LawyrupBurgerlijk wetboekVerbintenissenrecht (Boek 6 B.W.)Overeenkomsten in het algemeen (Titel 5, Boek 6 B.W.)Rechtsgevolgen van overeenkomsten (Afd. 4, Titel 5, Boek 6 B.W.)

Rechtsgevolgen van overeenkomsten (Afd. 4, Titel 5, Boek 6 B.W.)

Pagina inhoud

Inleiding rechtsgevolgen overeenkomsten

Het verbintenissenrecht is geregeld in boek 6 B.W.. Daarbinnen maken de overeenkomsten een bijzonder onderdeel uit. Afd. 4 van Titel 5 gaat over “De rechtsgevolgen van overeenkomsten”. De Afdeling omvat 13 artikelen (art. 6:248 B.W. t/m art. 6:260 B.W.).

Redelijkheid en billijkheid bij overeenkomsten

De afdeling begint met een centrale bepaling – die een uitwerking is van de jarenlange rechtsontwikkeling in de rechtspraak van het leerstuk van de “redelijkheid en de billijkheid” – is art. 6:248 B.W..

Aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid

De “aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid” is verwoord in lid 1:

“Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien”.

Derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid

De “derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid” is verwoord in lid 2:

“Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn”.

Op deze laatste bepaling wordt vaak een beroep gedaan om onder verplichtingen uit te komen. Maar dat is niet de bedoeling: de derogerende werking is alleen bedoeld om onder een evident onbillijk gevolg van een overeenkomst uit te komen. Deze regel is voortgekomen uit de rechtsontwikkeling in de arresten van de Hoge Raad sinds begin 20e eeuw.

Rechtspraak derogerende werking redelijkheid en billijkheid

De derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid – waardoor de afspraken in de overeenkomst opzij gezet kunnen worden – mag door de rechter niet te snel worden aangenomen. Dit geldt te meer in het verzekeringsrecht. Dit ondervond een tegen arbeidsongeschiktheid verzekerde dierenarts in HR 6 november 2020 (zieke dierenarts/Achmea). Een dierenarts had een arbeidsongeschiktheidsverzekering, en viel uit vanwege pijn- en gewrichtsklachten aan onder meer heupen, schouders en armen. Daar kwam later nog eens vaatlijden bij. Nadat hij gedurende zo’n twee jaar een uitkering van Achmea had ontvangen, werd die gestopt omdat – hoewel wel werd onderkend dat hij ziek was – uit de medische onderzoeken geen ziektebeeld gedestilleerd kon worden.

Omdat als voorwaarde voor uitkering in de polis was bepaald:

“van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend spraken indien er in relatie tot ziekte of ongeval, objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde beperkt is in zijn of haar functioneren”

en de dames en heren medici geen ziektebeeld aan de verschijnselen konden koppelen, was de conclusie dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis en er dus ook geen aanspraak (meer) bestond op een arbeidsongeschiktheidsuitkering onder de polis.

De dierenarts ondervond de volle impact van het gezegde “Lex dura est”: de Hoge Raad liet het oordeel van het Hof in stand, dat er geen plaats was voor de derogerende werking van de goede trouw, waardoor deze stricte definitie van “arbeidsongeschiktheid” terzijde geschoven moest worden. Hierbij speelt zeker mee, dat het ging om een verzekeringspolis, waarbij een stricte uitleg van de polis gebruikelijk is. Gevoelsmatig wel onbevredigend, omdat, deze bepaling toch begrepen moet worden om gesimuleerde arbeidsongeschiktheid tegen te gaan. En in dit geval simuleerde de dierenarts zeker niet: er werd door artsen zelfs gesproken van ‘een menselijk wrak’. Hoe je dan toch staande kunt houden dat er geen aanspraak bestaat uit de arbeidsongeschiktheidspolis omdat artsen er geen ziektebeeld aan kunnen verbinden, is lastig te begrijpen.

Uitleg van de rechtsgevolgen van overeenkomsten

Welke rechten en verplichtingen de contractspartijen aan een overeenkomst ontlenen – en daarmee dus welke rechtsgevolgen de overeenkomst heeft – wordt dus bepaald door de volgende factoren:

(i) wat partijen hebben afgesproken, en dan vooral wat er – als de overeenkomst op schrift gesteld is – uit de tekst van de overeenkomst blijkt of anders uit wat partijen over en weer kunnen bewijzen over wat is afgesproken;

(ii) de aard van de overeenkomst: de wet kent een aantal benoemde contracten, die mede van invloed zijn op de rechtsgevolgen van de overeenkomst, als deze als een benoemd contract kwalificeert;

(iii) de redelijkheid en billijkheid.

Bij de uitleg van overeenkomsten staan de rechter diverse maatstaven ter beschikking om vast te stellen wat er precies is afgesproken. Niet alleen aan de hand van de letterlijke tekst, maar ook aan de hand van de bedoeling van partijen en verdere omstandigheden die een rol spelen bij die beoordeling. Daarbij wordt onderscheiden in de Haviltex-maatstaf en de CAO-norm.

Boilerplate-bedingen

Zgn. boilerplate-bedingen zijn standaardbedingen die uit het Angelsaksische recht zijn overgewaaid. Zoals ‘subject to contract’ (contract is voorwaarde voor vaststelling dat er een overeenkomst is gesloten), de entire agreement (of ‘four corner beding’, dat inhoudt dat voor de uitleg van de overeenkomst alleen de letterlijke tekst van het schriftelijke contract bepalend is) en het beding dat wijzigingen slechts mogelijk zijn mits schriftelijk vastgelegd. Overigens is voor de uitleg van schriftelijke bepalingen toch ook steeds uitleg nodig. Consideration-clause houdt in dat er een prestatie over en weer wordt geleverd (waar in Nederlands recht ook eenzijdige rechtshandelingen mogelijk zijn).

De strekking ervan is om de schriftelijke vastlegging van de overeenkomst als doorslaggevend aan te merken bij de uitleg. In de context van het Nederlandse recht houdt die ‘legistische’ benadering niet zonder meer stand en is enige relativering desondanks mogelijk.

De communicatie bij de totstandkoming kan wel (meer) buiten zicht gehouden worden. Tenzij er in de voorgeschiedenis blijkt dat er een vergissing gemaakt is en niet is vastgelegd wat men bedoelde, dan kan dit toch in het oordeel van de rechter betrokken worden.

Naarmate de overeenkomst langer heeft geduurd kunnen de gedragingen en mededelingen bij de uitvoering het contract nader invullen, ondanks de stricte tekst van de boilerplate bepalingen. Zie hieronder het arrest Lundiform.

Het Haviltex criterium

Een arrest dat als een standaardarrest heeft te gelden wanneer het gaat om de vaststelling van de rechtsgevolgen van overeenkomsten – en dan met name de vaststelling wat partijen zijn overeengekomen – is het Haviltex-arrest. Vanwege het grote belang van dit arrest voor de rechtspraktijk – nagenoeg elke rechter citeert het Haviltex-criterium in vonnissen waarbij het geschil draait over de uitleg van overeenkomsten – is dit arrest inmiddels ook gepubliceerd: HR 13 maart 1981 (Ermes/Haviltex).

Deze maatstaf houdt in, dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het ook aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

Deze maatstaf past in de achtergrond van de algemene verbintenisrechtelijke bepalingen over wil en verklaring, wilsovereenstemming en wilsgebreken in Titel 2, Boek 3 B.W. (zie de pagina Rechtshandelingen).

Uitleg wie partij zijn bij overeenkomst

En uiteraard zijn – zoals in nagenoeg elk arrest van de Hoge Raad terugkeert – alle omstandigheden van het geval van belang. Ook de vraag, wie de partijen zijn bij de overeenkomst kan aan de hand van Haviltex worden uitgelegd. Zie in dit verband HR 29 oktober 2021 (Solidiam) (r.o. 3.2). Zie in dit verband ook het arrest Kuipers/Wijnveen HR 12 januari 2001, NJ 2001, 157, dat wordt behandeld op de pagina Volmacht.

Gebeurtenissen en gedragingen na sluiten van de overeenkomst

De partijbedoeling kan daarbij niet alleen blijken uit wat partijen op schrift gesteld hebben, of tegen elkaar hebben verklaard. Ook de wijze waarop partijen vervolgens uitvoering aan de overeenkomst gegeven hebben kan mede bepalend zijn bij het bepalen van de partijbedoeling en daarmee de rechtsgevolgen van de overeenkomst.

In het arrest HR 4 april 2013 (Lundiform/Mexx) heeft de Hoge Raad dit nog eens benadrukt. Het Hof had aan de letterlijke tekst van de overeenkomst een zwaar gewicht toegekend, omdat het een overeenkomst betrof die was aangegaan tussen twee bedrijven. Het Hof overwoog:

“Uitgangspunt moet zijn dat het om een commerciële overeenkomst gaat, gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen. Onder deze omstandigheden komt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen grote betekenis toe.”

Daarmee had het Hof dus – in de geest van het Haviltex-criterium gewicht toegekend aan “de maatschappelijke kringen waartoe partijen behoren en de rechtskennis die hen kan worden toegekend”. Het Hof was daarom – zonder toereikende motivatie – voorbijgegaan aan stellingen van Lundiform omtrent bepaalde omstandigheden (nl. toezeggingen die bij aangaan van de overeenkomst door Mexx gedaan waren), op grond waarvan aan de overeenkomst volgens haar (ook) andere rechtsgevolgen had dan uitsluitend in de letterlijke tekst ontleend kon worden. moest worden toegekend. Het Hof hechtte daarbij ook belang aan het feit dat de overeenkomst een “entire agreement” clausule bevatte. De Hoge Raad oordeelde, dat het Hof hiermee onvoldoende had meegewogen, dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn bij de uitleg van de overeenkomst, en er – ook in een geval als dit – niet mag worden voorbijgezien aan door een partij aangevoerde relevante feiten en omstandigheden.

Lees de overwegingen van HR 5 april 2013 (Lundiform/Mexx)

De Hoge Raad casseert, overwegende (r.o. 3.43):

“Mocht het hof hebben geoordeeld dat deze stellingen onvoldoende relevant zijn omdat in het onderhavige geval, ongeacht de juistheid van dit betoog, aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen doorslaggevende betekenis toekomt, dan geeft dat blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Indien het hof dat niet heeft miskend, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd door stilzwijgend aan genoemde stellingen van Lundiform voorbij te gaan.”

Het Hof heeft volgens de Hoge Raad daarmee tevens ten onrechte het bewijsaanbod van Lundiform gepasseerd (r.o. 3.4.4):

“De genoemde vrijheid om als uitgangspunt groot gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van de overeenkomst, stelt de rechter in staat om, vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van partijen, te komen tot een voorshands gegeven oordeel aangaande de uitleg van de overeenkomst. Vervolgens zal de rechter evenwel dienen te beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot bewijs dan wel tegenbewijs te worden toegelaten. Indien dit laatste het geval is, is de rechter gehouden deze partij in de gelegenheid te stellen dit (tegen)bewijs te leveren (vgl. HR 19 januari 2007, LJN AZ3178, NJ 2007/575, en HR 29 juni 2007, LJN BA4909, NJ 2007/576).

Uit hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen, volgt dat Lundiform feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, de door haar verdedigde uitleg van de overeenkomst kunnen dragen. Voorts heeft het hof in rov. 3.18 vastgesteld dat Lundiform bewijs van haar stellingen heeft aangeboden. Op grond van een en ander had het hof Lundiform dan ook tot bewijs van de door haar verdedigde uitleg van de overeenkomst moeten toelaten.”

En voorts over de entire agreement clausule (r.o. 3.5.3):

Opmerking verdient dat een “entire agreement clause” een relevante omstandigheid kan zijn bij de uitleg van een overeenkomst waarvan deze clausule deel uitmaakt (vgl. HR 19 januari 2007, LJN AZ3178, NJ 2007/575). Welke betekenis aan een dergelijke clausule toekomt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de bewoordingen van de clausule, de aard, de inhoud, de strekking en de mate van gedetailleerdheid van de overeenkomst waarvan de clausule deel uitmaakt, en de wijze waarop de clausule tijdens de onderhandelingen ter sprake is gekomen en onderdeel van de overeenkomst is geworden.

Daarbij zij aangetekend dat een “entire agreement clause” op zichzelf geen uitlegbepaling is. De clausule heeft een specifieke herkomst en functie in de Anglo-Amerikaanse rechtssfeer, en heeft naar Nederlands recht niet zonder meer een bijzondere betekenis.

Zij beoogt veelal te bewerkstelligen dat partijen niet zijn gebonden aan eerdere op de overeenkomst betrekking hebbende afspraken die daarmee in strijd zijn, indien die afspraken niet in de overeenkomst zijn opgenomen en de overeenkomst evenmin daarnaar verwijst. De clausule staat evenwel niet zonder meer eraan in de weg dat voor de uitleg van de in de overeenkomst vervatte bepalingen betekenis wordt toegekend aan verklaringen die zijn afgelegd dan wel gedragingen die zijn verricht, in het stadium voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.”

De Haviltex-maatstaf geldt ook bij mondelinge overeenkomsten, zo heeft de Hoge Raad onder meer beslist in HR 4 september 2009 (Voor Gezonde Konkurrentie). De Hoge Raad overweegt in dit arrest (r.o. 3.4.2):

“Naar het middel met juistheid betoogt, komt het ook bij de uitleg van een mondelinge overeenkomst aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de door hen gebezigde bewoordingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.”

CAO-norm

Naast de hiervoor besproken Haviltex-maatstaf kan volgens de Hoge Raad ook de CAO-norm gelden. CAO is de afkorting voor Collectieve Arbeidsovereenkomst. Dat is een overeenkomst die tussen vakbonden en werkgeversorganisaties wordt gesloten, en die geldt voor een grote groep werknemers, die echter zelf geen deel hadden aan de totstandkoming daarvan. Een CAO kan door algemeen verbindendverklaring een nog ruimere werking krijgen. Zie nader de pagina Algemene bepalingen arbeidsovereenkomst.

Kenmerkend voor een CAO is dus, dat die werking heeft voor een grotere groep partijen, die niet allemaal deel hebben gehad aan de totstandkoming van de afspraken. Daarom moeten bij de toetsing van een CAO of andere generieke afspraak, die tussen een beperkt aantal partijen is gesloten ten behoeve van een grote groep betrokkenen, andere maatstaven worden aangelegd.

In het arrest HR 25 november 2016 (FNV/Condor Constructions) gaat de Hoge Raad uitvoering op de CAO-norm in, onder vermelding van een keur aan jurisprudentie. Bij de uitleg van notariële akten kan een enigszins vergelijkbaar verschil in uitleg ten opzichte van het Haviltex-criterium worden onderkend, wanneer die akten ook werking hebben tegenover derden die niet bij het opstellen daarvan betrokken waren. Zie ook de pagina Akten en vonnissen.

De termen “maatstaf”, “norm” en “criterium” worden in deze context overigens door elkaar gebruikt. Zie ook het arrest Hof Amsterdam 17 september 2019 (Technical Service Engineer/Koning & Harman) zoals besproken op de pagina Algemene bepalingen arbeidsovereenkomst, en de conclusie van de P-G in cassatie in die zaak, die daar is vermeld.

Grenzen van de rechterlijke toetsing van de wet

De bevoegdheid van de rechter om de afspraken van partijen aan te passen of zelfs terzijde te stellen wordt begrensd door het verbod van toetsing van formele wetgeving en verdragen aan de Grondwet (art. 120 Grondwet). Op basis van de scheiding der machten (op basis van de zgn. “Trias politica” van Montesquieu) mag de rechter niet treden in de belangenafweging van de wetgever; hij mag deze niet ook nog eens zelf toetsen.

Formele wetgeving zijn wetten, die tot stand gekomen zijn op basis van besluitvorming door de centrale wetgever: regering en parlement. Voor lagere algemeen verbindende regels (zgn. materiële wetgeving) zoals AMvB’s  geldt dit verbod niet. De formele wet mag wel worden getoetst aan algemeen verbindende verdragsrechtelijke regels, omdat die van hogere orde zijn dan de formele wet.

In het arrest HR 8 mei 2018 (passagier/Allianz) doet de gelaedeerde een beroep op art. 6:248 lid 2 B.W., stellende dat het wettelijk maximum aan de aansprakelijkheid van de vervoerder (art. 8:983 B.W.) in de binnenvaart onredelijk is. Het Hof komt daaraan maar deels tegemoet, door te oordelen dat het achterwege laten door de (materiële) wetgever van indexatie van de limiet wel onredelijk is. Daarmee krijgt de gelaedeerde 10% van zijn schade vergoed. De rest moet hij zelf dragen.

De Hoge Raad verwerpt de klachten in cassatie. In dit arrest komen ook twee eerdere arresten van de Hoge Raad over deze materie aan de orde (HR 14 april 1989, NJ 1989/469 (Staat/LSVB – Harmonisatiewet) r.o. 3.1-3.6 en 3.9 en HR 19 december 2014, NJ 2015/344 (Bosentan), r.o. 3.6.1 en 3.6.2).

Lees de overwegingen van HR 8 mei 2018 (passagier/Allianz)

De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.8.1):

“In verband met het grondwettelijk toetsingsverbod van art. 120 Grondwet kan de rechter een dergelijke bepaling enkel toetsen aan een ieder verbindende bepalingen van internationaal recht zoals bedoeld in de art. 93 en 94 Grondwet. Toetsing van een dergelijke bepaling aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht is op grond van dat verbod uitgesloten. Dit laatste geldt ook indien die toetsing plaatsvindt in de sleutel van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding van partijen bij onder meer een overeenkomst beheersen (art. 6:2 en 6:248 BW). Slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven (HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725, NJ 1989/469 (Harmonisatiewet), rov. 3.1-3.6 en 3.9, en HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679, NJ 2015/344 (Bosentan), rov. 3.6.1 en 3.6.2).”

Het principe van het stellen van een limiet aan de hoogte van de vergoeding bij aansprakelijkheid kan worden getoetst aan art. 1 Eerste Protocol EVRM, maar de Hoge Raad merkt daarbij (onder verwijzing naar een eerder arrest) over op, dat de wetgever wel een ruime marge heeft bij de belangenafweging. De Hoge Raad:

“Wordt aangenomen dat het recht op volledige schadevergoeding in beginsel door art. 1 EP wordt gewaarborgd (hetgeen hiervoor in 3.6.4 in het midden is gelaten), dan moet de bepaling van art. 8:983 lid 1 BW voldoen aan de eis van een ‘fair balance’ die volgens de rechtspraak van het EHRM uit art. 1 EP voortvloeit. Die eis houdt in dat een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen (de nadelen van) de gebruikte middelen en het daarmee gediende doel. Het oordeel terzake is, indien het om wetgeving gaat, aan de wetgever, die daarbij in beginsel een ‘wide margin of appreciation’ toekomt. (HR 16 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5493, NJ 2002/469 (NVV c.s./Staat), rov. 6.2.2) Zoals uit het hiervoor in 3.5.1-3.5.7 overwogene blijkt, wordt het zowel internationaal als nationaal, om de hiervoor in 3.5.1 bedoelde redenen, in het algemeen belang geboden geacht dat de aansprakelijkheid van de vervoerder beperkt is of kan worden beperkt, ook in het geval van dood of letsel van de reiziger. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat de wetgever niet tot de bepaling van art. 8:983 lid 1 BW heeft kunnen komen.”

Omdat aansprakelijkheidslimieten in het vervoersrecht internationaal algemeen aanvaard zijn, mocht de wetgever dus wel een dergelijke limiet stellen.

Vervolgens rijst in HR 8 mei 2018 (passagier/Allianz) de vraag, of het Uitvoeringsbesluit waarmee de hoogte van de limiet is vastgesteld, de toets van redelijkheid kan doorstaan. Omdat dit materiële wetgeving is, kan die wel worden getoetst, maar de rechter moet daarbij wel terughoudend zijn.

Lees de verdere overwegingen van HR 8 mei 2018 (passagier/Allianz)

De Hoge Raad zet de criteria voor toetsing van lagere regelgeving uiteen (r.o. 3.9.1.):

“De Besluiten van 11 maart 1991 en 24 november 2008 behelzen geen wetgeving in formele zin. Het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet is daarop niet van toepassing. Dergelijke wetgeving kan de rechter dan ook wel toetsen aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Bij die toetsing heeft de rechter echter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Voorts brengen zowel de aard van de wetgevende functie als de positie van de rechter in het Nederlandse staatsbestel mee dat hij ook overigens bij deze toetsing terughoudendheid moet betrachten (HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9354, NJ 1987/251 (Landbouwvliegers), rov. 6.1; zie voorts o.m. HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0146, NJ 2010/53, rov. 3.6). De rechter kan onder meer toetsen of de wetgever bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de betrokken regeling of regel heeft kunnen komen (art. 3:4 Awb, dat op grond van art. 3:1 lid 1, aanhef en onder a, Awb ook van toepassing is op algemeen verbindende voorschriften).

Een regel of regeling die geen wet in formele zin is, kan buiten toepassing worden gelaten op de grond dat een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is zowel in het geval (a) dat de uitkomst van de hiervoor in 3.9.1 genoemde toetsing is dat de wetgever niet tot die regeling of regel heeft kunnen komen, als (b) in het hiervoor in 3.8.1 bedoelde geval dat sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever (in dit geval dus de lagere wetgever).”

Met bovenstaande overwegingen geeft de Hoge Raad duidelijke criteria voor de beantwoording van de vraag, in hoeverre de rechter formele en materiële wetgeving wetten mag toetsen en wanneer dit de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. Overigens is er inmiddels politiek debat gevoerd over het loslaten van het verbod van toetsing aan de Grondwet. Zie het blog Toetsing aan de Grondwet. Maar of dit er van gaat komen is afwachten.

Derogerende werking en exoneratie

In het arrest HR 29 januari 2021 (Bakker Bart /franchisenemer) kwam de vraag aan de orde, of de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 B.W.) de exoneratiebedingen in de huurovereenkomst met de franchisegever opzij kon zetten. Er was asbest in het pand aangetroffen, waardoor de franchisenemer bedrijfsschade leed. Het Hof had geoordeeld dat het beroep op de exoneratiebedingen in strijd met de redelijkheid en billijkheid was. De Hoge Raad oordeelt – contrair aan het advies van de P-G – dat het Hof de terughoudendheid die in acht moet worden genomen bij het toepassen van de derogerende werking van de goede trouw niet voldoende in acht genomen had. Deze beslissing van de Hoge Raad is overigens niet een speciale richtinggevende beslissing, wat is af te lezen uit het feit dat dit arrest is gewezen door slechts 3 raadsheren.

Mogelijk spelen de omstandigheden van het geval een rol, waaronder het feit dat de franchisegever (en verhuurder) het gebrek niet kende en de franchisenemer (huurder) tegemoet trad doordat zij gedurende een bepaalde periode franchisenemer wekelijks schadeloos heeft gesteld.

Enkele nadere bepalingen

De afdeling geeft enkele nadere bepalingen, zoals deze: de gevolgen van een overeenkomst gelden ook voor de rechtsopvolgenden onder algemene titel (art. 6:249 B.W.).

Regelend recht (uitgezonderd …)

De afdeling is van regelend recht (er kan dus contractueel van worden afgeweken), behalve de in art. 6:250 B.W. genoemde uitzonderingen.

Overgang van accessoire rechten (ook wel genaamd kwalitatieve rechten)

Art. 6:251 B.W. geeft een regeling voor accessoire (aan een bepaald goed verbonden) rechten. Staat een uit een overeenkomst voortvloeiend, voor overgang vatbaar recht in een zodanig verband met een aan de schuldeiser toebehorend goed, dat hij bij dat recht slechts belang heeft, zolang hij het goed behoudt, dan gaat dat recht over op degene die dat goed onder bijzondere titel verkrijgt (art. 6:251 lid 1 B.W.). Als het goed waaraan een recht is verbonden overgaat, dan gaat daarmee dus ook het accessoire recht over.

Een voorbeeld van een dergelijk beding biedt Gerechtshof Den Bosch 25 februari 2014 (oprit herenhuis). Een herenhuis in de gemeente Haaren had in de voortuin een oprit in een ronde vorm als oprit en afrit van en naar de openbare weg. De eigenaar had dit perceel gesplitst in twee delen en één deel aan zijn dochter verkocht en één deel aan zijn zoon. In de akte stond dat de oprit niet gewijzigd mocht worden. Na de verkoop door de zoon aan een derde wijzigde de dochter in strijd met de bepaling bij verkrijging toch de oprit. Zij plaatste daarop bloempotten met buxus en basaltblokken en andere roerende zaken (bloempotten, fietsen en een camper) in de voortuin. De nieuwe eigenaren kregen gelijk: de dochter moest zich aan dit beding houden. Het verweer van de dochter, dat zij met de nieuwe eigenaar niet had gecontracteerd, werd door het Hof op grond van art. 6:251 B.W. van de hand gewezen. Door zich niet aan het beding te houden pleegde de dochter wanprestatie, omdat de kwalitatieve verplichting was overgegaan op de nieuwe eigenaar.

In HR 6 april 2005 (kwalitatieve verplichting verlichting tennisbanen) betrof het afspraken die dateerden uit 1982, derhalve voor de inwerkingtreding van het NBW. Maar omdat de bewoners van de woningen die hadden verkregen in 2005, gold het nieuwe B.W. en in het bijzonder art. 6:251 lid 1 B.W.. Het Hof had ten onrechte in de afweging betrokken, of degenen die de afspraken met de tennisclub gemaakt hadden daarmee ook beoogden dat recht mede te bedingen ten behoeve van zijn rechtsopvolgers onder bijzondere titel. Die eis stelt de wet echter niet, zodat dit een onjuiste rechtsopvatting is, aldus de Hoge Raad. Het beroep op wijziging van omstandigheden (op grond van art. 6:258 B.W.) ging ook al niet op, en kon bovendien niet worden toegewezen in kort geding omdat dit een constitutieve beslissing van de rechter vergt tot aanpassing van de overeenkomst.

In HR 20 april 2012 (bouwbeperkingen) waren tussen partijen afspraken gemaakt ten aanzien van de verbouwing van een pand, waarmee degeen die wilde verbouwen bepaalde beperkingen had afgesproken met de wederpartij. Het betrof twee naast elkaar gelegen panden. Het Hof wees de vordering van gerechtigde tot de beperkingen af. De Hoge Raad casseerde, overwegende (r.o. 3.4):

“… Anders dan het hof kennelijk tot uitgangspunt nam, kunnen kwalitatieve rechten als in art. 6:251 geregeld ook ontstaan (i) zonder dat de overeenkomende partijen aan de zijde van de debiteur een kwalitatieve verplichting (als bedoeld in art. 6:252 BW) in het leven roepen, (ii) zonder dat de partijen in hun overeenkomst bepalen dat de rechten als kwalitatieve rechten zullen overgaan op verkrijgers onder bijzondere titel en ook (iii) zonder dat die rechten in de openbare registers openbaar worden ingeschreven.” <nummering MdV>

Deze overweging spreekt voor zichzelf.

Tegenprestatie van een accessoir recht

Als voor het accessoire recht een tegenprestatie overeengekomen, dan gaat de verplichting tot het verrichten van die tegenprestatie mede over, voor zover deze betrekking heeft op de periode na de overgang (art. 6:251 lid 2 B.W.).

De vervreemder blijft naast de verkrijger jegens de wederpartij aansprakelijk, behoudens voor zover deze zich na de overgang in geval van uitblijven van de tegenprestatie van haar verbintenis kan bevrijden door ontbinding of beëindiging van de overeenkomst.

Verwerping van het accessoire recht en verplichting door de verkrijger of contractuele uitsluiting overgang

De verkrijger van het goed kan een verklaring tot de wederpartij bij de overeenkomst richten, dat hij de overgang van het recht niet aanvaardt. In dat geval gaat het accessoire recht niet over op de verkrijger (art. 6:251 lid 3 B.W.).

Daarnaast kan uit de rechtshandeling waarbij het goed wordt overgedragen, voortvloeien dat geen overgang plaatsvindt (art. 6:251 lid 4 B.W.).

Kettingbeding kwalitatieve verplichtingen verbonden aan een onroerende zaak

Art. 6:252 B.W. geeft een specifieke regeling van verbintenisrechtelijke accessoire verplichtingen voor registergoederen. Bij overeenkomst kan worden bedongen dat de verplichting van een der partijen om iets te dulden of niet te doen ten aanzien van een haar toebehorend registergoed, zal overgaan op degenen die het goed onder bijzondere titel zullen verkrijgen (art. 6:252 lid 1 B.W.). Daarbij kan worden bepaald, dat degenen die van de rechthebbende een recht tot gebruik van het goed zullen verkrijgen daar ook aan gebonden zullen zijn. Dat wordt in de praktijk ook wel aangeduid als een ‘kettingbeding’.

Een dergelijk beding moet notarieel worden verleden en vervolgens worden ingeschreven in het Kadaster (art. 6:252 lid 2 B.W.). De begunstigde van het beding moet woonplaats kiezen in Nederland.

Kettingbeding werkt niet jegens oudere gerechtigden

Ook wanneer een kettingbeding is ingeschreven mist het volgens art. 6:252 lid 3 B.W. toch effect in de volgende gevallen:

a. jegens hen die voor de inschrijving onder bijzondere titel een recht op het goed of tot gebruik van het goed hebben verkregen;

b. jegens een beslaglegger op het goed of een recht daarop, indien de inschrijving op het tijdstip van de inschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming nog niet had plaats gevonden;

c. jegens hen die hun recht hebben verkregen van iemand die ingevolge het onder a of b bepaalde niet aan de bedongen verplichting gebonden was.

Tegenprestatie voor kwalitatieve verplichting

Als voor de verplichting een tegenprestatie overeengekomen, dan gaat bij de overgang van de verplichting het recht op de tegenprestatie mee over, voor zover deze betrekking heeft op de periode na de overgang en ook het beding omtrent deze tegenprestatie in de registers ingeschreven is (art. 6:252 lid 4 B.W.).

Geen kwalitatieve verplichting houdende een verbod tot vervreemding of bezwaring

Het bepaalde in de voorgaande leden is volgens art. 6:252 lid 5 B.W. niet van toepassing op verplichtingen die een rechthebbende beperken in zijn bevoegdheid het goed te vervreemden of te bezwaren.

In art. 6:259 B.W. is nog een bepaling opgenomen met een verjaringsregeling inzake rechten op een registergoed, die met name bij Verenigingen van Eigenaren in de praktijk wordt toegepast. Zie rechtbank Noord-Nederland d.d. 25-10-2017 en rechtbank Rotterdam 8-11-2017.

Derdenbeding

Een overeenkomst kan ook een zgn. “derdenbeding” bevatten, waardoor een niet bij de overeenkomst betrokken derde een afdwingbaar recht aan de overeenkomst kan ontlenen  (art. 6:253 B.W.).

Het beding moet door de derde worden aanvaard, om werking te krijgen. Tenzij het onherroepelijk en ‘om niet’ is, en de derde het onverwijld heeft verworpen (lid 4). Zie verder art. 6:254 B.W. tot en met art. 6:256 B.W. over de werking van een derdenbeding.

Afgeleid verweermiddel ondergeschikte

In art. 6:257 B.W. wordt aan de ondergeschikte van een contractspartij dezelfde verweermiddelen gegund als die contractspartij heeft bedongen. Wanneer de ondergeschikte aansprakelijk is jegens de wederpartij.

Aanpassing of ontbinding van de overeenkomst wegens onvoorziene gevolgen

Een partij kan geheel of gedeeltelijk ontbinding van een overeenkomst vorderen, wanneer deze onvoorziene gevolgen heeft. Tenzij het risico daarvan voor zijn rekening komt (art. 6:258 B.W.). De aanpassing van de overeenkomst kan door de rechter ook met terugwerkende kracht worden uitgesproken. Deze regeling is uitgesloten voor aanpassing van de pachtprijs. Zie de pagina Pachtprijs. Ook voor aanpassing van de duur van de pachtovereenkomst is deze bepaling uitgesloten. Zie de pagina Duur van de pachtovereenkomst.

Dit verweermiddel kan niet eenvoudig worden ingeroepen. De rechter zal dit verzoek slechts bij hoge uitzondering honoreren.

Onder het oude recht gold, dat onvoorziene omstandigheden niet tot aanpassing konden leiden. Een voorbeeld daarvan is het Sarong arrest uit 1926, waarbij door een oorlogssituatie de nakoming – buiten schuld van de partij die moest nakomen – de nakoming onmogelijk was, en sindsdien de prijzen van sarongs enorm waren gestegen. Nadien is dit – ook in het recht voor invoering van het “nieuwe” B.W. in 1992 versoepeld, maar dit geldt nog wel als de uitzondering op de hoofdregel.

Zie het arrest van de Hoge Raad d.d. 16 januari 2004 inzake de Egyptische distributeur van Atlanta mappen. Niet kan worden aangenomen, dat een overeenkomst zonder meer niet meer geldt bij wijziging van de omstandigheden, ook niet in een uitzonderlijke situatie. Een gemeente kan dit dus niet inroepen om onder een projectontwikkeling uit te komen, omdat de politieke wens voor het uitvoeren daarvan is gewijzigd. De bepaling in de overeenkomst, waarmee de gemeente had getracht een dergelijke voorziening te maken, baatte niet (arrest Gemeente Bronckhorst HR d.d. 13 oktober 2017, RvdW 2017, 118).

Onvoorziene omstandigheden en de coronacrisis

De coronacrisis heeft ons opnieuw geplaatst voor een uitzonderlijke situatie die de hele samenleving raakt, met zeer vèrstrekkende gevolgen. Die zou je binnen het overeenkomstenrecht kunnen aanmerken als onvoorziene omstandigheden. Het kan ook gaan om een verbintenis uit een eenzijdige rechtshandeling.

Voordeel van wijziging wegens onvoorziene omstandigheden is, dat het niet tot een ontbinding van de overeenkomst hoeft te komen. Dat is vaak ook niet wat partijen beogen; zij willen slechts een tijdelijke verlichting omdat ook de maatregelen uiteindelijk voorbij zullen zijn en het contract dan nog niet is geëindigd.

De maatregelen van de overheid wegens corona breken – net als in oorlogssituaties – in op allerlei overeenkomsten, waardoor nakoming (tijdelijk) onmogelijk kan worden. Dit kan ook voorkomen bij bvb. sancties tegen een bepaald land, die handelsovereenkomsten raken. Zoals de sancties tijdens de oorlog in Joegoslavië, die leidden tot het uiteenvallen daarvan in zes republieken: Servië, Kroatië, Slovenië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro en Macedonië en twee autonome gebieden: Kosovo en Vojvodina. Maar ook voor Iran zijn sancties ingevoerd. Dergelijke sancties zijn vergelijkbaar met de coronamaatregelen. Zie in dit verband ook de Sanctiewet.

De vraag rijst, of dit is aan te merken als overmacht; uit de rechtspraak blijkt, dat dit niet in alle gevallen zo is. Het kan zijn, dat de onvoorziene omstandigheid van de coronamaatregelen, die de uitvoering van overeenkomsten dan wel de nakoming hindert, niet mag worden aangemerkt als onvoorzien, dan wel als een omstandigheid die voor rekening en risico van de partij komt, die zich op overmacht zou kunnen willen beroepen.

Dit kan ook voortvloeien uit de tussen partijen gemaakte afspraken (waarin een risicoverdeling is afgesproken of een afspraak gemaakt is voor het geval niet kan worden nagekomen – zoals een opt-out bij een bedrijfsovername tegen een schadevergoeding). Ook kan het zijn, dat de rechter oordeelt dat partijen – omdat zij de coronacrisis hadden moeten zien aankomen – afspraken hadden moeten maken over dit risico. Met name bij professionele partijen, die – bvb. bij een bedrijfsovername door verkoop van aandelen via een “SPA” (dit staat voor “Sales and Purchase Agreement”, oftewel is gewoon slang voor koopovereenkomst) – het zgn. MAC-beding kunnen opnemen. Dit is een beding waarin wordt bepaald, dat van de overname kan worden afgezien, of er heronderhandeld moet worden, wanneer zich tussen het moment van ondertekenen van de koopovereenkomst onvoorziene omstandigheden voordoen die een materieel effect op de deal heeft.

Alternatief: de redelijkheid en billijkheid

Overigens is er voor de gevolgen van onvoorziene omstandigheden nog een andere mogelijkheid, te weten een beroep op de aanvullende of de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 resp. lid 2 B.W.), zie boven. Op grond van lid 1 kan bvb. verwacht worden te overleggen hoe nu verder. Op grond van lid 2 kan onverkort vorderen van de nakoming onredelijk zijn.

Rechters lijken een voorkeur te hebben voor art. 6:258 lid 1 B.W.. Dit is – als je langs de voorwaarde van lid 2 komt – een subtieler instrument, dat de rechter meer mogelijkheden biedt. Art. 6:248 lid 1 B.W. is wel (of zo je wilt, ook) van belang in de coronacrisis, omdat de rechter van oordeel is, dat van partijen verwacht mag worden dat zij niet botweg weigeren met de andere partij te praten over een oplossing. Dat is niet conform de eis van een redelijke uitvoering van de overeenkomst. De weigerachtige partij kan daarvoor dan ook worden afgestraft als het tot een procedure komt, bvb. doordat de proceskosten voor rekening van die partij komen.

Rechtspraak coronacrisis

In Rb. Amsterdam 14 mei 2020 (Nordian/J-Club) ging het om een overname van aandelen in J-Club. Nordian weigert de overeenkomst – na het ondertekenen van het Signing Protocol op 28 februari 2020 – te ondertekenen in verband met de coronamaatregelen. De kort geding rechter wijst de bezwaren van Nordian van de hand. Op het moment van het ondertekenen van het Signing Protocol had Nordian dit al moeten zien aankomen. Gevolgen blijven voor rekening en risico Nordian.

Ook in Rb. Amsterdam 20 mei 2020 (Coltavast/Metropop) (RBAMS:2020:2647) komt de koper van een aantal winkelpanden van een koude kermis in kort geding thuis. Betalingsonmacht komt voor rekening professionele koper, zeker nu die ervoor heeft gekozen geen financieringsvoorbehoud te maken.

In de uitspraak van Rb. Amsterdam (NCC) 29 april 2020 (Tennor Holding) (RBAMS:2020:2406) wordt de koper ook niet ontslagen uit zijn verplichtingen. In deze bedrijfsovername was de LOI weliswaar al getekend in december 2019, maar in de overeenkomst was een deadline opgenomen van 2 maart 2020. De koper wilde onder de deal uit. De rechter passeert dit, omdat in de overeenkomst een beding is opgenomen, dat de koper – als hij de deal af wil blazen – dit kan doen, tegen betaling van een “break up fee” van 30 mio Euro. Aangezien het hier professionele partijen betreft, die deze overeenkomst zo welbewust zijn aangegaan en daarin een regeling voor een exit hebben opgenomen, gaat de rechter hier niet wegens onvoorziene omstandigheden aan morrelen.

In kort geding zien we een verdeeld beeld, waarin de Voorzieningenrechters tijdelijke verminderingen van de huur toestaan (de pijn wordt doorgaans 50/50 verdeeld). In kort geding kan echter slechts een opschorting van de inning gelast worden; de kort geding rechter kan geen wijzigingen in de overeenkomst doorvoeren, daarvoor zal hetzij een nadere afspraak tussen partijen nodig zijn, of – als men er niet zelf uit komt – een bodemprocedure. De rechters houden wel rekening met de financiële omstandigheden van de huurder, in die zin dat subsidies of andere inkomsten tot een andere verdeling kunnen leiden.

Belangrijk is wel het petitum goed in te richten. Rechters wijzen soms opschorting toe voor een bepaald tijdvak, maar als dat voorbij is en de maatregelen worden verlengd, dan moet je als de verhuurder tegenwerkt weer naar de rechter.

Inmiddels is er ook één uitspraak in een bodemprocedure. In Rb. Den Haag 21 januari 2021 (verhuurder/huurder horecabedrijfsruimte) (RBDHA:2021:461) reduceert de rechtbank de huurbetalingsverplichting tot 50% voor de periode van de sluiting. Voor de periode waarin er een omzetdaling is vanwege beperkte openstelling wordt 25% gekort. Dit is natuurlijk wel erg lastig, want de rechter moet gaan afwegen voor wiens rekening de gevolgen van deze situatie – waar geen van beiden iets aan kunnen doen – moeten komen.

Bepalingen in uitspraak over wijziging overeenkomst

In art. 6:260 B.W. wordt een regeling gegeven voor de voorziening die de rechter kan geven op grond van art. 6:258 B.W. (de bepaling is gelet op digitaal procederen gewijzigd naar gelang de processuele regels).

Een wijziging of ontbinding als bedoeld in art. 6:258 B.W. en art. 6:259 B.W. kan worden uitgesproken onder door de rechter te stellen voorwaarden (art. 6:260 lid 1 B.W.).

Als de rechter op grond van die artikelen de overeenkomst wijzigt of gedeeltelijk ontbindt, kan hij bepalen dat een of meer der partijen de overeenkomst binnen een bij de uitspraak vast te stellen termijn door een schriftelijke verklaring geheel zal kunnen ontbinden. De wijziging of gedeeltelijke ontbinding treedt niet in, voordat deze termijn is verstreken (art. 6:260 lid 2 B.W.).

Is de overeenkomst die op grond van de art. 6:258 B.W. of art. 6:259 B.W. wordt gewijzigd of geheel of gedeeltelijk ontbonden, ingeschreven in de openbare registers, dan kan ook de uitspraak waarbij de wijziging of ontbinding plaatsvond, daarin worden ingeschreven, mits deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of uitvoerbaar bij voorraad is (art. 6:260 lid 3 B.W.).

Wordt iemand te dier zake gedagvaard aan zijn overeenkomstig artikel 252 lid 2, eerste zin, gekozen woonplaats, dan zijn daarmee tevens gedagvaard al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen. Artikel 29 lid 2 en lid 3, tweede tot en met vierde zin, van Boek 3 zijn van overeenkomstige toepassing.

Andere rechtsfeiten die een ingeschreven overeenkomst wijzigen of beëindigen, zijn eveneens inschrijfbaar, voor zover het rechterlijke uitspraken betreft mits zij in kracht van gewijsde zijn gegaan of uitvoerbaar bij voorraad zijn.

Ontbinding wegens niet-nakoming van de overeenkomst

De ontbinding van overeenkomsten wegens niet-nakoming is geregeld in Afdeling 5 van Boek 6, Wederkerige overeenkomsten (art.. 6:265 B.W.). Zie de pagina Wederkerige overeenkomsten.

Auteur & Last edit

[MdV, 1-04-2018; laatste bewerking 17-10-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.