LawyrupBurgerlijk wetboekBijzondere overeenkomsten (Boek 7 B.W.)Verzekering (Titel 17, Boek 7 B.W.)Algemene bepalingen verzekering (Afd. 1, Titel 17, Boek 7 B.W.)

Algemene bepalingen verzekering (Afd. 1, Titel 17, Boek 7 B.W.)

Pagina inhoud

Inleiding algemene bepalingen verzekering

In Afd. 1, Titel 17 B.W. vinden we de algemene bepalingen die voor alle soorten verzekeringsovereenkomst van kracht zijn. De afdeling omvat 19 bepalingen (art. 7:925 B.W. tot en met art. 7:943 B.W.). Het verzekeringsrecht is per 1-1-2006 in Boek 7 B.W. opgenomen. Daarvoor was de wettelijke regeling van de verzekeringsovereenkomst te vinden in het Wetboek van Koophandel (WvK).

Definitie verzekering

Art. 7:925 lid 1 B.W. geeft de definitie van de verzekeringsovereenkomst:

“Verzekering is een overeenkomst waarbij de verzekeraar zich jegens de verzekeringnemer verbindt tot het doen van een uitkering, zonder dat bij het sluiten der overeenkomst enige zekerheid bestaat, dat, wanneer of tot welk bedrag enige uitkering moet worden gedaan. De verzekeraar ontvangt in ruil daarvoor de verzekeringspremie”.

Uitkering

De uitkering kan ook anders dan in geld zijn. Ook kan het gaan om meerdere uitkeringen: bvb. als het een doorlopende (schade)verzekering is, voor meerdere schades. Of het kan gaan om periodieke betalingen (zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering).

Polis

De verzekeringsovereenkomst moet zo spoedig mogelijk schriftelijk worden vastgelegd en de verzekeraar moet de verzekerde daarvan een afschrift geven. De akte waarin de verzekeringsovereenkomst is vastgelegd heet polis (art. 7:932 BW). De verzekeraar moet mededelingen aan de verzekerde steeds schriftelijk doen (art. 7:933 BW).

De verzekering kan hetzij een schadeverzekering zijn, hetzij een sommenverzekering. Bij een schadeverzekering moet de verzekeraar de geleden schade aan de verzekerde betalen. Bij een sommenverzekering moet de verzekeraar een in de polis vastgelegd bedrag betalen.

Persoonsverzekering

Persoonsverzekering is de verzekering die het leven of de gezondheid van een mens betreft (art. 7:925 lid 2 B.W.). Bijvoorbeeld een overlijdensrisicoverzekering of een arbeidsongeschiktheidsverzekering of zorgverzekering.

Herverzekering

De bepalingen van de titel zijn niet van toepassing op herverzekering (art. 7:927 BW.). Dat is een verzekering waarbij een verzekeraar haar risico op haar beurt bij een andere verzekeraar afdekt.

Mededelingsplicht verzekeringnemer bij aangaan verzekering

Een essentiële bepaling is art. 7:928 BW, waarin de mededelingsplicht van de verzekerde is vastgelegd. De verzekeraar moet immers in staat zijn om het risico in te schatten, teneinde te kunnen beoordelen of zij de verzekering wil afsluiten en zo ja, tegen welke premie.

Opzegging van de verzekering bij schending mededelingsplicht

De sanctie op het verstrekken van van onjuiste informatie, waardoor de verzekeraar de verzekeringsovereenkomst niet zou zijn aangegaan, staat in art. 7:929 BW en art. 7:930 B.W.. Voorheen was de sanctie opgenomen in art. 251 WvK (oud), dat de verzekeraar de mogelijkheid bood de verzekering te vernietigen. Het nieuwe systeem is genuanceerder.

De verzekeraar kan bij ontdekking de verzekering opzeggen, nadat hij eerst de verzekerde kennis gesteld heeft. Daarbij geldt een termijn van twee maanden. Als de feiten aan het licht komen nadat er een uitkering geclaimd is, of wanneer er opzet in het spel is , kan de verzekering direct worden opgezegd. Dit is gewijzigd in opzeggen, per direct bij opzet of anders na twee maanden. De vernietigingsgronden van bedrog (art. 3:44 lid 3 B.W.) en dwaling (art. 6:228 B.W.) zijn voor de verzekering uitgesloten (art. 7:931 B.W.). de regeling vormt dus een lex specialis t.o.v. die bepalingen.

Geen uitkering of lagere uitkering

Art. 7:930 B.W. bepaalt dat geen aanspraak bestaat op uitkering, wanneer er sprake is van verzwijging. Leden 2 en 3 geven nadere regels, voor het geval de verzwegen informatie niet relevant is. Ook kan een evenredig lagere uitkering plaatsvinden, als de verzekeraar het risico wel had willen verzekeren, maar tegen een hogere premie of met een lagere uitkering.

Wanneer de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten, dan heeft de verzekerde geen recht op uitkering (art. 7:930 lid 4 B.W.). Het gaat dus – net als bij het recht van de verzekeraar om opzegging bij ontdekken van verzwijging van relevante feiten voordat er schade geclaimd wordt – om de vraag of de verzekeraar, de verzekering zou zijn aangegaan als hij deze feiten gekend had.

In het arrest van de Hoge Raad d.d. 19 mei 1978 (NJ 1978/607 Hotel Wilhelmina), wordt dit uitgangspunt reeds voor het oude recht verwoord: wanneer een verzekerde een omstandigheid niet heeft vermeld bij aangaan van de verzekering, dan kan de verzekeraar alleen dan de overeenkomst vernietigen c.q. is hij niet tot uitkering gehouden, indien een redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten.

In het het arrest van de Hoge Raad 5 oktober 2018 (a.o. verzekering elektromonteur Delta Lloyd) verwijst de Hoge Raad naar dit arrest en beslist dat de verzekeraar zich alleen op die regel kan beroepen, wanneer de verzekerde kon weten dat de verzwegen informatie ertoe zou leiden dat de verzekeraar de verzekering niet zou aangaan. De verzekeraar heeft de verzekering derhalve ten onrechte opgezegd en de reeds uitgekeerde bedragen ten onrechte teruggevorderd.

Wanneer de verzekeraar een afwijkend acceptatiebeleid voert, dat de verzekerde niet zonder meer kan verwachten, dan kan de verzekeraar zich niet op de nietigheid van de polis beroepen als de verzekerde dit afwijkende acceptatiebeleid niet kende (of kon kennen).

Melding fraude bij registers

Wanneer de verzekering wordt geroyeerd wegens fraude door de verzekeringnemer, dan kan de verzekeraar dit bij een aantal instanties melden. Daardoor kan het lastig worden voor de verzekerde nog een (normale) verzekering af te sluiten. In arrest Hof Den Haag 10 april 2018 (Homar Personeelsdiensten/Aegon Schadeverzekering) had Aegon een dergelijke melding gedaan, bij het Extern Verwijzingsregister en het Incidentenregister. De verzekerde vorderde (met succes) doorhaling.

Lees de overwegingen van Hof Den Haag 10 april 2018 (Homar Personeelsdiensten/Aegon schadeverzekering)

Het Hof overweegt (r.o. 27):

“Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI) vereist voor registratie in het Extern Verwijzingsregister – de gedragingen van Homar en/of de directeur een bedreiging vormden, vormen of kunnen vormen voor de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector. Aegon is derhalve gehouden de registratie in het Externe Verwijzingsregister ongedaan te maken. Daarvoor is immers een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van fraude vereist (HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720), waarvan naar het oordeel van het hof onvoldoende is gebleken.”

Daarnaast had Aegon een melding gedaan in het Incidentenregister van de verzekeraars. Ook die moest Aegon ongedaan maken. Het Hof overweegt:

“30. Voor vastlegging in het Incidentenregister is op grond van art. 3.1.1 PIFI inderdaad vereist dat sprake is van een ‘(mogelijk) incident’ als omschreven in het PIFI. Maar verder is op grond van art. 3.1.1 PIFI ook vereist dat de registratie geschiedt ten behoeve van het in artikel 4.1.1 PIFI genoemde doel. Indien niet langer aan de voorwaarden van art. 3.1.1 PIFI wordt voldaan, dient Aegon op grond van art. 4.3.1 PIFI zorg te dragen voor verwijdering van de gegevens. Deze laatste bepaling stemt overeen met het in artikel 36 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geformuleerde recht op verwijdering van persoonsgegevens die niet – of niet langer – ter zake dienend zijn.

31. Met betrekking tot het doel van het Incidentenregister volgt uit art. 4.1.1 PIFI dat dit gelegen is in ‘het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem’ – in artikel 2 PIFI omschreven als het ‘Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen dat bestaat uit de Incidentenregisters van de Deelnemers en de Brancheverenigingen en een Extern Verwijzingsregister’. Meer in het bijzonder vloeit uit art. 4.1.1 PIFI voort dat het doel is gericht op – voor zover hier van belang – het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, waaronder mede het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot (pogingen tot) strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche, de groep waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf alsmede haar cliënten en medewerkers.

32. In een geval als het onderhavige, waar registratie geschiedt van een incident waarbij het gaat om een mogelijke (poging tot) een strafbare gedraging als fraude (oplichting en/of bedrog), zijn de geregistreerde gegevens niet langer ter zake dienend zodra (op grond van verricht onderzoek of anderszins) duidelijk is geworden dat de voorhanden gegevens niet van dien aard zijn dat zij redelijkerwijs een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld rechtvaardigen (vgl. HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720). In dat geval kan immers niet (langer) worden gezegd dat registratie kan bijdragen aan het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van strafbare gedragingen, of dat registratie anderszins nog kan bijdragen aan de omschreven doelen. Het handhaven van incidenten, ongeacht of nog is voldaan aan de in het PIFI omschreven doelbeperking, verdraagt zich niet met art. 4.3.1 PIFI en art. 36 Wbp en is derhalve niet toegestaan. Dit strookt overigens ook met de genoemde beslissing van de Hoge Raad van 29 mei 2009, dat de voor rechtmatige verwerking van strafrechtelijke gegevens gestelde eis dat die gegevens in voldoende mate vaststaan gold voor verwerking in ‘de registers’ – waarbij het niet slechts ging om het EVR maar ook om het Incidentenregister alsmede een (toen nog gekoppeld) intern verwijzingsregister.”

Verzekeraar geeft polis af

De verzekeraar is verplicht na totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst een schriftelijke akte af. Dit heet een polis (art. 7:932 lid 1 BW). Deze verplichting geldt ook in geval van wijzigingen (art. 7:932 lid 2 BW). De polis kwalificeert bewijstechnisch als een onderhandse akte. Dat betekent, dat de polis tussen partijen dwingende bewijskracht heeft, waartegen tegenbewijs geleverd kan worden. Zie in dit verband Hof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2019 (Waardyepolis). ASR had wijzigingsverzoeken van de verzekerde doorgevoerd en de polis aangepast. Vervolgens beriep ASR zich erop dat de wijzigingen niet overeenkomstig de polisvoorwaarden hadden plaatsgevonden. Dat klopt, maar omdat ASR een polis had afgegeven en de verzekerde te goeder trouw was, moest ASR de polis in die vorm gestand doen.

In bovengenoemd arrest Homar/Aegon verwijst het Hof ook naar de Parlementaire Geschiedenis over dit artikel.

Lees meer over Parl. Geschiedenis bij art. 7:932 B.W.

Het hiervoor genoemde arrest Hof Den Haag 10 april 2018 (Homar Personeelsdiensten/Aegon Schadeverzekering) (r.o. 14) werpt licht op hetgeen bij de totstandkoming van deze bepaling is besproken:

“Bij de parlementaire behandeling van deze bepaling heeft de regering ter toelichting op deze bepaling opgemerkt dat onder polis ook is begrepen een akte waarin de overeenkomst niet volledig is omschreven, maar die naar een ‘bijbehorend’ document verwijst (Parl. Gesch. Verzekering, p. 43). In de Eerste Kamer heeft de minister vervolgens nader opgemerkt dat de verplichting tot het verstrekken van een polis steeds ook ziet op de algemene voorwaarden en dat beschikbaarstelling via een internetsite niet afdoet aan de verplichting om bij de afgifte van de polis ook de algemene voorwaarden te verstrekken (Parl. Gesch. Verzekering, p. 47). Deze verstrekking kan de verzekeraar – zo volgt uit art. 156a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – slechts met uitdrukkelijke instemming van de verzekeringnemer langs elektronische weg doen. Met dit een en ander valt bezwaarlijk een werkwijze te rijmen waarbij in de polis voor kennisneming van de algemene voorwaarden wordt volstaan met een verwijzing naar een website.”

Zonder toestemming van de verzekeringnemer kan bij de toezending voor wat betreft bvb. algemene voorwaarden door de verzekeraar niet worden volstaan met verwijzing naar haar website.

Elektronische handtekening

Wordt de polis niet schriftelijk verstrekt maar “op andere wijze” zoals bedoeld in art. 156a lid 1 Rv. (oftewel digitaal), dan moet deze zijn voorzien van een elektronische handtekening als bedoeld in Verordening EU 910/2014 (zie ook de pagina Elektronisch rechtsverkeer).

Art. 156a lid 1 Rv. (zie ook de pagina Akten en vonnissen) bepaalt:

“Onderhandse akten kunnen op een andere wijze dan bij geschrift worden opgemaakt op zodanige wijze dat het degene ten behoeve van wie de akte bewijs oplevert, in staat stelt om de inhoud van de akte op te slaan op een wijze die deze inhoud toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de akte bestemd is te dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de inhoud van de akte mogelijk maakt.”

Het verstrekken van een onderhandse akte anders dan bij geschrift vereist de instemming van de wederpartij (art. 156a lid 2 Rv.). Dit tenzij de akte ook door de wederpartij is ondertekend.

Uitzondering: geen afgifte polis vereist

De verzekeraar is niet verplicht een polis af te geven indien de aard van de overeenkomst afwijkend gebruik rechtvaardigt en de verzekeringnemer bij afgifte van de polis geen belang heeft (laatste volzin lid 1). Deze bepaling geldt ook voor een nieuw (gewijzigd of vervangend) bewijsstuk.

Verlies van de polis

Is de polis verloren gegaan (of kwijt), dan geeft de verzekeraar een nieuwe polis af. Daarbij kan wel een vergoeding voor de kosten gevraagd worden.

Verlies polis bij order of toonderpolis of bij verzekering van via documenten verhandelde zaken

Wanneer de polis aan order of toonder luidt, kan de verzekeraar als voorwaarde voor het doen van een uitkering aan de houder van een nieuw bewijsstuk verlangen, dat hem door de houder gedurende de tijd dat de verzekeraar tot betaling kan worden gedwongen, zekerheid wordt gesteld (art. 7:932 lid 3 BW).

Deze bepaling geldt ook bij een verzekering van zaken die door middel van documenten plegen te worden verhandeld (zakenrechtelijke papieren waarbij de overdracht plaatsvindt door middel van overdracht van de documenten). Dit is gebruikelijk bij internationale handel, met name bij zeevervoer.

Alle mededelingen van de verzekeraar geschieden schriftelijk

Alle mededelingen, waartoe de verzekeraar op grond van de wettelijke regels inzake verzekering of op grond van de polis verplicht is, moeten schriftelijk gedaan worden (art. 7:933 lid 1 BW). De verzekeraar mag daarbij uitgaan van de laatst bij haar bekende woonplaats. Het is dus belangrijk adreswijzigingen aan de verzekeraar onmiddellijk door te geven.

In de zaak leidend tot het arrest Hof Den Haag 25 juli 2017 (opstalverzekerde/Nationale Nederlanden) kwam de vraag aan de orde, of toezending van een mededeling (te weten beëindiging van de polis op verzoek van de verzekerde) ook aan de tussenpersoon verstuurd mocht worden. Het Hof oordeelde dat toezending aan de tussenpersoon van een dergelijke belangrijke mededeling niet alleen aan de tussenpersoon mocht worden gezonden.

Het belang van het informeren van de verzekerde zelf over een eventuele achterstand en een dreigende schorsing van de dekking of korting op een uitkering blijkt ook uit de hierna vermelde uitspraak van rechtbank Gelderland. Als door achterstand in de premieafdracht door de werkgever voor een collectieve pensioenregeling de aanspraken op korting op de pensioenopbouw dreigt, dan kan de werknemer dankzij die mededeling de werkgever hierop aanspreken.

Lees de overweging van Hof Den Haag 25 juli 2017 (opstalverzekerde/NN)

In deze casus wilde de verzekeringnemer opzeggen per 1 juli 2014 maar was door de tussenpersoon opgezegd per 1 juli 2013. Het appartement was vanaf 1 juli 2014 verzekerd bij een andere verzekeraar. Op 6 mei 2014 brandde het appartement volledig af.

Het Hof overweegt in r.o. 2.9:

“Een verzekeraar is verplicht een beëindigingsmededeling, ook als deze niet als wijziging van de verzekeringsovereenkomst kan worden beschouwd, ingevolge artikel 7:933 lid 1 BW rechtstreeks schriftelijk aan de (laatst bekende woonplaats van de) verzekeringnemer te sturen. Dat de “geadresseerde” als bedoeld in voormeld artikellid blijkens de parlementaire geschiedenis naast de verzekeringnemer ook de tot uitkering gerechtigde of de zelfstandige tussenpersoon kan zijn, betekent nog niet dat mededelingen die bestemd zijn voor een verzekeringnemer ook (slechts) aan zijn tussenpersoon mogen worden gezonden. Een dergelijke, door Nationale-Nederlanden verdedigde, uitleg van artikel 7:933 BW is in strijd met de in diezelfde parlementaire geschiedenis genoemde strekking tot bescherming van de geadresseerde, die uit een oogpunt van zekerheid belang heeft bij schriftelijke mededelingen (aan zijn woonplaats) (Kamerstukken 19529, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 14). Zie in dit verband ook de opvattingen in de literatuur (F.H.J. Mijnssen, Monografieën BW, nr. B88, Verzekering, 2012, par. 9.5.; M.L. Hendrikse, H.P.A.J. Martius & J.G.J. Rinkes, Verzekeringsrecht, 2015, par. 7.3.2; H. Wansink en N. Van Tiggele-Van der Velde, Asser 7-IX* Verzekeringsrecht, 2012, nr. 73), alsmede (voor het oude verzekeringsrecht) de in die literatuur genoemde uitspraken van de Raad van Toezicht.”

Mededeling langs elektronische weg

De verzekeraar mag in plaats daarvan ook per email (of anderszins langs elektronische weg) mededelingen doen (art. 7:933 lid 2 BW). Daarbij dient de verzekeraar zich te houden aan het Besluit mededelingen inzake de verzekeringsovereenkomst. In dat besluit is conform art. 7:933 lid 2 B.W. ook voorzien dat de verzekeringnemer mededelingen langs elektronische weg kan doen (art. 2 Besluit mededelingen verzekeringsovereenkomst).

Daaronder ingevolge art. 3 Besluit mededelingen verzekeringsovereenkomst ook opzegging van de verzekering op grond van art. 7:940 lid 6 BW.

Art. 7:933 lid 3 BW geeft een procedureregel voor de totstandkoming van AmvB’s uit hoofde van dit wetsartikel.

Beëindiging of schorsing dekking wegens niet betaling vervolgpremie

Wanneer de verzekering wordt verlengd na het einde van de looptijd moet de verzekerde bij verlenging de vervolgpremie betalen. De vervolgpremie is de tegenhanger van de aanvangspremie. Logischerwijs kan de verzekeraar de verzekering schorsen of beëindigen als er niet wordt betaald. Daardoor vervalt de dekking. Dat kan verregaande gevolgen hebben.

Daarom bepaalt art. 7:934 B.W. dat de verzekeraar de polis pas mag beëindigen – of schorsen – nadat de verzekerde deugdelijk is aangemaand binnen een termijn van 14 dagen te betalen. In die sommatie moet ook duidelijk vermeld worden, dat non-betaling ook het einde van de dekking tot gevolg heeft. Deze bepaling is van dwingend recht voor consumenten en is onderdeel van de zorgplicht van de verzekeraar, in het verlengde van de Wet Financieel Toezicht. In zijn conclusie van 15 maart 2013 gaat de P-G nader in op de relevante bepalingen van de Wet Financieel Toezicht.

Lees overweging in de conclusie P-G van 15 maart 2013

In overweging 2.5.2 van zijn conclusie d.d. 15 maart 2013 zegt de P-G hierover:

“Met name ingevolge de op 1 januari 2007 van kracht geworden Wet financieel toezicht (Wft) is de door financiële ondernemingen/dienstverleners te betrachten zorg voor de belangen van hun cliënten vanuit de hoek van publiekrechtelijke toezicht nader uitgewerkt. Het financiële toezicht is blijkens artikel 1:25 lid 1 Wft gericht op ‘zorgvuldige behandeling van cliënten’ door financiële dienstverleners, waartoe ook verzekeraars zijn te rekenen.
In afdeling 4.2.3 van die wet, met name de artikelen 4:19 t/m 4:25, en in op die wet stoelende uitvoeringsregelingen zoals het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen (Bgfo) zijn bepalingen inzake zorgvuldige dienstverlening door financiële ondernemingen opgenomen.”

In de zaak over opschorting van de dekking wegens betalingsachterstand in Voorzieningenrechter Rb. Alkmaar 7 oktober 2010 (kledingzaak/ASR Schadeverzekering) overweegt de rechtbank dat de verzekeraar niet hoeft aan te schrijven, als in de voorwaarden staat dat de dekking vervalt als er 30 dagen verstreken zijn na de vervaldatum. De rechtbank verwijst naar een soortgelijke beslissing van hof Amsterdam van 23 september 2008 (LJN: BG8021). Doordat het hier geen consument betreft kan worden volstaan met een beding in de polisvoorwaarden.

Wanneer de verzekeraar uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten (als bedoeld in art. 6:83 aanhef en sub c B.W.) is deze aanmaning niet vereist.

Eigen verantwoordelijkheid verzekerde

Dit betekent niet, dat de verzekerde geen eigen verantwoordelijkheid heeft om op te letten, dat de premie tijdig wordt betaald, ook niet wanneer die normaal gesproken automatisch geïncasseerd wordt. In de conclusie van de P-G bij de zaak leidend tot het arrest van de Hoge Raad d.d. 29 oktober 2010 (a.o. verzekering/MOVIR) wijst de P-G hier nog eens uitdrukkelijk op.

Lees P-G bij HR 29 oktober 2010

De P-G zegt hierover in diens conclusie, dat wanneer MOVIR zich op het standpunt gesteld had, dat er gedurende die periode geen dekking was, dit zou afstuiten op art. 6;248 B.W. omdat het niet innen te wijten was aan de verzekeraar en niet de verzekerde. In die casus gold art. 7:934 B.W. nog niet. Omgekeerd ontsloeg een en ander de verzekerde niet van het betalen van de premie. MOVIR inde ineens ruim EUR 7.000 bij de verzekerde. Dit was in principe een tekortkoming die ontbinding zou rechtvaardigen, maar omdat het verder zonder gevolg was gebleven vond het Hof de tekortkoming te gering om de verzekerde het recht te geven te ontbinden. Omdat de dekking dus niet was geschorst en de polis niet was beëindigd, moest de premie wel alsnog betaald worden.

Wanneer de premie niet betaald is, en de verzekeraar de verzekerde deugdelijk heeft aangeschreven, dat als gevolg daarvan de dekking is komen te vervallen, dan kan dit niet licht beschouwd worden als in strijd met de redelijkheid en billijkheid, aldus Hof Den Haag 7 maart 2017 (Nationale Nederlanden/optiekwinkel) in r.o. 3.5. De verzekerde (tijdelijk onverzekerde) optiekwinkel – bij wie was ingebroken, schade EUR 99.000 – komt echter met de schrik vrij, omdat NN per abuis had meegedeeld dat de geclaimde schade vergoed zou worden. Nationale Nederlanden moet bij wege van schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht alsnog de schade minus het eigen risico betalen (r.o. 3.9). De zorgplicht brengt voor de verzekeraar dus een vèrstrekkende verantwoordelijkheid met zich mee.

Verrekening achterstand met schade-uitkering

De verzekeraar mag een uitkering onder de verzekering verrekenen met een betalingsachterstand in de premie en met daaraan verbonden kosten (art. 7:935 lid 1 B.W.). Dit beperkt zich tot de verzekering waarvoor de uitkering verschuldigd is. De bepaling geldt niet voor order- of toonderpolissen. Lid 2 geeft een specifieke bepaling voor aansprakelijkheidspolissen.

In het bovengenoemde vonnis Voorzieningenrechter Rb. Alkmaar 7 oktober 2010 (kledingzaak/ASR Schadeverzekering) overweegt de rechtbank ook, dat de verzekeraar niet verplicht is te verrekenen. De casus was erg zuur voor de kledingzaak, omdat de premie wel automatisch voldaan was voor de brand op 12 april, maar de premies voor maart en april door de bank gestorneerd werden juist omdat er brand was geweest en er onvoldoende inkomsten op de bankrekening binnenkwamen. De verzekerde had vervolgens opnieuw zelf moeten zorgen dat er alsnog binnen 30 dagen betaald werd conform de premievoorwaarden (aanzegging was volgens die voorwaarden niet nodig, zie boven). De Voorzieningenrechter komt echter bij afweging van de belangen tot de beslissing, dat ASR Schadeverzekering – ondanks een mogelijk restitutierisico – moet uitkeren, omdat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is als ASR op het geld blijft zitten en de kledingzaak daardoor mogelijk failliet gaat. De rechtbank acht het aannemelijk, dat de stornering juist werd veroorzaakt door de (gevolgen van de) brand.

Geen korting pensioenuitkering wegens betalingsachterstand premie

In Rb. Gelderland 28 oktober 2015 (werknemer/Achmea Pensioenverzekering) komt aan de orde, dat art. 7:935 lid 1 B.W. niet geldt bij pensioenverzekering, blijkens art. 5 Pensioenwet (voorheen art. 36 PSW). De pensioenverzekeraar mag een pensioenuitkering niet korten wegens een achterstand in de premieafdracht door de werkgever. In deze uitspraak komt de Parlementaire geschiedenis aan de orde.

Lees de geciteerde Parlementaire geschiedenis

De Minister merkte bij de totstandkoming van art. 36 PSW op:

een eenmaal ingegaan pensioen, dat wil zeggen een pensioenrecht, kan door een verzekeraar niet worden verminderd in verband met premieachterstand. Daarom is in de memorie van toelichting aangegeven dat geen sprake kan zijn van verrekening met uitkeringen“.

En verder blijkt – kenbaar uit deze uitspraak van Rb. Gelderland – uit de Parlementaire geschiedenis van de pensioenwet:

“In de kamerstukken bij de parlementaire behandeling van (thans) artikel 29 Pensioenwet is te lezen : “Uiteraard is het ook niet toegestaan dat premieachterstand zou kunnen leiden tot korting van de reeds ingegane pensioenen van andere pensioengerechtigden die in hetzelfde collectieve contract zijn verzekerd. [Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, p. 196-197 (MvT)]”

en voorts:

“Zoals in de memorie van toelichting (…) is uiteengezet wordt in dit wetsvoorstel niet getornd aan het vigerende uitgangspunt, dat verzekeraars niet kunnen worden gehouden de pensioenopbouw te continueren, indien de werkgever nalatig is met premiebetaling. (…) Met de in het wetsvoorstel opgenomen informatieplicht voor verzekeraars wordt de positie van de deelnemer onder meer verbeterd in die zin dat hij weet dat de verzekering — een maand na de melding — stopgezet zal worden. Vervolgens is de vraag wat de betrokkenen met die wetenschap kunnen doen. Allereerst kunnen zij zelf hun werkgever aanspreken op het feit dat er premieachterstand is en hem aansprakelijk stellen voor de eventuele schade die hieruit voortvloeit. Voorts kunnen zij, indien zij dat willen, zelf een particuliere verzekering afsluiten.” [Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 17, p. 38-40 (NV II)]”.

De pensioenverzekeraar kan dus wel de pensioenopbouw korten. Hiervan moeten de werknemers in kennis gesteld worden. Die kunnen dan weer actie ondernemen tegen de werkgever.

Betaling premie via tussenpersoon

Het kan ook zijn, dat de betaling van de premie via de tussenpersoon van de verzekerde verloopt (art. 7:936 lid 1 B.W.). Dat is handig, omdat het risico dat de premie per ongeluk niet betaald wordt, kleiner is. De tussenpersoon houdt namelijk een rekening-courant aan bij de verzekeraar (dit wordt wel delcredere-rekening genoemd, hoewel dit specifiek een bepaling in de verhouding van de handelsagentuur is, zie art. 7:429 B.W.). Bij delcredere sluit de handelsagent overeenkomsten namens de opdrachtgever. Het delcredere tegoed kan bij de handelsagent niet meer bedragen dan de te vorderen provisie.

De tussenpersoon verkrijgt in deze situatie een vordering voor de vordering voor premies en kosten op de verzekerde. De tussenpersoon draagt zodoende het incassorisico. De dekking is dan steeds gewaarborgd, zo lang de tussenpersoon niet failliet gaat.

Verrekening uitkering met openstaande premie en kosten

Wanneer er een aanspraak op een uitkering onder de verzekering ontstaat, terwijl de tussenpersoon nog een vordering heeft open staan, dan moet de verzekeraar een deel daarvan aan de tussenpersoon betalen ter delging van diens vordering op de verzekerde (lid 2). Hiertoe vraagt de verzekeraar aan de tussenpersoon om binnen 10 dagen op te geven, wat hij te vorderen heeft (lid 3). Na opgaaf (of na verzuim van opgaaf) kan de verzekeraar aan de gerechtigde uitkeren. Dit kan ook een ander dan de verzekerde zelf zijn.

Geen verrekening openstaande premie en kosten met uitkering

Deze bepaling lijdt blijkens lid 4 uitzondering bij (i) verzekeringen aan order of toonder en (ii) bij wettelijke aansprakelijkheidsverzekeringen. Dat laatste is logisch, anders zou bvb. een verkeersslachtoffer minder uitkering krijgen bij een uitkering ingevolge de WAM-dekking als de verzekerde zijn premies niet betaald heeft. In lid 5 aanhef en sub b worden daar uitkeringen uit hoofde van een vrijwillige aansprakelijkheidsverzekering aan toegevoegd.

In lid 5 aanhef en sub a wordt ook een uitzondering gemaakt voor het geval de schade-uitkering betrekking heeft op een verpande zaak, en de pandhouder krachtens art. 3:229 B.W. pandrecht heeft op de schade-uitkering als vervanging van de beschadigde of verloren gegane zaak.

Verrekeningsbevoegdheid tussenpersoon

Ontvangt de tussenpersoon de schade-uitkering, dan mag hij de onbetaalde premies en kosten verrekenen met het aan de tot de uitkering gerechtigde af te dragen bedrag. Dat kan de verzekerde zelf zijn, maar ook bvb. een begunstigde.

Deze wettelijke verrekeningsbevoegdheid van de tussenpersoon is dus een verbijzondering (lex specialis) die gaat boven de algemene regeling van de bevoegdheid tot verrekening. Zie de pagina Verrekening.

Betaling uitkering aan tussenpersoon kwijt verzekeraar

Wanneer de verzekeraar aan de tussenpersoon betaalt, dan is de verzekeraar gekweten als de uitkering door deze is voldaan aan de tot uitkering gerechtigde (art. 7:937 B.W.). Maar ook, als de tot uitkering gerechtigde door de betaling is gebaat. Dat is bvb. het geval als de tot uitkering gerechtigde de verzekerde is en de uitkering (deels) is verrekend met premie die deze nog aan de tussenpersoon moest betalen.

Geen premie zonder risico

Wanneer de verzekeraar geen enkel risico heeft gelopen, dan is geen premie verschuldigd (art. 7:938 lid 1 B.W.). Indien over een vol jaar geen risico is gelopen, moet de verzekeringnemer wel de kosten van de verzekering aan de verzekeraar vergoeden. Deze bepaling lijdt uitzondering wanneer er sprake is van opzettelijke misleiding (als bedoeld in art. 7:928 lid 2 en 3 B.W.) en de polis daarom geen dekking biedt.

Zoals blijkt uit Hof Den Haag 14 augustus 2018 (A.O.-verzekering DGA Schoonmaakbedrijf/Nationale Nederlanden) (r.o. 28) betekent dit ook, dat wanneer de verzekering wegens misleidende informatie wordt beëindigd door de verzekeraar, premie die na de datum van beëindiging is betaald moet worden gerestitueerd.

Op 10 mei 2017 is een internetconsultatie afgesloten over een wetsvoorstel strekkende tot premierestitutie bij toepassing van art. 7:930 lid 4 BW in het geval dat de verzekeringnemer te goeder trouw de mededelingsplicht heeft geschonden, zie: https://www.internetconsultatie.nl/premierestitutie/details. Vgl. ook de geschillencommissie Kifid 23 april 2018, nr. 2018-265 onder 4.6, waarin wordt overwogen dat er geen wettelijke basis is voor een aanspraak op teruggave van onverdiende premie bij schending van de mededelingsplicht te goeder trouw, maar de verzekeraar in overweging wordt gegeven om het op de consument betrekking hebbende aandeel in de voor de verzekering betaalde koopsom te retourneren.

Opzegging na einde verzekeringsjaar zonder risico

Wanneer een vol jaar geen risico is gelopen, maar de verzekeringnemer de polis gedurende een maand na einde van dat jaar opzeggen (art. 7:938 lid 2 B.W.).

Restitutie naar rato als risico kwantitatief minder groot was

Is er naar rato (over een kleiner aantal zaken bvb.) een minder groot risico gelopen, dan geldt lid 1 naar rato (art. 7:938 lid 3 B.W.).

Premierestitutie bij tussentijdse opzegging

Wordt de polis tussentijds opgezegd, dan wordt de premie naar rato verminderd en volgt restitutie (art. 7:939 B.W.). Bvb. bij een MRB-verzekering als de auto wordt verkocht en daarmee het verzekerde object niet meer eigendom is van de verzekeringnemer. Dit geldt niet bij tussentijdse opzegging wegens schending van de mededelingsplicht bij aangaan van de polis.

Rechtspraak

Mededelingsplicht verzekerde en beroep op nietigheid

Hoge Raad 5 oktober 2018 (a.o. verzekering elektromonteur Delta Lloyd) – wanneer de verzekeraar een afwijkend acceptatiebeleid voert, dat de verzekerde niet zonder meer kan verwachten, dan kan de verzekeraar zich niet op de nietigheid van de polis beroepen als de verzekerde dit afwijkende acceptatiebeleid niet kende (of kon kennen).

Mededelingsplicht verzekerde; opzet verzekerde

HR 21 februari 2020 (ASR/verzekerde ao-polis) – aan de woorden ‘met het opzet de verzekeraar te misleiden’ in art. 7:941 lid 5 BW moet dezelfde betekenis worden toegekend als de betekenis die daaraan toekomt in het kader van art. 7:930 lid 5 BW. Uit de parlementaire geschiedenis bij art. 7:941 lid 5 BW blijkt niet dat de wetgever een andere invulling voor ogen heeft gehad.

Auteur & Last edit

[MdV, 8-10-2018; laatste bewerking 18-07-2020]

0 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.