LawyrupBurgerlijk wetboekBijzondere overeenkomsten (Boek 7 B.W.)Verzekering (Titel 17, Boek 7 B.W.)Schadeverzekering (Afd. 2, Titel 17, Boek 7 B.W.)

Verplichting (aspirant) verzekerde alle relevante informatie te geven

Art. 7:929 B.W. tot en met art. 7:930 B.W. verbinden aan het niet (volledig) informeren van de verzekeraar de consequentie dat de verzekeraar de overeenkomst kan opzeggen en de verzekerde geen aanspraak kan maken op een uitkering (of in sommige gevallen, een lagere uitkering). Onder het oude recht gold o.g.v. art. 251 WvK (oud) dat de verzekeraar de overeenkomst kon vernietigen, als deze bij juiste informatie niet zou zijn aangegaan. Zie de pagina Algemene bepalingen verzekering.

Indemniteitsbeginsel

Aan de schadeverzekering ligt het indemniteitsbeginsel ten grondslag (art. 7:944 B.W.):

“Schadeverzekering is de verzekering strekkende tot vergoeding van vermogensschade die de verzekerde zou kunnen lijden”.

De verzekering dekt dus alleen de – daadwerkelijk – geleden vermogensschade. In principe dus altijd een dagwaarde en niet een uitkering waarmee het verloren goed weer nieuw kan worden gekocht.

Begrip verzekerde

In art. 7:945 B.W. geeft de wet een definitie van het begrip verzekerde zoals dat wordt gehanteerd in Afd. 2 Schadeverzekering. Verzekerde is (i) degeen die krachtens de polis aanspraak heeft op een uitkering tot vergoeding van door hem geleden schade, of (ii) degeen die een aanwijzing daartoe heeft aanvaard. Dit begrip grijpt terug op art. 7:926 lid 2 B.W. waar het begrip “tot uitkering gerechtigde” wordt gedefinieerd.

In het arrest HR 28 september 2018 (AO-verzekerde/Nationale Nederlanden) kwam de vraag aan de orde, wie als verzekerde moest worden aangemerkt bij de arbeidsongeschiktheidsverzekering die een ondernemer met een eenmanszaak had afgesloten. Dit in verband met een beroep dat de verzekerde deed op Richtlijn 93/13 /EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten inzake een beding in de polis. De rechtbank legde de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor, of de verzekerde bij het aangaan van de verzekering was aan te merken als een consument. De Hoge Raad beantwoordt die vraag (in r.o. 3.4.1 t/m 3.4.3) bevestigend, omdat de ondernemer de verzekering juist vanuit zijn privé-belang had afgesloten voor het geval hij geen (volledig) inkomen meer zou kunnen verkrijgen uit zijn onderneming. Wie de premie voor die polis betaald heeft, doet daarbij volgens de Hoge Raad niet ter zake.

In Hof Den Haag 31 augustus 2010 (werknemer/Covebo) rees de vraag, of Covebo als werkgever van de werknemer – wiens geleasede BMW was gestolen – aanspraak had kunnen maken uit hoofde van de door de werknemer bij ASR afgesloten verzekering. ASR had die verzekering vernietigd op grond van art. 251 Wetboek van Koophandel (oud), omdat de verzekerde (werknemer) zijn strafrechtelijk verleden bij het aangaan van de polis had verzwegen.

Het Hof overweegt (r.o. 3.3):

“Dat Covebo in de polisvoorwaarden als verzekerde en (daarmee) als (mede-) rechthebbende op de verzekeringspenningen wordt aangemerkt is niet voldoende onderbouwd; het enkele feit dat Covebo als belanghebbende bij de BMW M3 zou kunnen worden beschouwd, levert geen recht op uitkering van de verzekeringspenningen op, vgl. artikel 7:945 B.W. dat inzoverre een codificatie van het geldende recht inhield. [werknemer] heeft aldus onvoldoende onderbouwd dat Covebo onder de verzekeringsovereenkomst een rechtsvordering tegen ASR had.”

De schade kwam ook niet voor risico van Covebo als werkgever omdat de schade was ontstaan in het zgn. “functionele verband” van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:661 B.W.. Tussen werkgever en werknemer was nl. afgesproken, dat de werknemer voor verzekering van de BMW zorg zou dragen in het kader van een al eerder door hem afgesloten autoverzekering. Die was bovendien al door de werknemer afgesloten voor indiensttreding bij Covebo. En tot slot was de auto ook niet gestolen tijdens het uitvoeren van werkzaamheden voor Covebo. Zie ook de pagina Bijzondere verplichtingen van de werknemer.

Dekking geldt alleen voor belang verzekerde

De wet gaat er van uit dat de verzekering alleen het belang van de verzekerde zelf dekt (art. 7:946 lid 1 B.W.). Wel kan anders worden overeengekomen.

In het arrest HR 27 april 2014 (Holding/Aegon) is de Hoge Raad – anders dan de P-G, die tot cassatie adviseerde – weinig toeschietelijk bij de vergoeding van brandschade aan een holding, die via een dochtervennootschap loodsen verhuurde aan derden. In 2006 was de polis gewijzigd, omdat de holding haar activiteiten gestaakt had. Tot dan toe waren de activiteiten van de hele groep door de polis gedekt. Omdat bij de wijziging van de polis in 2006 de dochtervennootschappen niet vermeld waren, werd de door hen geleden schade niet vergoed. Ook het feit, dat de dochters in 2009 zonder premieverhoging weer op de polis vermeld werden, kon de Hoge Raad niet vermurwen.

Verzekerde zaak valt in huwelijksgoederengemeenschap

Valt de verzekerde zaak in een huwelijksgoederengemeenschap, dan zijn bij een verzekering van die zaak de deelgenoten voor hun belang verzekerde (art. 7:946 lid 2 B.W.). Hetzelfde geldt bij geregistreerd partnerschap, waarbij een gemeenschap is ontstaan. Zie ook de pagina Gemeenschap (Boek 3 B.W., goederenrecht) en de pagina Wettelijke gemeenschap van goederen (Boek 1 B.W., huwelijksvermogensrecht).

Aanwijzing van een derde als gerechtigde tot een schade-uitkering

De verzekerde kan een derde aanwijzen als gerechtigde tot een schade-uitkering. Deze aanwijzing kan de verzekerde niet zonder medewerking van de verzekeraar dan wel de derde wijzigen (art. 7:947 B.W.).

Wijziging aanwijzing na opkomen van schade

De verzekerde kan de aanwijzing niet meer wijzigen zonder medewerking van de derde, wanneer de schade is ontstaan en er aanspraak bestaat op een uitkering (2e volzin).

Overdracht van een verzekerde zaak

Wordt een verzekerde zaak overgedragen aan een ander, dan gaan de rechten en plichten uit de polis over op de verkrijger bij overdracht (art. 7:948 lid 1 B.W.). Dit geldt ook bij overdracht van een beperkt recht met betrekking tot een zaak (zoals een erfpachtrecht). Bijkomende verzekeringen gaan ook mee over.

Ook wanneer het risico contractueel al eerder overgaat naar de verkrijger, dan vindt de overgang van de rechten uit de polis pas plaats na overdracht van de zaak.

Geen overgang vindt plaats, indien (i) dit contractueel anders wordt afgesproken of (ii) wanneer de verkrijger dit tegenover de verzekeraar verklaart.

In Rb. Rotterdam 27 juli 2011 (Orient Office GmbH/Reaal c.s.) deed zich de vraag voor, of Orient – die goederen had ingekocht en vervolgens met het beding CIF (“cost insurance and freight” komen ten laste van de koper) kon worden aangemerkt als verzekerde, en dus gerechtigd was tot uitkering van schade. De rechtbank overweegt: ingevolge art. 7:948 B.W. volgt de verzekering het belang. Deze regels gelden behoudens andersluidende overeenkomst tussen verzekeringnemer en verzekeraar, en zijn dus van regelend recht.

De diepgevroren partij rundvlees had gedeeltelijk dooischade opgelopen tijdens het vervoer. De polis ten name van Orient Office dekte alleen het door haarzelf gelopen risico. Aangezien de goederen echter vanaf inlading voor risico van de koper Faragella kwamen, lag het risico niet bij haar en kon zij daarmee aan de polis geen dekking ontlenen. Pijnlijk genoeg voor Orient kon zij ook de schade van Faragella en van de bank, die de accreditieven had uitgegeven, niet claimen. Zij had namelijk met Faragella een regeling getroffen, waardoor die geen schade had geleden. Ook de bank had geen schade geleden.

In Hof Den Bosch 8 oktober 2019 (Quality Yachts/Achmea Interpolis) komt de vraag aan de orde, of de dekking onder de polis met betrekking tot het risico van brandschade aan de voorraad van een jachtwerf is overgegaan op een – niet op de polis vermelde – dochtervennootschap. Doordat art. 7:948 B.W. was uitgesloten, ging de polis niet over op de verkrijger. In dit arrest komen ook interessante overwegingen voor over de uitleg van standaard polisvoorwaarden (met verwijzing naar arresten van de Hoge Raad) en over de vraag of de weigering van Interpolis om dekking te verlenen in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

Lees meer over Hof Den Bosch 8 oktober 2019 (Quality Yachts/Achmea Interpolis)

In de zaak leidend tot het arrest Hof Den Bosch 8 oktober 2019 (Quality Yachts/Achmea Interpolis) had de Holding van Quality Yachts B.V. een verzekering afgesloten met betrekking tot onder meer het risico op brandschade van de voorraad boten, waaronder boten in aanbouw. De polis benoemde specifieke objecten in de voorraad, en vermeldde de verzekerde adressen. In de polis was ook een verhuisclausule opgenomen. De Holding was op grond van een koopovereenkomst met een klant economisch belanghebbende bij een in aanbouw zijnde trawler, die echter te naam gesteld was van Quality Yachts. In verband met de verkoop werd het schip verhuisd naar een nieuwe loods, en jawel, er breekt brand uit en het schip gaat verloren. Schade 9 ton. De verzekeraar wijst de claim af. In hoger beroep ontspint zich een debat over twee vragen: viel de verplaatsing van de boot onder de verhuisclausule – Interpolis stelde dat daaronder alleen te verstaan was verhuizing van het hele bedrijf van A naar B, onder verlating van adres A – of niet? Zo ja, dan zou er tot de melding van de adreswijziging nog twee maanden dekking zijn. De tweede vraag was, of de trawler onder de polis viel. Toevallig was Quality Yachts niet als verzekerde op de polis genoemd, terwijl de Holding en een andere dochtervennootschap dat wel waren. De rechtbank wees de vordering van de Holding af, omdat de boot niet op het in de polis vermelde adres stond en de dekking op het andere adres niet onder de zgn. “verhuisclausule” viel, en omdat de boot niet van de verzekerde was.

Het standpunt van Interpolis inzake de verhuisclausule wordt door het Hof niet gevolgd. In r.o. 6.6 overweegt het Hof – mede in het licht van eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad – het volgende over de uitleg van standaard polisvoorwaarden, waarover niet is onderhandeld:

“Het hof stelt voorop dat hier gaat om de uitleg van de polisvoorwaarden. Tussen partijen is niet onderhandeld over de voorwaarden, zodat de uitleg van de polisvoorwaarden met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel. Voorts dient tot uitgangspunt dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. Dat brengt ook de vrijheid mee om daarbij – op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voormelde objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is – binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen (ECLI:HR:2008:BC2793, Chubb/Dagenstaed). Verder is in dit verband de uitleg contra proferentem als gezichtspunt van belang. Aan [appellante] komt, nu zij geen consument is, weliswaar geen beroep op artikel 6:238 BW toe, maar een onduidelijkheid in de polisvoorwaarden kan wel door de feitenrechter ten nadele van de opsteller van de voorwaarden worden meegewogen (vgl. conclusie AG Hartlief bij ECLI:NL:HR:2017:1055).”

In r.o. 6.10 past het Hof deze maatstaf toe op de feiten:

Naar het oordeel van het hof kan uit de polisvoorwaarden niet worden afgeleid dat een beroep op de verhuisclausule alleen en uitsluitend kan worden gedaan, indien het oude risicoadres waarop de roerende zaken zich bevonden, definitief wordt verlaten. Deze voorwaarde is niet terug te vinden in de tekst van de polisvoorwaarden terwijl de term “verhuizing van roerende zaken” in samenhang met de daarbij omschreven voorwaarden ook niet tot die uitleg dwingt. Daarbij merkt het hof op dat de bepaling ziet op verhuizing van roerende zaken; het gaat hier dus niet om een verhuizing van de (gehele) onderneming.

Dat een ondernemer (een deel van) zijn roerende zaken wil overbrengen naar een nieuw adres, zonder dat het oude adres (geheel) wordt verlaten, valt binnen het bereik van de polisvoorwaarde. Een redelijke uitleg van de hier bedoelde polisvoorwaarde brengt met zich dat ook in geval het oude adres wordt behouden, aanspraak kan worden gemaakt op de verhuisclausule bij de verhuizing van roerende zaken naar een ander adres. Dat in de praktijk (zo begrijpt het hof uit de stukken) de melding van een ander adres waar een deel van de roerende zaken naar toe is gebracht tot gevolg heeft dat, na acceptatie van het nieuwe adres, dit adres wordt bijgeschreven op de polis als risicoadres, laat onverlet dat de roerende zaken van de ondernemer vanaf het moment van verhuizing naar de andere locatie onder de afgesloten verzekering in ieder geval nog twee maanden dekking bestaat. Nu het gaat om uitleg aan de hand van objectieve factoren is niet relevant dat Interpolis de bepaling zo niet heeft bedoeld. Evenmin is bij de beoordeling van de uitleg van de polisvoorwaarde relevant dat [appellante] nimmer eerder ten opzichte van Interpolis een beroep op deze verhuisbepaling heeft gedaan.”

Wat betreft de vraag wie verzekerde was is de uitkomst voor de Holding echter minder gunstig. De boot was in het verleden overgedragen aan dochter Quality Yachts (volgens de Holding op advies van de Rabobank als tussenpersoon) en die stond niet op de polis. Het feit dat de Holding door de koopovereenkomst wel economisch belanghebbende was geworden, kon de Holding evenmin baten.

Het Hof overweegt in r.o. 6.16:

“Naar het oordeel van het hof had [appellante] ten tijde van de brand op 6 februari 2015 een verzekerbaar belang bij de Trawler. Interpolis bestrijdt niet dat ingevolge de tussen [appellante] en Quality Yachts gesloten koopovereenkomst van 27 oktober 2014 per die datum de Trawler voor rekening en risico van [appellante] kwam (6.1.8). Met de koopovereenkomst ontstond aldus voor [appellante] vanaf 27 oktober 2014 de mogelijkheid dat zij vermogensschade zou lijden bij het tenietgaan van of schade aan de Trawler en heeft zij een eigen belang bij de verzekering.”

In de polis was een van art. 7:948 B.W. afwijkend beding opgenomen ten aanzien van de overgang van de polis bij overdracht. Het Hof overweegt in r.o. 6.19:

“Interpolis heeft naar voren gebracht dat nadat de Trawler op 13 september 2012 is geregistreerd (en te boek gesteld) op naam van Quality Yachts, de Trawler geen voorraad meer was van Euroboat Builders B.V. en evenmin van [appellante] . Op dat moment was er geen verzekerbaar belang meer voor Euroboat Builders B.V. of [appellante] , zodat de verzekeringsovereenkomst op grond hiervan is geëindigd. Krachtens de verzekeringsovereenkomst geldt dat wanneer het verzekerde belang is overgedragen de verzekering in afwijking van artikel 7:948 BW het verzekerde belang niet volgt, maar eindigt.”

Het feit, dat de Holding als gevolg van de koopovereenkomst weer een verzekerbaar belang had gekregen bij de trawler, maakte daarmee nog niet dat die onder de dekking viel als onderdeel van de voorraad van de Holding, aldus het Hof in r.o. 6.21:

“Met Interpolis is het hof van oordeel dat met het ontstaan van het verzekerbaar belang per 27 oktober 2014 voor [appellante] (de economische eigendomsoverdracht van de Trawler), dit niet betekent dat het belang (weer) verzekerd was bij Interpolis. Interpolis heeft onbestreden gesteld dat [appellante] bij Interpolis had moeten melden dat zij de economische eigendom had verkregen waarna Interpolis deze wijziging had moeten accepteren op de polis.”

Een beroep op de redelijkheid en billijkheid kan de Holding niet baten. In r.o. 6.22 komt het Hof dan ook tot de beslissing, dat de boot niet verzekerd was op de polis van de Holding:

“Het beroep van [appellante] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Interpolis geen dekking verleent, faalt. Van een situatie gelijk aan HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:BZ3670 is geen sprake.

In ieder geval brengen de stellingen van [appellante] op dit punt in dit geval nog niet met zich dat Interpolis zich niet meer zou mogen beroepen op het feit dat Quality Yachts geen verzekerde vennootschap onder de polis was en de verzekering ten aanzien van de Trawler na eigendomsoverdracht aan Quality Yachts op grond van de polisvoorwaarden is geëindigd. Uitgangspunt blijft immers dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen.”

Verval na een maand tenzij overname polis door verkrijger

De polis vervalt vervolgens na een maand. Dit tenzij de verkrijger tegen de verzekeraar binnen die maand verklaart de verzekering over te nemen (art. 7:948 lid 2 B.W.). Tot aan de verklaring door de verkrijger moet de premie nog door de vervreemder betaald worden (art. 7:948 lid 3 B.W.).

De verzekeraar kan van zijn kant binnen twee maanden nadat deze verklaring is afgelegd zelf de verzekering opzeggen.

Geen verlenging van de termijn van de polis

Lid 2 leidt niet tot een verlenging van de contractuele verzekeringsduur (art. 7:948 lid 4 B.W.). Ook kan de verzekering nog steeds om andere redenen, die los van de overdracht reeds golden, worden opgezegd.

Niet van toepassing als verkrijger al de begunstigde was

Deze regeling geldt niet als de verkrijger reeds de begunstigde als bedoeld in art. 7:947 B.W.was (art. 7:948 lid 5 B.W.).

Rechtspraak

Definitie verzekerde

HR 28 september 2018 (AO-verzekerde/Nationale Nederlanden)– ondernemer die AOV heeft afgesloten wordt voor de regels inzake consumentenbescherming aangemerkt als consument. Daarbij doet niet terzake of de premie door het bedrijf wordt betaald.

Hof Den Haag 31 augustus 2010 (werknemer/Covebo) – het enkele feit, dat de werkgever een financieel belang bij de polis had, is onvoldoende om aan te nemen dat zij – naast de werknemer, die de polis had afgesloten – als verzekerde kan worden aangemerkt.

Overdracht van (on)roerende zaak

Rb. Rotterdam 27 juli 2011 (Orient Office GmbH/Reaal c.s.) – de polis ten name van Orient Office dekte alleen het door haarzelf gelopen risico. Aangezien de goederen echter vanaf inlading voor risico van de koper Faragella kwamen, lag het risico niet bij haar en kon zij daarmee aan de polis geen dekking ontlenen.

Auteur & Last edit

[MdV, 8-10-2018; laatste bewerking 9-07-2002]

0 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.