkingscomparitie kunnen partijen in persoon (zelf) te verschijnen. Bij een rechtspersoon is dat iemand die bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen; daartoe wordt vaak een volmacht gevraagd. Zij kunnen zich echter ook laten vertegenwoordigen. De rechter kan echter bevelen dat partijen in persoon komen. Zij mogen zich laten bijstaan door hun gemachtigde (in advocatenzaken dus hun advocaat), maar verplicht is dat niet.

Proces-verbaal van schikking

Wanneer een schikking bereikt wordt, legt de griffier dit -desgevraagd – vast. Dat proces-verbaal heeft de kracht van een executoriale titel art. 87 lid 3 Rv..

Toch is een dergelijke executoriale titel niet hetzelfde als een vonnis. Het is geen rechterlijke uitspraak, maar de vastlegging van een afspraak tussen partijen. Als hierin een betalingsverplichting is afgesproken, dan betekent dit dat de korte verjaringstermijn van 5 jaar van toepassing is (art. 3:316 B.W.). Voor een p-v. in executoriale vorm geldt dus niet de verjaringstermijn van 20 jaar zoals die geldt voor vonnissen. Vgl. HR 27 november 2015. Zie ook de pagina Verjaring en stuiting.

Inlichtingencomparitie

De rechter kan ook een comparitie gelasten voor het vragen van inlichtingen aan partijen. Dat kan zijn ter verheldering van hun standpunten, de feiten en/of de grondslagen of onduidelijkheden in het gevorderde. Ook kan worden gevraagd hoe partijen zich de bewijslastverdeling voorstellen en hoe zij het door hen aangeboden bewijs willen leveren (art. 88 lid 1 Rv.). De rechter stelt in principe de vragen. Partijen kunnen ook aan elkaar vragen stellen, mits de rechter dit toestaat (lid 2).

Van het besprokene wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat partijen ondertekenen (art. 88 lid 3 Rv.).

Verklaringen van een partij ter comparitie kunnen niet reeds tot bewijs strekken van hetgeen zij moeten bewijzen. Weigert een partij te verschijnen of weigert hij het proces-verbaal te tekenen, dan kan de rechter daar conclusies aan verbinden.

Comparitie na antwoord

Doorgaans wordt er na een “eerste ronde” (eis en antwoord) een zgn. “comparitie na antwoord” ingelast, die zowel de functie van inlichtingencomparitie heeft maar ook van schikkingscomparitie.

Verwijzing naar de rol

Na de comparitie wordt de zaak weer naar de rol verwezen (of bij Kanton naar een bepaalde datum) voor hetzij vonnis of beraad van partijen of uitlating of het indienen van een nader processtuk (art. 90 Rv.). De zaak wordt dan voor “de enkelvoudige kamer” voortgezet (dus 1 rechter, de zgn. “rolrechter”).

Rolreglementen

De rechtbanken (zowel de gewone als de sector Kanton) hebben een landelijk rolreglement opgesteld. Ook de gerechtshoven hebben sinds enige tijd een landelijk uniform procesreglement. Deze zijn op de website van de Rechtspraak te vinden.

HR 17-04-2015 levering aandelen CLI Dry Cleaning) – een bepaling in een procesreglement kan onverbindend zijn als deze in strijd is met de wet of het systeem van de wet.

Proces-verbaal

De griffier zendt het proces-verbaal zo spoedig mogelijk aan partijen (art. 91 Rv.). De griffier verzendt stukken per gewone post (art. 92 Rv.).

Rechtspraak

In geding brengen van bescheiden waarop een partij zich beroept

HR 10 maart 2017 (zieke analiste NAK/advocaat) – een partij die zich op stukken beroept en deze als productie in het geding brengt moet in de stellingen (of grieven in hoger beroep) helder aangeven welk feit daaruit is af te leiden en uit welke passage dit blijkt, mede gelet op de eisen van hoor en wederhoor.

Lastgeving en procesvolmacht

HR 26 november 2004 (fietsenverhuur) – Een lasthebber die in eigen naam in rechte optreedt ten behoeve van een ander (de lastgever), is niet gehouden in de dagvaarding of anderszins te vermelden dat hij ter behartiging van de belangen van een ander optreedt. Eerst indien het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is in eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden. Deze regel geldt ook voor het hoger beroep.

HR 16 november 2018 (Mondial Keukens/Euretco) – appellant kan in ook hoger beroep alsnog te kennen geven namens een derde in rechte op te treden, mits bij aanvang van het appèl.

Verjaring proces-verbaal schikking

HR 27 november 2015 – Voor een p-v. in executoriale vorm geldt niet de verjaringstermijn van 20 jaar zoals die geldt voor vonnissen, maar de korte verjaringstermijn van 5 jaar (ex art. 3:307 lid 1 B.W.).

Procesreglement

HR 17-04-2015 levering aandelen CLI Dry Cleaning) – een bepaling in een procesreglement kan onverbindend zijn als deze in strijd is met de wet of het systeem van de wet.

HR 3 juni 2016 prejudiciële vraag (A/GIA Systems) – bepaling in procesreglement kort geding onverbindend wegens strijd met systeem der wet.

Auteur & Last edit

[MdV, 30-06-2018; bijgewerkt 08-04-2019]

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.