LawyrupBurgerlijk wetboekPersonen en familierecht (Boek 1 B.W.)Huwelijkse voorwaarden (Titel 8, Boek 1 B.W.)

Huwelijkse voorwaarden (Titel 8, Boek 1 B.W.)

Inleiding huwelijkse voorwaarden

In Titel 8 van Boek 1 B.W. zijn de huwelijkse voorwaarden geregeld. Deze kent sinds 2003 nog twee afdelingen:

1. Huwelijkse voorwaarden in het algemeen (art. 1:114 B.W. t/m art. 1:131 B.W.);
2. Verrekenbedingen (art. 1:132 B.W. t/m art. 143 B.W.);
3. Giften bij huwelijkse voorwaarden – deze afdeling is vervallen per 1-01-2003

Verrekenbedingen

Afd. 2 Verrekenbedingen is onderverdeeld in drie paragrafen:

Par. 1 Algemene regels voor verrekenbedingen (9 bepalingen, art. 1:132 B.W. t/m art. 1:140 B.W.);

Par. 2 Periodieke verrekenbedingen (art. 1:141 B.W.);

Par. 3 Finale verrekenbedingen (art. 1:142 B.W. en art. 1:143 B.W.). Art. 144 en 145 zijn vervallen.

Periodieke verrekenbedingen

De wet biedt in art. 1:141 B.W. de mogelijkheid om in de huwelijkse voorwaarden een zgn. periodiek verrekenbeding op te nemen. Een gebruikelijk beding is, dat een verschil in inkomen tussen de echtgenoten jaarlijks wordt verrekend. Zo’n jaarlijks verrekenbeding wordt ook wel “Amsterdams verrekenbeding” genoemd. In de praktijk wordt dit beding door de echtgenoten vaak niet toegepast, omdat men het vergeet, of omdat de echtgenoten het gênant vinden om staande huwelijk tot dit soort verrekeningen over te gaan. Of men vindt het gewoon teveel moeite en onnodig.

Om de echtgenoot, die daardoor gaandeweg onderbedeeld kan raken tegemoet te komen, is in art. 1:141 lid 1 B.W. bepaald, dat de verplichting tot verrekening over tijdvakken, waarin niet is afgerekend, in stand blijft. De vordering tot afrekening strekt zich krachtens de wet uit over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. De onderbedeelde echtgenoot kan dus aanspraak maken op afrekening van het vermogen van de ander, waarvan wordt verondersteld dat dit is toegenomen doordat verzuimd is af te rekenen.

De Hoge Raad vat deze bepaling als volgt samen: “Op grond van art. 1:141 leden 1 en 2 BW wordt, kort gezegd, een tijdens het huwelijk niet nagekomen periodieke verrekenverplichting omgezet in een finale verrekenverplichting op het in art. 1:142 BW bepaalde tijdstip (de peildatum). In zodanig geval wordt op grond van art. 1:141 lid 3 BW het op de peildatum aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit (art. 1:141 lid 3 BW).”

Bewijsvermoeden bij verrekenbeding

In veel gevallen verzuimen echtgenoten dergelijke verrekenbedingen toe te passen, zodat er bij echtscheiding een aanzienlijke vordering kan zijn ontstaan. Het kan bij echtscheiding echter lastig zijn voor de echtgenoot die aanspraak heeft op de gecumuleerde vorderingen tot verrekening (doorgaans is dat de vrouw, gelet op het nog steeds bestaande verschil in inkomen) om aan te tonen, dat het door de andere echtgenoot opgebouwde vermogen is voortgekomen uit overgespaard inkomen, dat verrekend had moeten worden.

De liefde is immers bekoeld, en de overbedeelde echtgenoot zit op alle bewijsstukken met betrekking tot zijn inkomsten en uitgaven in het verleden, en de informatie over zijn vermogen. De wetgever heeft in art. 1:141 lid 3 B.W. een bewijsvermoeden gegeven, die de de onderbedeelde echtgenoot tegemoet komt.

Omkering van de bewijslast of verzwaarde stelplicht?

Op grond van art. 150 Rv. is de hoofdregel in het bewijsrecht, dat degeen die zich op bepaalde (rechts)feiten beroept, die feiten zal moeten stellen en tevens zal moeten bewijzen. Zie over deze hoofdregel en de uitzonderingen daarop de pagina Algemene bepalingen bewijsrecht).

De vraag rijst, of het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 B.W. gekwalificeerd moet worden als een verzwaarde stelplicht of een omkering van de bewijslast.

De Hoge Raad heeft in HR 19 april 2019 (vrouw/man) over dit bewijsvermoeden het volgende overwogen:

“3.3.2 … Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden.”

en verder:

“… Zoals het hof terecht heeft overwogen, heeft het in art. 1:141 lid 3 BW omschreven bewijsvermoeden uitsluitend betrekking op de vraag of het aanwezige vermogen al dan niet gefinancierd is uit hetgeen verrekend had moeten worden (zie r.o.. 3.4.3 van HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9605). Ten aanzien van de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen op de peildatum gelden de gewone regels voor stelplicht en bewijslast.

Dat brengt enerzijds mee dat de rechter daarop betrekking hebbende stellingen van de ene echtgenoot die door de andere echtgenoot niet of niet voldoende zijn betwist, in beginsel als vaststaand moet aannemen (art. 149 lid 2 Rv). Anderzijds dient een echtgenoot wiens stellingen met betrekking tot de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen voldoende betwist zijn, in beginsel de juistheid van zijn stellingen te bewijzen. In dit verband is echter van belang dat ingevolge de slotzin van art. 1:141 lid 3 BW in verbinding met art. 1:143 BW echtgenoten jegens elkaar verplicht zijn om tot beschrijving van het vermogen over te gaan. Aldus kan de verrekenvordering worden vastgesteld, waarbij zo nodig op grond van art. 1:143 lid 2 BW in verbinding met art. 679 Rv een deskundige kan worden benoemd om de waarde van bepaalde goederen te schatten.

Opmerking verdient dat de verzoeken tot beschrijving van het vermogen en tot het benoemen van een deskundige weliswaar volgens de zojuist genoemde bepalingen tot de kantonrechter moeten worden gericht, maar dat dit ook op verlangen van een der partijen kan worden bevolen door de rechter voor wie een geding op de voet van art. 1:141 BW aanhangig is (vgl. aldus art. 679 lid 2 Rv voor het geval van een geding over de verdeling van een gemeenschap).”

De uitleg van art. 1:141 lid 3 B.W. in die overwegingen zijn blijkens het arrest HR 16 oktober 2020 (aandelen A Holding en schuld Stork N.V.) slechts aldus op te vatten, dat op de verwerende partij een verzwaarde stelplicht rust (ten aanzien van het overgespaarde vermogen).

De echtgenoten in kwestie waren op grond van de gemaakte huwelijkse voorwaarden buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd (zgn. “koude uitsluiting”). In dit geval verdiende de man meer dan de vrouw, en moest de man dus – na aftrek van het door hem aan de gemeenschappelijke huishouding bestede geld – de helft van zijn inkomen aan de vrouw voldoen. Omgekeerd gold dat krachtens dit beding ook, maar kennelijk bleef er bij de man meer over dan bij de vrouw, zodat zij per saldo een vordering op hem verkreeg.

De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.3):

“Het hof heeft in rov. 5.11 terecht vooropgesteld dat het, in het licht van het in art. 1:141 lid 3 BW verwoorde uitgangspunt, op de weg van de man ligt om aannemelijk te maken dat de door de vrouw genoemde vermogensbestanddelen, waaronder de aandelen in [A], niet tot het te verrekenen vermogen behoren. De man stelt zich op het standpunt dat de uitkering van ƒ 2.500.000,– en de aandelen [A] niet voor verrekening in aanmerking komen. Hij dient daarom het vermoeden van art. 1:141 lid 3 BW te weerleggen. Van de man mag in dit verband worden verwacht dat hij aanvoert hoe de uitkering van ƒ 2.500.000,– is gefinancierd en hoe hij de aandelen in [A] heeft verkregen, en dat hij zo nodig bescheiden overlegt die dit afdoende onderbouwen.”

2 stemmen, gemiddeld: 4,00 van de 52 stemmen, gemiddeld: 4,00 van de 52 stemmen, gemiddeld: 4,00 van de 52 stemmen, gemiddeld: 4,00 van de 52 stemmen, gemiddeld: 4,00 van de 5 (2 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Auteur & Last edit

[MdV, 10-12-2020]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.