LawyrupBurgerlijk wetboekVerbintenissenrecht (Boek 6 B.W.)Overeenkomsten in het algemeen (Titel 5, Boek 6 B.W.)Rechtsgevolgen van overeenkomsten (Afd. 4, Titel 5, Boek 6 B.W.)

Rechtsgevolgen van overeenkomsten (Afd. 4, Titel 5, Boek 6 B.W.)

Inleiding rechtsgevolgen overeenkomsten

Het verbintenissenrecht is geregeld in boek 6 B.W.. Daarbinnen maken de overeenkomsten een bijzonder onderdeel uit. Afd. 4 van Titel 5 gaat over “De rechtsgevolgen van overeenkomsten”.

De Afdeling omvat 13 artikelen (art. 6:248 B.W. t/m art. 6:260 B.W.). De afdeling begint met een centrale bepaling – die een uitwerking is van de jarenlange rechtsontwikkeling in de rechtspraak van het leerstuk van de “redelijkheid en de billijkheid” – is art. 6:248 B.W..

De “aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid” is verwoord in lid 1:

“Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien”.

De “derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid” is verwoord in lid 2:

“Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn”.

Op deze laatste bepaling wordt vaak een beroep gedaan om onder verplichtingen uit te komen. Maar dat is niet de bedoeling: de derogerende werking is alleen bedoeld om onder een evident onbillijk gevolg van een overeenkomst uit te komen. Deze regel is voortgekomen uit de rechtsontwikkeling in de arresten van de Hoge Raad sinds begin 20e eeuw.

Uitleg van de rechtsgevolgen van overeenkomsten

Welke rechten en verplichtingen de contractspartijen aan een overeenkomst ontlenen – en daarmee dus welke rechtsgevolgen de overeenkomst heeft – wordt dus bepaald door de volgende factoren:

(i) wat partijen hebben afgesproken, en dan vooral wat er – als de overeenkomst op schrift gesteld is – uit de tekst van de overeenkomst blijkt of anders uit wat partijen over en weer kunnen bewijzen over wat is afgesproken;

(ii) de aard van de overeenkomst: de wet kent een aantal benoemde contracten, die mede van invloed zijn op de rechtsgevolgen van de overeenkomst, als deze als een benoemd contract kwalificeert;

(iii) de redelijkheid en billijkheid.

Bij de uitleg van overeenkomsten staan de rechter diverse maatstaven ter beschikking om vast te stellen wat er precies is afgesproken. Niet alleen aan de hand van de letterlijke tekst, maar ook aan de hand van de bedoeling van partijen en verdere omstandigheden die een rol spelen bij die beoordeling. Daarbij wordt onderscheiden in de Haviltex-maatstaf en de CAO-norm.

Het Haviltex criterium

Een arrest dat als een standaardarrest heeft te gelden wanneer het gaat om de vaststelling van de rechtsgevolgen van overeenkomsten – en dan met name de vaststelling wat partijen zijn overeengekomen – is het Haviltex-arrest. Vanwege het grote belang van dit arrest voor de rechtspraktijk – nagenoeg elke rechter citeert het Haviltex-criterium in vonnissen waarbij het geschil draait over de uitleg van overeenkomsten – is dit arrest inmiddels ook gepubliceerd: HR 13 maart 1981 (Ermes/Haviltex).

Deze maatstaf houdt in, dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het ook aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

Deze maatstaf past in de achtergrond van de algemene verbintenisrechtelijke bepalingen over wil en verklaring, wilsovereenstemming en wilsgebreken in Titel 2, Boek 3 B.W. (zie de pagina Rechtshandelingen).

En uiteraard zijn – zoals in nagenoeg elk arrest van de Hoge Raad terugkeert – alle omstandigheden van het geval van belang. De partijbedoeling kan daarbij niet alleen blijken uit wat partijen op schrift gesteld hebben, of tegen elkaar hebben verklaard. Ook de wijze waarop partijen vervolgens uitvoering aan de overeenkomst gegeven hebben kan mede bepalend zijn bij het bepalen van de partijbedoeling en daarmee de rechtsgevolgen van de overeenkomst.

In het arrest HR 4 april 2013 (Lundiform/Mexx) heeft de Hoge Raad dit nog eens benadrukt. Het Hof had aan de letterlijke tekst van de overeenkomst een zwaar gewicht toegekend, omdat het een overeenkomst betrof die was aangegaan tussen twee bedrijven. Het Hof overwoog:

“Uitgangspunt moet zijn dat het om een commerciële overeenkomst gaat, gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen. Onder deze omstandigheden komt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen grote betekenis toe.”

Daarmee had het Hof dus – in de geest van het Haviltex-criterium gewicht toegekend aan “de maatschappelijke kringen waartoe partijen behoren en de rechtskennis die hen kan worden toegekend”. Het Hof was daarom – zonder toereikende motivatie – voorbijgegaan aan stellingen van Lundiform omtrent bepaalde omstandigheden (nl. toezeggingen die bij aangaan van de overeenkomst door Mexx gedaan waren), op grond waarvan aan de overeenkomst volgens haar (ook) andere rechtsgevolgen had dan uitsluitend in de letterlijke tekst ontleend kon worden. moest worden toegekend. Het Hof hechtte daarbij ook belang aan het feit dat de overeenkomst een “entire agreement” clausule bevatte. De Hoge Raad oordeelde, dat het Hof hiermee onvoldoende had meegewogen, dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn bij de uitleg van de overeenkomst, en er – ook in een geval als dit – niet mag worden voorbijgezien aan door een partij aangevoerde relevante feiten en omstandigheden.

Lees de overwegingen van HR 5 april 2013 (Lundiform/Mexx)

De Hoge Raad casseert, overwegende (r.o. 3.43):

“Mocht het hof hebben geoordeeld dat deze stellingen onvoldoende relevant zijn omdat in het onderhavige geval, ongeacht de juistheid van dit betoog, aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen doorslaggevende betekenis toekomt, dan geeft dat blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Indien het hof dat niet heeft miskend, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd door stilzwijgend aan genoemde stellingen van Lundiform voorbij te gaan.”

Het Hof heeft volgens de Hoge Raad daarmee tevens ten onrechte het bewijsaanbod van Lundiform gepasseerd (r.o. 3.4.4):

“De genoemde vrijheid om als uitgangspunt groot gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van de overeenkomst, stelt de rechter in staat om, vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van partijen, te komen tot een voorshands gegeven oordeel aangaande de uitleg van de overeenkomst. Vervolgens zal de rechter evenwel dienen te beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot bewijs dan wel tegenbewijs te worden toegelaten. Indien dit laatste het geval is, is de rechter gehouden deze partij in de gelegenheid te stellen dit (tegen)bewijs te leveren (vgl. HR 19 januari 2007, LJN AZ3178, NJ 2007/575, en HR 29 juni 2007, LJN BA4909, NJ 2007/576).

Uit hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen, volgt dat Lundiform feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, de door haar verdedigde uitleg van de overeenkomst kunnen dragen. Voorts heeft het hof in rov. 3.18 vastgesteld dat Lundiform bewijs van haar stellingen heeft aangeboden. Op grond van een en ander had het hof Lundiform dan ook tot bewijs van de door haar verdedigde uitleg van de overeenkomst moeten toelaten.”

En voorts over de entire agreement clausule (r.o. 3.5.3):

Opmerking verdient dat een “entire agreement clause” een relevante omstandigheid kan zijn bij de uitleg van een overeenkomst waarvan deze clausule deel uitmaakt (vgl. HR 19 januari 2007, LJN AZ3178, NJ 2007/575). Welke betekenis aan een dergelijke clausule toekomt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de bewoordingen van de clausule, de aard, de inhoud, de strekking en de mate van gedetailleerdheid van de overeenkomst waarvan de clausule deel uitmaakt, en de wijze waarop de clausule tijdens de onderhandelingen ter sprake is gekomen en onderdeel van de overeenkomst is geworden.

Daarbij zij aangetekend dat een “entire agreement clause” op zichzelf geen uitlegbepaling is. De clausule heeft een specifieke herkomst en functie in de Anglo-Amerikaanse rechtssfeer, en heeft naar Nederlands recht niet zonder meer een bijzondere betekenis.

Zij beoogt veelal te bewerkstelligen dat partijen niet zijn gebonden aan eerdere op de overeenkomst betrekking hebbende afspraken die daarmee in strijd zijn, indien die afspraken niet in de overeenkomst zijn opgenomen en de overeenkomst evenmin daarnaar verwijst. De clausule staat evenwel niet zonder meer eraan in de weg dat voor de uitleg van de in de overeenkomst vervatte bepalingen betekenis wordt toegekend aan verklaringen die zijn afgelegd dan wel gedragingen die zijn verricht, in het stadium voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.”

De Haviltex-maatstaf geldt ook bij mondelinge overeenkomsten, zo heeft de Hoge Raad onder meer beslist in HR 4 september 2009 (Voor Gezonde Konkurrentie). De Hoge Raad overweegt in dit arrest (r.o. 3.4.2):

“Naar het middel met juistheid betoogt, komt het ook bij de uitleg van een mondelinge overeenkomst aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de door hen gebezigde bewoordingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.”

CAO-norm

Naast de hiervoor besproken Haviltex-maatstaf kan volgens de Hoge Raad ook de CAO-norm gelden. CAO is de afkorting voor Collectieve Arbeidsovereenkomst. Dat is een overeenkomst die tussen vakbonden en werkgeversorganisaties wordt gesloten, en die geldt voor een grote groep werknemers, die echter zelf geen deel hadden aan de totstandkoming daarvan. Een CAO kan door algemeen verbindendverklaring een nog ruimere werking krijgen. Zie nader de pagina Algemene bepalingen arbeidsovereenkomst.

Kenmerkend voor een CAO is dus, dat die werking heeft voor een grotere groep partijen, die niet allemaal deel hebben gehad aan de totstandkoming van de afspraken. Daarom moeten bij de toetsing van een CAO of andere generieke afspraak, die tussen een beperkt aantal partijen is gesloten ten behoeve van een grote groep betrokkenen, andere maatstaven worden aangelegd.

In het arrest HR 25 november 2016 (FNV/Condor Constructions) gaat de Hoge Raad uitvoering op de CAO-norm in, onder vermelding van een keur aan jurisprudentie. Bij de uitleg van notariële akten kan een enigszins vergelijkbaar verschil in uitleg ten opzichte van het Haviltex-criterium worden onderkend, wanneer die akten ook werking hebben tegenover derden die niet bij het opstellen daarvan betrokken waren. Zie ook de pagina Akten en vonnissen.

De termen “maatstaf”, “norm” en “criterium” worden in deze context overigens door elkaar gebruikt. Zie ook het arrest Hof Amsterdam 17 september 2019 (Technical Service Engineer/Koning & Harman) zoals besproken op de pagina Algemene bepalingen arbeidsovereenkomst, en de conclusie van de P-G in cassatie in die zaak, die daar is vermeld.

Grenzen van de rechterlijke toetsing van de wet

De bevoegdheid van de rechter om de afspraken van partijen aan te passen of zelfs terzijde te stellen wordt begrensd door het verbod van toetsing van formele wetgeving en verdragen aan de Grondwet (art. 120 Grondwet). Op basis van de scheiding der machten (op basis van de zgn. “Trias politica” van Montesquieu) mag de rechter niet treden in de belangenafweging van de wetgever; hij mag deze niet ook nog eens zelf toetsen.

Formele wetgeving zijn wetten, die tot stand gekomen zijn op basis van besluitvorming door de centrale wetgever: regering en parlement. Voor lagere algemeen verbindende regels (zgn. materiële wetgeving) zoals AMvB’s  geldt dit verbod niet. De formele wet mag wel worden getoetst aan algemeen verbindende verdragsrechtelijke regels, omdat die van hogere orde zijn dan de formele wet.

In het arrest HR 8 mei 2018 (passagier/Allianz) doet de gelaedeerde een beroep op art. 6:248 B.W., stellende dat het wettelijk maximum aan de aansprakelijkheid van de vervoerder (art. 8:983 B.W.) in de binnenvaart onredelijk is. Het Hof komt daaraan maar deels tegemoet, door te oordelen dat het achterwege laten door de (materiële) wetgever van indexatie van de limiet wel onredelijk is. Daarmee krijgt de gelaedeerde 10% van zijn schade vergoed. De rest moet hij zelf dragen. De Hoge Raad verwerpt de klachten in cassatie. In dit arrest komen ook twee eerdere arresten van de Hoge Raad over deze materie aan de orde (Harmonisatiewet en Bosentan).

De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.8.1):

“In verband met het grondwettelijk toetsingsverbod van art. 120 Grondwet kan de rechter een dergelijke bepaling enkel toetsen aan een ieder verbindende bepalingen van internationaal recht zoals bedoeld in de art. 93 en 94 Grondwet. Toetsing van een dergelijke bepaling aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht is op grond van dat verbod uitgesloten. Dit laatste geldt ook indien die toetsing plaatsvindt in de sleutel van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding van partijen bij onder meer een overeenkomst beheersen (art. 6:2 en 6:248 BW). Slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven (HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725, NJ 1989/469 (Harmonisatiewet), rov. 3.1-3.6 en 3.9, en HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679, NJ 2015/344 (Bosentan), rov. 3.6.1 en 3.6.2).”

Het principe van het stellen van een limiet aan de hoogte van de vergoeding bij aansprakelijkheid kan worden getoetst aan art. 1 Eerste Protocol EVRM, maar de Hoge Raad merkt daarbij (onder verwijzing naar een eerder arrest) over op, dat de wetgever wel een ruime marge heeft bij de belangenafweging. De Hoge Raad:

“Wordt aangenomen dat het recht op volledige schadevergoeding in beginsel door art. 1 EP wordt gewaarborgd (hetgeen hiervoor in 3.6.4 in het midden is gelaten), dan moet de bepaling van art. 8:983 lid 1 BW voldoen aan de eis van een ‘fair balance’ die volgens de rechtspraak van het EHRM uit art. 1 EP voortvloeit. Die eis houdt in dat een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen (de nadelen van) de gebruikte middelen en het daarmee gediende doel. Het oordeel terzake is, indien het om wetgeving gaat, aan de wetgever, die daarbij in beginsel een ‘wide margin of appreciation’ toekomt. (HR 16 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5493, NJ 2002/469 (NVV c.s./Staat), rov. 6.2.2) Zoals uit het hiervoor in 3.5.1-3.5.7 overwogene blijkt, wordt het zowel internationaal als nationaal, om de hiervoor in 3.5.1 bedoelde redenen, in het algemeen belang geboden geacht dat de aansprakelijkheid van de vervoerder beperkt is of kan worden beperkt, ook in het geval van dood of letsel van de reiziger. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat de wetgever niet tot de bepaling van art. 8:983 lid 1 BW heeft kunnen komen.”

Omdat aansprakelijkheidslimieten in het vervoersrecht internationaal algemeen aanvaard zijn, mocht de wetgever dus wel een dergelijke limiet stellen.

Vervolgens rijst de vraag, of het Uitvoeringsbesluit waarmee de hoogte van de limiet is vastgesteld, de toets van redelijkheid kan doorstaan. Omdat dit materiële wetgeving is, kan die wel worden getoetst, maar de rechter moet daarbij wel terughoudend zijn.

De Hoge Raad zet de criteria voor toetsing van lagere regelgeving uiteen (r.o. 3.9.1.):

“De Besluiten van 11 maart 1991 en 24 november 2008 behelzen geen wetgeving in formele zin. Het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet is daarop niet van toepassing. Dergelijke wetgeving kan de rechter dan ook wel toetsen aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Bij die toetsing heeft de rechter echter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Voorts brengen zowel de aard van de wetgevende functie als de positie van de rechter in het Nederlandse staatsbestel mee dat hij ook overigens bij deze toetsing terughoudendheid moet betrachten (HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9354, NJ 1987/251 (Landbouwvliegers), rov. 6.1; zie voorts o.m. HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0146, NJ 2010/53, rov. 3.6). De rechter kan onder meer toetsen of de wetgever bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de betrokken regeling of regel heeft kunnen komen (art. 3:4 Awb, dat op grond van art. 3:1 lid 1, aanhef en onder a, Awb ook van toepassing is op algemeen verbindende voorschriften).

Een regel of regeling die geen wet in formele zin is, kan buiten toepassing worden gelaten op de grond dat een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is zowel in het geval (a) dat de uitkomst van de hiervoor in 3.9.1 genoemde toetsing is dat de wetgever niet tot die regeling of regel heeft kunnen komen, als (b) in het hiervoor in 3.8.1 bedoelde geval dat sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever (in dit geval dus de lagere wetgever).”

Met bovenstaande overwegingen geeft de Hoge Raad duidelijke criteria voor de beantwoording van de vraag, in hoeverre de rechter formele en materiële wetgeving wetten mag toetsen en wanneer dit de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat.

Enkele nadere bepalingen

De afdeling geeft enkele nadere bepalingen, zoals deze: de gevolgen van een overeenkomst gelden ook voor de rechtsopvolgenden onder algemene titel (art. 6:249 B.W.).

Regelend recht (uitgezonderd …)

De afdeling is van regelend recht (er kan dus contractueel van worden afgeweken), behalve de in art. 6:250 B.W. genoemde uitzonderingen.

Accessoire rechten

Art. 6:251 B.W. geeft een regeling voor accessoire (aan een bepaald goed verbonden) rechten. De wet bepaalt dat als het goed overgaat, daarmee ook het accessoire recht overgaat tenzij de verkrijger verklaart dat niet te willen. Art. 6:252 B.W. geeft een specifieke regeling van verbintenisrechtelijke accessoire rechten en plichten voor registergoederen. In art. 6:259 B.W. is nog een bepaling opgenomen met een verjaringsregeling inzake rechten op een registergoed, die met name bij Verenigingen van Eigenaren in de praktijk wordt toegepast. Zie rechtbank Noord-Nederland d.d. 25-10-2017 en rechtbank Rotterdam 8-11-2017.

Derdenbeding

Een overeenkomst kan ook een zgn. “derdenbeding” bevatten, waardoor een niet bij de overeenkomst betrokken derde een afdwingbaar recht aan de overeenkomst kan ontlenen  (art. 6:253 B.W.). Het beding moet door de derde worden aanvaard, om werking te krijgen. Tenzij het onherroepelijk en “om niet” is, en de derde het onverwijld heeft verworpen (lid 4). Zie verder art. 6:254 B.W. tot en met art. 6:256 B.W. over de werking van een derdenbeding.

Afgeleid verweermiddel ondergeschikte

In art. 6:257 B.W. wordt aan de ondergeschikte van een contractspartij dezelfde verweermiddelen gegund als die contractspartij heeft bedongen. Wanneer de ondergeschikte aansprakelijk is jegens de wederpartij.

Aanpassing of ontbinding van de overeenkomst wegens onvoorziene gevolgen

Een partij kan geheel of gedeeltelijk ontbinding van een overeenkomst vorderen, wanneer deze onvoorziene gevolgen heeft. Tenzij het risico daarvan voor zijn rekening komt (art. 6:258 B.W.). De aanpassing van de overeenkomst kan door de rechter ook met terugwerkende kracht worden uitgesproken. Deze regeling is uitgesloten voor aanpassing van de pachtprijs. Zie de pagina Pachtprijs. Ook voor aanpassing van de duur van de pachtovereenkomst is deze bepaling uitgesloten. Zie de pagina Duur van de pachtovereenkomst.

Dit verweermiddel kan niet eenvoudig worden ingeroepen. De rechter zal dit verzoek slechts bij hoge uitzondering honoreren.

Onder het oude recht gold, dat onvoorziene omstandigheden niet tot aanpassing konden leiden. Een voorbeeld daarvan is het Sarong arrest uit 1926, waarbij door een oorlogssituatie de nakoming – buiten schuld van de partij die moest nakomen – de nakoming onmogelijk was, en sindsdien de prijzen van sarongs enorm waren gestegen. Nadien is dit – ook in het recht voor invoering van het “nieuwe” B.W. in 1992 versoepeld, maar dit geldt nog wel als de uitzondering op de hoofdregel.

Zie het arrest van de Hoge Raad d.d. 16 januari 2004 inzake de Egyptische distributeur van Atlanta mappen. Niet kan worden aangenomen, dat een overeenkomst zonder meer niet meer geldt bij wijziging van de omstandigheden, ook niet in een uitzonderlijke situatie. Een gemeente kan dit dus niet inroepen om onder een projectontwikkeling uit te komen, omdat de politieke wens voor het uitvoeren daarvan is gewijzigd. De bepaling in de overeenkomst, waarmee de gemeente had getracht een dergelijke voorziening te maken, baatte niet (arrest Gemeente Bronckhorst HR d.d. 13 oktober 2017, RvdW 2017, 118).

In art. 6:260 B.W.  wordt een regeling gegeven voor de voorziening die de rechter kan geven op grond van art. 6:258 B.W. (de bepaling is gelet op digitaal procederen gewijzigd naar gelang de processuele regels).

Onvoorziene omstandigheden en de coronacrisis

De coronacrisis heeft ons opnieuw geplaatst voor een uitzonderlijke situatie die de hele samenleving raakt, met zeer vèrstrekkende gevolgen. Die zou je binnen het overeenkomstenrecht kunnen aanmerken als onvoorziene omstandigheden. Het kan ook gaan om een verbintenis uit een eenzijdige rechtshandeling.

Voordeel van wijziging wegens onvoorziene omstandigheden is, dat het niet tot een ontbinding van de overeenkomst hoeft te komen. Dat is vaak ook niet wat partijen beogen; zij willen slechts een tijdelijke verlichting omdat ook de maatregelen uiteindelijk voorbij zullen zijn en het contract dan nog niet is geëindigd.

De maatregelen van de overheid wegens corona breken – net als in oorlogssituaties – in op allerlei overeenkomsten, waardoor nakoming (tijdelijk) onmogelijk kan worden. Dit kan ook voorkomen bij bvb. sancties tegen een bepaald land, die handelsovereenkomsten raken. Zoals de sancties tijdens de oorlog in Joegoslavië, die leidden tot het uiteenvallen daarvan in zes republieken: Servië, Kroatië, Slovenië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro en Macedonië en twee autonome gebieden: Kosovo en Vojvodina. Maar ook voor Iran zijn sancties ingevoerd. Dergelijke sancties zijn vergelijkbaar met de coronamaatregelen. Zie in dit verband ook de Sanctiewet.

De vraag rijst, of dit is aan te merken als overmacht; uit de rechtspraak blijkt, dat dit niet in alle gevallen zo is. Het kan zijn, dat de onvoorziene omstandigheid van de coronamaatregelen, die de uitvoering van overeenkomsten dan wel de nakoming hindert, niet mag worden aangemerkt als onvoorzien, dan wel als een omstandigheid die voor rekening en risico van de partij komt, die zich op overmacht zou kunnen willen beroepen.

Dit kan ook voortvloeien uit de tussen partijen gemaakte afspraken (waarin een risicoverdeling is afgesproken of een afspraak gemaakt is voor het geval niet kan worden nagekomen – zoals een opt-out bij een bedrijfsovername tegen een schadevergoeding). Ook kan het zijn, dat de rechter oordeelt dat partijen – omdat zij de coronacrisis hadden moeten zien aankomen – afspraken hadden moeten maken over dit risico. Met name bij professionele partijen, die – bvb. bij een bedrijfsovername door verkoop van aandelen via een “SPA” (dit staat voor “Sales and Purchase Agreement”, oftewel is gewoon slang voor koopovereenkomst) – het zgn. MAC-beding kunnen opnemen. Dit is een beding waarin wordt bepaald, dat van de overname kan worden afgezien, of er heronderhandeld moet worden, wanneer zich tussen het moment van ondertekenen van de koopovereenkomst onvoorziene omstandigheden voordoen die een materieel effect op de deal heeft.

Alternatief: de redelijkheid en billijkheid

Overigens is er voor de gevolgen van onvoorziene omstandigheden nog een andere mogelijkheid, te weten een beroep op de aanvullende of de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 resp. lid 2 B.W.), zie boven. Op grond van lid 1 kan bvb. verwacht worden te overleggen hoe nu verder. Op grond van lid 2 kan onverkort vorderen van de nakoming onredelijk zijn.

Rechters lijken een voorkeur te hebben voor art. 6:258 lid 1 B.W.. Dit is – als je langs de voorwaarde van lid 2 komt – een subtieler instrument, dat de rechter meer mogelijkheden biedt. Art. 6:248 lid 1 B.W. is wel (of zo je wilt, ook) van belang in de coronacrisis, omdat de rechter van oordeel is, dat van partijen verwacht mag worden dat zij niet botweg weigeren met de andere partij te praten over een oplossing. Dat is niet conform de eis van een redelijke uitvoering van de overeenkomst. De weigerachtige partij kan daarvoor dan ook worden afgestraft als het tot een procedure komt, bvb. doordat de proceskosten voor rekening van die partij komen.

Rechtspraak coronacrisis

In Rb. Amsterdam 14 mei 2020 (Nordian/J-Club) ging het om een overname van aandelen in J-Club. Nordian weigert de overeenkomst – na het ondertekenen van het Signing Protocol op 28 februari 2020 – te ondertekenen in verband met de coronamaatregelen. De kort geding rechter wijst de bezwaren van Nordian van de hand. Op het moment van het ondertekenen van het Signing Protocol had Nordian dit al moeten zien aankomen. Gevolgen blijven voor rekening en risico Nordian.

Ook in Rb. Amsterdam 20 mei 2020 (Coltavast/Metropop) (RBAMS:2020:2647) komt de koper van een aantal winkelpanden van een koude kermis in kort geding thuis. Betalingsonmacht komt voor rekening professionele koper, zeker nu die ervoor heeft gekozen geen financieringsvoorbehoud te maken.

In de uitspraak van Rb. Amsterdam (NCC) 29 april 2020 (Tennor Holding) (RBAMS:2020:2406) wordt de koper ook niet ontslagen uit zijn verplichtingen. In deze bedrijfsovername was de LOI weliswaar al getekend in december 2019, maar in de overeenkomst was een deadline opgenomen van 2 maart 2020. De koper wilde onder de deal uit. De rechter passeert dit, omdat in de overeenkomst een beding is opgenomen, dat de koper – als hij de deal af wil blazen – dit kan doen, tegen betaling van een “break up fee” van 30 mio Euro. Aangezien het hier professionele partijen betreft, die deze overeenkomst zo welbewust zijn aangegaan en daarin een regeling voor een exit hebben opgenomen, gaat de rechter hier niet wegens onvoorziene omstandigheden aan morrelen.

In kort geding zien we een verdeeld beeld, waarin de Voorzieningenrechters tijdelijke verminderingen van de huur toestaan (de pijn wordt doorgaans 50/50 verdeeld). In kort geding kan echter slechts een opschorting van de inning gelast worden; de kort geding rechter kan geen wijzigingen in de overeenkomst doorvoeren, daarvoor zal hetzij een nadere afspraak tussen partijen nodig zijn, of – als men er niet zelf uit komt – een bodemprocedure. De rechters houden wel rekening met de financiële omstandigheden van de huurder, in die zin dat subsidies of andere inkomsten tot een andere verdeling kunnen leiden.

Belangrijk is wel het petitum goed in te richten. Rechters wijzen soms opschorting toe voor een bepaald tijdvak, maar als dat voorbij is en de maatregelen worden verlengd, dan moet je als de verhuurder tegenwerkt weer naar de rechter.

Inmiddels is er ook één uitspraak in een bodemprocedure. In Rb. Den Haag 21 januari 2021 (verhuurder/huurder horecabedrijfsruimte) (RBDHA:2021:461) reduceert de rechtbank de huurbetalingsverplichting tot 50% voor de periode van de sluiting. Voor de periode waarin er een omzetdaling is vanwege beperkte openstelling wordt 25% gekort. Dit is natuurlijk wel erg lastig, want de rechter moet gaan afwegen voor wiens rekening de gevolgen van deze situatie – waar geen van beiden iets aan kunnen doen – moeten komen.

Ontbinding wegens niet-nakoming van de overeenkomst

De ontbinding van overeenkomsten wegens niet-nakoming is geregeld in Afdeling 5 van Boek 6, Wederkerige overeenkomsten (art.. 6:265 B.W.). Zie de pagina Wederkerige overeenkomsten.

Auteur & Last edit

[MdV, 1-04-2018; laatste bewerking 8-04-2021]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.