Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding (Afd. 10, Titel 1, Boek 6 B.W.)

LawyrupBurgerlijk wetboekVerbintenissenrecht (Boek 6 B.W.)Verbintenissen in het algemeen (Titel 1, Boek 6 B.W.)Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding (Afd. 10, Titel 1, Boek 6 B.W.)

Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding (Afd. 10, Titel 1, Boek 6 B.W.)

Inleiding wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding

In Titel 1, Afd. 10 B.W. heeft de wetgever de algemene bepalingen inzake schadevergoeding opgenomen. Deze algemene bepalingen zijn in alle gevallen van toepassing, waarin iemand wettelijk verplicht is schade te vergoeden. Art. 6:95 B.W. spreekt van schade “die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed”.

Dat kan dus zowel gaan om aansprakelijkheid wegens het niet nakomen van een verbintenis uit een overeenkomst of eenzijdige rechtshandeling, maar ook om een verplichting schade te vergoeden uit onrechtmatige daad of een andere vorm van wettelijke aansprakelijkheid.

Wat kan de schadevergoeding omvatten?

In art. 6:95 B.W. is bepaald, dat de te vergoeden schade omvat:

– vermogensschade, en

– ander nadeel, voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft

Per 1 januari 2019 is art. 6:95 B.W. gewijzigd door het inwerking treden van de Wet op de affectieschade. Er is een lid 2 toegevoegd, waarin beslag op een vergoeding wegens immaterieel schade is uitgesloten (Stb. 2018, 132). Zie ook art. 6:107 B.W..

In art. 6:96 B.W. wordt het begrip vermogensschade nader uitgewerkt. Deze bestaat volgens lid 1 uit:

– geleden verlies (bij contracten ook wel genaamd het negatief contractsbelang)

– gederfde winst (bij contracten ook wel genaamd het positief contractsbelang)

Daarnaast kent lid 2 de benadeelde partij nog vergoeding toe van de redelijke kosten:

– sub a: ter voorkoming of beperking van te verwachten schade;

– sub b: ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid; en

– sub c: ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

Lid 3 bepaalt, dat de vergoeding van de schade van lid 2 sub b en c niet van toepassing is, als die wordt meegenomen in de proceskosten op grond van art. 241 Rv..

Interessant in dit verband is het arrest van de Hoge Raad d.d. 26 september 2014 (NJ 2015, 84), waarin de Hoge Raad besliste dat de door de eiser ex art. 6:96 aanhef en onder b en c B.W. gevorderde kosten mede kunnen omvatten de “no cure no pay” vergoeding die met de rechtsbijstandsverzekeraar is overeengekomen.

Nadere regels voor schadevaststelling

Art. 6:97 B.W. bepaalt, dat de rechter de schade begroot “op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is”. Medische schade zal bvb. vastgesteld moeten worden door een medisch onderzoek, waardevermindering door een taxatie, schade door geluidshinder door een technisch onderzoek enz.. Vgl. het arrest van de Hoge Raad d.d. 25 oktober 2002 inzake de Gemeente Heeze-Leende, waarbij omwonenden van een bedrijf schadevergoeding van de gemeente eisten wegens langdurige geluidsoverlast. De gemeente had nagelaten toezicht te houden, er was geen Hinderwetvergunning.

Als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan kan de rechter die bepalen aan de hand van een schatting. Zie het arrest Hoge Raad 7 september 2018 (WEA Randstad Accountants/NN) waarin de Hoge Raad overweegt dat het Hof – als het eenmaal heeft geoordeeld dat er schade is geleden – de vordering niet kan afwijzen omdat die onvoldoende onderbouwd is. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 9 december 2011 (door man verkochte auto van vrouw), waarin dit ook al was beslist.

Als de rechter dit niet in de hoofdprocedure kan begroten, kan de schadevaststelling worden verwezen naar een afzonderlijke procedure. Zie de pagina Schadestaatprocedure.

Schadevergoeding wordt in principe toegekend in geld, maar de rechter kan ook een andere vorm voorschrijven (art. 6:103 B.W.).

Causaliteit

De schade moet wel zijn toe te rekenen aan de aansprakelijk gestelde partij (art. 6:98 B.W.). Wanneer niet precies kan worden vastgesteld, wie de veroorzaker (dader) is omdat er meerdere veroorzakers (daders) zijn, dan wordt de schade aan ieder van hen toegerekend (art. 6:99 B.W.). Hierbij speelt ook het leerstuk van groepsaansprakelijkheid.

Daarbij geldt dat de aansprakelijke partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn (art. 6:102 B.W.). Zie ook de pagina Hoofdelijkheid.

De rechtsactie uit “onrechtmatige daad” kent als één van de vereisten, dat de schade moet zijn veroorzaakt door het onrechtmatig handelen of nalaten van de veroorzaker (de “laedens”) van de schade. Er moet dus sprake zijn van een causaal verband.

De juridische causaliteit is niet steeds dezelfde als de natuurkundige causaliteit. Er is in zekere mate sprake van “toerekening”: het recht kijkt achteraf naar wat er gebeurd is en probeert aan de hand van de gebeurtenissen “rechtsfeiten” te vinden, waaruit een (juridisch) oorzakelijk verband kan worden afgeleid.

Het is dogmatisch soms verwarrend, doordat hiermee ook het element “schuld” (of verwijtbaarheid) met het criterium van “causaal verband” vermengd kan raken.

Ook kan het oordeel over de hoogte van de aansprakelijkheid in twee fasen aan de orde komen: zowel bij de causaliteitsvraag alsook bij de vaststelling van de hoogte van de schade (de rechter kan die bij voorbeeld matigen).

Verschillende soorten causaliteit

Uitgangspunt van het causaliteitsvereiste is, dat er een “conditio sine qua non” verband bestaat tussen de gebeurtenissen en de schade: zou de schade ook zijn ontstaan als een bepaalde gebeurtenis (een handeling of nalaten van de aansprakelijk gestelde partij) niet had plaatsgevonden? Bovendien moet van elk onderdeel van de geclaimde schade vaststaan, dat die in verband staat met de oorzaak waarop de aansprakelijkheid wordt gestoeld (art. 6:98 B.W.).

Er worden verschillende soorten causaliteit onderscheiden:

Alternatieve causaliteit

Van alternatieve causaliteit is sprake, wanneer er meerdere gebeurtenissen zijn, die de schade ieder voor zich hebben kunnen veroorzaken. Voor die situatie bepaalt art. 6:99 B.W., dat ieder van de veroorzakers aansprakelijk is voor de gehele schade, tenzij hij kan bewijzen dat een deel van de schade al voordien bestond.

Dit deed zich voor in het arrest HR X/AMEV d.d. 31 januari 2003. De verzekeraars zocht regres op de daders van een brandstichting voor de schade aan een gebouw. Dezelfde nacht was in dat gebouw door anderen ook brand gesticht. De Hoge Raad bekrachtigde het oordeel van het Hof, dat de gehele schade voor rekening van de aanstichters van de tweede brand kwam, omdat aannemelijk was dat de schade voornamelijk door hen was veroorzaakt.

Proportionele causaliteit

Wanneer niet met zekerheid kan worden vastgesteld, door welke oorzaken een schade is veroorzaakt, dan kan dit reden zijn om de aansprakelijkheid toe te rekenen op basis van een inschatting van de mate waarin een bepaalde oorzaak aan de schade heeft bijgedragen. Deze redenering is toegepast in het arrest Nefalit/Erven Karamus d.d. 31 maart 2006. In die zaak was de werknemer Karamus overleden aan de gevolgen van jarenlange blootstelling aan asbest. Op de werkgever Nefalit rustte de bijzondere zorgplicht om werknemers niet aan een dergelijk risico bloot te stellen. Omdat Karamus echter ook stevig rookte, werd de oorzaak (en daarmee de schade) verdeeld over deze twee oorzaken van zijn overlijden.

De Hoge Raad overwoog daarbij wel, dat deze regel met terughoudendheid moet worden toegepast.

In het arrest Fortis/Bourgonje d.d. 24-12-2010 overwoog de Hoge Raad dat de regel van Nefalit/Erven Karamus zorgvuldig getoetst moet worden aan de feiten. In die casus ging het om de bijzondere zorgplicht van de bank jegens een client van de bank die verlies leed bij beleggingen. Het verweer van de bank was, dat dit een zeer ervaren belegger was, die bovendien blijkens diens instructies aan de bank zeer eigenzinnig was. Ook wanneer de bank nog eens extra had gewaarschuwd, dan zou deze belegger zich daar vermoedelijk niets van hebben aangetrokken. De Hoge Raad vond dat dit verweer nader onderzocht moest worden, voordat geconcludeerd mocht worden tot proportionele causaliteit en dus verdeling van de schade over de bank en de eigenzinnige belegger.

Voordeelstoerekening en eigen schuld

Wanneer de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt behalve nadeel ook voordeel voor de benadeelde heeft meegebracht, dan wordt die in mindering gebracht (art. 6:100 B.W.).

Als de benadeelde zelf ook schuld heeft aan de schade-oorzaak, dan wordt de aansprakelijkheid evenredig verdeeld (art. 6:101 lid 1 B.W.). Lid 2 bepaalt, dat wanneer er sprake is van zaaksbeschadiging, en de zaak werd gehouden door een derde, toerekening van diens handelen ook aan de benadeelde wordt toegerekend. Bij voorbeeld als iemand met jouw hond gaat wandelen en de hond raakt gewond door toedoen van een derde, maar de hond was niet aangelijnd terwijl dit wel moest.

Als de veroorzaker door het schadetoebrengende feit voordeel heeft genoten, dan kan de rechter de schadevergoeding ook vaststellen op dat door de veroorzaker genoten voordeel (art. 6:103 B.W.). Hierbij valt met name te denken aan het voordeel door onrechtmatige concurrentie.

Immateriële schadevergoeding, shockschade, gederfd inkomen en nabestaanden

Art. 6:106 B.W. heeft een speciale aanspraak voor immateriële schade in geval van opzettelijke toebrengen van schade en bij lichamelijk letsel, of schade in eer of goede naam. Die laatste aanspraak heeft ook de echtgenoot van een overledene, wiens eer of goede naam wordt geschaad.

Art. 6:107 B.W. geeft de derde die kosten heeft gemaakt door een gebeurtenis waarbij een ander lichamelijke of geestelijke schade heeft geleden een eigen recht op vergoeding van die kosten.

Per 1 januari 2019 wordt ook de regeling inzake affectieschade van kracht (Stb. 2018, 132 en Stb. 2018, 339). In het gewijzigde art. 107 B.W. wordt ook schade toegekend aan naasten, die immaterieel schade hebben geleden door affectieschade aan een (geestelijk of lichamelijk) gekwetste (art. 6:107 B.W.) naaste, of in geval van overlijden van een naaste (art. 6:108 B.W.).

Art. 6:107a B.W. geeft de gelaedeerde aanspraak op vergoeding van gederfd loon. Als de werknemer echter doorbetaald wordt, dan houdt de rechter daarmee rekening (lid 1). Daar staat tegenover dat de werkgever de kosten van loondoorbetaling zelf ook kan verhalen (lid 2), evenals de kosten van nakoming van zijn verplichtingen uit artikel 658a van Boek 7 (lid 3). De beperking van lid 2 is (mij) enigszins onduidelijk.

Ook hebben bepaalde nabestaanden van een door toedoen van een laedens overledene aanspraak op – kort gezegd – gemist levensonderhoud en de begrafeniskosten (art. 6:108 B.W.).

Onder omstandigheden kan aan omstanders, die geestelijk letsel hebben gekregen doordat zij getuige zijn van een ernstig voorval dat iemand anders is overkomen, ook schade vorderen voor hun schade. Dit noemt men “shockschade”. De Hoge Raad heeft een dergelijke schade voor het eerst toegekend in het zgn. Taxibus-arrest. d.d. 22 februari 2002. De Hoge Raad heeft deze schade gegrond op art. 6:106 lid 1 aanhef en sub b B.W..

Rechterlijke matiging

De rechter kan de hoogte van de schadevergoeding op gronden van redelijkheid en billijkheid matigen (art. 6:109 B.W.). De wet noemt daarbij een aantal omstandigheden, die mee kunnen wegen:

– de aard van de aansprakelijkheid

– de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en

– hun beider draagkracht

Deze opsomming is niet enumeratief bedoeld, de rechter kan alle omstandigheden van het geval meewegen.

De wetgever kan voorts maximumbedragen voor bepaalde schades vaststellen, om ervoor te zorgen dat het risico verzekerbaar blijft (art. 6:110 B.W.).

Buitengerechtelijke incassokosten

De kosten genoemd in art. 6:96 B.W. lid 2 onder sub c worden ook wel aangeduid als de “buitengerechtelijke incassokosten” (afgekort: BGK). Voor de vaststelling van deze kosten is een speciale wettelijke regeling in het leven geroepen, om te voorkomen dat deze kosten natte vingerwerk worden en met name consumenten excessieve kosten in rekening gebracht worden. Deze specifieke regeling is uitgewerkt in art. 6:96 leden 4 t/m 7 B.W..

Daarnaast zijn per 1 juli 2012 bij algemene maatregel van bestuur (afgekort: AMvB) nadere regels gesteld ter uitwerking van de BGK. Deze zijn neergelegd in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

Enerzijds wordt voor de BGK bij handelscontracten een minimum van 40 Euro gefixeerd (lid 4), dat opeisbaar is zonder ingebrekestelling zodra verzuim intreedt.

Anderzijds zijn voor consumenten extra beschermingsmaatregelen opgenomen: de BGK worden bij een consument pas verschuldigd na sommatie (waarin ook voor deze extra kosten worden gewaarschuwd) (lid 6). En bij consumenten moet bij meerdere facturen zoveel mogelijk in één sommatie worden gemaand, zodat het bedrag van de minimum BGK niet gestapeld kan worden (lid 7) .

Eerder was door een commissie uit de rechterlijke macht al een rapport opgesteld (het zgn. Rapport Voorwerk II”), waarin de “dubbele redelijkheidstoets” geïntroduceerd is. Op de website van de Rechtspraak is een uitwerking te vinden van de berekening van buitengerechtelijke incassokosten.

Uitsluitingen c.q. speciale derogerende regels

Voor bepaalde kosten biedt de wet een regeling, die als “lex specialis” prevaleert boven (of zoals juristen zeggen: “derogeert aan”) de algemenere wettelijke bepalingen (de “lex generalis”).

Die bepalingen houden meestal een beperking van de verhaalbare schade in, door die op een bepaalde grondslag te fixeren. Dit geldt onder meer de proceskosten en de vertragingsrente (“wettelijke rente” bij verbintenissen tot betaling van een geldsom).

Proceskosten

De partij wiens vordering wordt toegewezen in een procedure krijgt niet de volledige proceskosten vergoed. Hiervoor is ook een speciale regeling, waardoor deze vergoeding wordt beperkt. Zie de pagina Proceskosten.

Wettelijke rente

Een uitzondering geldt verder voor de vertragingsschade over de vordering tot betaling van een geldsom. Daarvoor geldt de wettelijke rente. Meer hierover op de pagina Wettelijke rente.

Letsel bij verkeersongelukken

In de verkeerswetgeving is voorts een speciale schadeverdeling vastgesteld bij ongevallen tussen motorvoertuigen en voetgangers. Die komt er op neer, dat de bestuurder van het motorvoertuig in beginsel altijd voor 50% aansprakelijk is. Dit is een rechts-politieke keuze die verband houdt met de verplichte motorrijtuigenverzekering.

Rechtspraak

Art. 6:97 B.W.

Hoge Raad 7 september 2018 (WEA Randstad Accountants/NN) – Het hof had nu het kennelijk van oordeel was dat er wel sprake was van schade, maar de omvang van de schade niet nauwkeurig kon worden vastgesteld, de omvang van de schade op de voet van art. 6:97 BW moeten schatten, dan wel partijen naar de schadestaatprocedure moeten verwijzen, ook zonder dat dit uitdrukkelijk was gevorderd. Zie ook Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 9 december 2011 (door man verkochte auto van vrouw).

Art. 6:106 B.W.

Rb. Oost-Brabant 16 januari 2019 (beledigde BN-er/BN-er)– BN-er die in de media verkondigde sekspoppen te willen produceren en daarbij een andere BN-er met name noemde als één van de modellen voor de poppen veroordeeld tot EUR 2.000 schadevergoeding wegens reputatieschade .

Auteur & Last edit

[MdV, 21-10-2017; bijgewerkt 10-09-2018]

0 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.