LawyrupBurgerlijk wetboekPersonen en familierecht (Boek 1 B.W.)Huwelijkse voorwaarden (Titel 8, Boek 1 B.W.)

Verrekenbedingen

Afd. 2 Verrekenbedingen is onderverdeeld in drie paragrafen:

Par. 1 Algemene regels voor verrekenbedingen (9 bepalingen, art. 1:132 B.W. t/m art. 1:140 B.W.);

Par. 2 Periodieke verrekenbedingen (art. 1:141 B.W.);

Par. 3 Finale verrekenbedingen (art. 1:142 B.W. en art. 1:143 B.W.). Art. 144 en 145 zijn vervallen.

Algemene regels voor verrekenbedingen

In Par. 1 Algemene regels voor verrekenbedingen (9 bepalingen, art. 1:132 B.W. tot en met art. 1:140 B.W.) worden algemene regels gegeven die voor alle verrekenbedingen gelden.

Welk gedeelte van een door de ene echtgenoot verkregen goed moet in het te verrekenen vermogen worden betrokken?

Art. 1:136 B.W. geeft regels, hoe moet worden vastgesteld voor welk gedeelte een goed tot het “te verrekenen” vermogen behoort. De betreffende bepalingen zijn tamelijk ingewikkeld (althans verwarrend door het herhaald gebruik van de woorden “rekenen” en “verrekenen”). Deze bepaling is het laatst gewijzigd per 1 september 2002 en dus na de wetswijziging van 1 januari 2012 niet gewijzigd.

Indien een goed onder aanwending van te verrekenen vermogen is verkregen, wordt het verkregen goed tot het te verrekenen vermogen gerekend voor het aandeel dat overeenkomt met het bij de verkrijging uit het te verrekenen vermogen aangewende gedeelte van de tegenprestatie gedeeld door de totale tegenprestatie (art. 1:136 lid 1 B.W., eerste volzin).

Indien een echtgenoot in verband met de verwerving van een goed een schuld is aangegaan, wordt het goed op de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen vermogen gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is afgelost of betaald (art. 1:136 lid 1 B.W., tweede volzin).

Bestaat tussen de echtgenoten een geschil omtrent de vraag of een goed tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend en kan geen van beiden bewijzen dat het goed tot het niet te verrekenen vermogen wordt gerekend, dan wordt dat goed aangemerkt als te rekenen tot het te verrekenen vermogen. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der echtgenoten (art. 1:136 lid 2 B.W.).

Periodieke verrekenbedingen

De wet biedt in art. 1:141 B.W. de mogelijkheid om in de huwelijkse voorwaarden een zgn. periodiek verrekenbeding op te nemen. Een gebruikelijk beding is, dat een verschil in inkomen tussen de echtgenoten jaarlijks wordt verrekend. Zo’n jaarlijks verrekenbeding wordt ook wel “Amsterdams verrekenbeding” genoemd. In de praktijk wordt dit beding door de echtgenoten vaak niet toegepast, omdat men het vergeet, of omdat de echtgenoten het gênant vinden om staande huwelijk tot dit soort verrekeningen over te gaan. Of men vindt het gewoon teveel moeite en onnodig.

Om de echtgenoot, die daardoor gaandeweg onderbedeeld kan raken tegemoet te komen, is in art. 1:141 lid 1 B.W. bepaald, dat de verplichting tot verrekening over tijdvakken, waarin niet is afgerekend, in stand blijft. De vordering tot afrekening strekt zich krachtens de wet uit over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. De onderbedeelde echtgenoot kan dus aanspraak maken op afrekening van het vermogen van de ander, waarvan wordt verondersteld dat dit is toegenomen doordat verzuimd is af te rekenen.

De Hoge Raad vat deze bepaling als volgt samen: “Op grond van art. 1:141 leden 1 en 2 BW wordt, kort gezegd, een tijdens het huwelijk niet nagekomen periodieke verrekenverplichting omgezet in een finale verrekenverplichting op het in art. 1:142 BW bepaalde tijdstip (de peildatum). In zodanig geval wordt op grond van art. 1:141 lid 3 BW het op de peildatum aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit (art. 1:141 lid 3 BW).”

In het arrest HR 10 juli 2015 (man/vrouw) verzocht de man verrekening van de overwaarde van de echtelijke woning, die ten name stond van de vrouw. Volgens de man is deze overwaarde mede toe te rekenen aan de inbreng van door hem overgespaard maar niet verdeeld inkomen, bestaande uit betaling van rente en aflossingen in verband met de hypothecaire geldleningen aangegaan ter financiering van de woning en eerdere echtelijke woningen, en investeringen ten laste van zijn privévermogen die tot waardevermeerdering van de woning hebben geleid. Het hof oordeelde, dat de overwaarde van de woning niet tot het te verrekenen vermogen behoort. De Hoge Raad casseert.

Het Hof besliste blijkens r.o. 3.2.3 van het arrest van de Hoge Raad:

“Nu de woning geheel noch gedeeltelijk is verkregen met te verrekenen inkomsten of vermogen van de vrouw, behoort de waarde daarvan niet tot het te verrekenen vermogen aan de zijde van de vrouw, ook niet voor een deel. Dat de man ten laste van zijn te verrekenen inkomsten heeft afgelost op de hypothecaire geldleningen of dat hij waardevermeerderende investeringen in de echtelijke woning(en) heeft gedaan, brengt niet mee dat de woning is gaan behoren tot het te verrekenen vermogen aan de zijde van de vrouw. Die aflossingen of investeringen kunnen hooguit een vergoedingsrecht van de man op de vrouw doen ontstaan, maar de man heeft in de procedure geen verzoek gedaan op grond van een dergelijk vergoedingsrecht.”

De Hoge Raad overwoog (r.o. 4.1.2):

“In art. 1:141 lid 1 BW en – voor zover het gaat om de aflossing van een schuld die met het oog op de verwerving van een goed is aangegaan – art. 1:136 lid 1 BW worden de rechtsgevolgen geregeld van verrekenplichten in huwelijkse voorwaarden. In dit kader strekt een verrekenbeding als het onderhavige naar zijn aard ertoe dat periodiek wordt verrekend hetgeen van de inkomsten van partijen wordt bespaard, waarna ieder der echtgenoten vervolgens in staat is zijn aandeel in de besparingen door belegging te besteden aan vorming en vermeerdering van het eigen vermogen. Laten partijen tijdens het huwelijk deling van de overgespaarde inkomsten achterwege, dan moet daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van het verrekenbeding, het gevolg worden verbonden dat partijen bij het einde van het huwelijk alsnog tot verrekening overgaan en dat in deze verrekening ook wordt betrokken de vermogensvermeerdering die is ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar ongedeeld is gebleven; hetzelfde geldt voor een belegging die is gefinancierd met geleend geld, voor zover de lening is afgelost met bespaarde maar ongedeeld gebleven inkomsten.”

De Hoge Raad verwijst hierbij naar een eerder arrest HR 10 juli 2009, maar de in het arrest vermelde vindplaats is verkeerd. BL4387 moet zijn BI4387.

En verder (r.o. 4.1.3):

“Zowel uit de tekst van de art. 1:136 lid 1 en 141 lid 1 en 3 BW, als uit de hiervoor in 4.1.2 weergegeven ratio van deze bepalingen, vloeit voort dat bij het einde van het huwelijk aanwezig vermogen dat is gevormd uit door de echtgenoten tijdens het huwelijk overgespaard inkomen, dient te worden verrekend, ongeacht aan wie van de echtgenoten dat vermogen toebehoort en uit wiens overgespaarde inkomen dat vermogen is gevormd. De achterliggende gedachte is immers dat ieder van de echtgenoten na verrekening van hetgeen door hen tezamen is bespaard, zijn of haar aandeel daarin kan gebruiken voor de vorming en vermeerdering van het eigen vermogen. Hiermee strookt dat bij de finale afrekening na het eindigen van het huwelijk de echtgenoot die zijn of haar overgespaarde inkomsten heeft geïnvesteerd in (de financiering van) een aan de andere echtgenoot toebehorend goed, naar de in art. 1:136 lid 1 BW vermelde maatstaf meedeelt in de eventuele waardestijging die het goed gedurende het huwelijk heeft ondergaan.”

Het Hof sloeg de plank dus mis door te oordelen, dat de vrouw niet hoefde te verrekenen omdat de vrouw kon volstaan met het bewijs van haar stelling, dat de overwaarde van de woning niet is gevormd uit door haar overgespaard inkomen. De Hoge Raad overwoog (r.o. 4.2):

“Tussen partijen is niet in geschil dat de man ten laste van door hem verworven, te verrekenen, inkomsten heeft afgelost op de hypothecaire geldleningen. Bovendien heeft de man gesteld dat de woning een overwaarde heeft mede als gevolg van een verbouwing die met door hem overgespaard maar niet verrekend inkomen is gefinancierd. Het oordeel van het hof dat deze aflossingen en de gestelde investering niet meebrengen dat de woning is gaan behoren tot het te verrekenen vermogen geeft, gelet op hetgeen hiervoor in 4.1.2 en 4.1.3 is overwogen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”

Anders gezegd: als er onverdeeld vermogen bij de ene echtgenoot is, dat is besteed aan een privé-goed van de andere echtgenoot, dan moet worden aangenomen dat het goed waaraan deze investeringen besteed zijn, is gaan behoren tot het onverdeelde en nog te verrekenen vermogen van beide echtelieden. Daarbij geldt bovendien de beleggingsleer: in tegenstelling tot een vergoedingsvordering op grond van Kriek/Smit moet niet nominaal worden afgerekend, maar moet een eventuele waardestijging worden meegenomen. Bij een vordering op grond van het sinds 1 januari 2012 geldende  art. 1:87 B.W. wordt in principe uitgegaan van de beleggingsleer. Zie de pagina Rechten en verplichtingen van echtgenoten.

Overigens is van belang op te merken, dat het hier om een verzoekschriftprocedure ging in het kader van de echtscheiding. De vordering tot verdeling vormde een nevenvordering in die procedure (vgl. art. 827 lid 1 Rv.). Zie de pagina Nevenvoorzieningen echtscheidingsprocedures.

Op grond van art. 1:136 B.W. (zie boven) moet dan worden verrekend het aandeel van het vermogen, dat is toe te rekenen aan de investering uit het vermogen van de ander. Deze bepaling (art. 1:136 B.W.) gold net als art. 1:141 B.W. al voor 1 januari 2012. Kan geen van beiden bewijzen dat het goed niet behoort tot het te verrekenen vermogen, dan wordt vermoed dat dat wel zo is (art. 1:136 lid 2 B.W.).

Bewijsvermoeden bij verrekenbeding

In veel gevallen verzuimen echtgenoten dergelijke verrekenbedingen toe te passen, zodat er bij echtscheiding een aanzienlijke vordering kan zijn ontstaan. Het kan bij echtscheiding echter lastig zijn voor de echtgenoot die aanspraak heeft op de gecumuleerde vorderingen tot verrekening (doorgaans is dat de vrouw, gelet op het nog steeds bestaande verschil in inkomen) om aan te tonen, dat het door de andere echtgenoot opgebouwde vermogen is voortgekomen uit overgespaard inkomen, dat verrekend had moeten worden.

De liefde is immers bekoeld, en de overbedeelde echtgenoot zit op alle bewijsstukken met betrekking tot zijn inkomsten en uitgaven in het verleden, en de informatie over zijn vermogen. De wetgever heeft in art. 1:141 lid 3 B.W. een bewijsvermoeden gegeven, die de onderbedeelde echtgenoot tegemoet komt.

Geldt bij art. 1:141 lid 3 B.W. omkering van de bewijslast of een verzwaarde stelplicht?

Op grond van art. 150 Rv. is de hoofdregel in het bewijsrecht, dat degeen die zich op bepaalde (rechts)feiten beroept, die feiten zal moeten stellen en tevens zal moeten bewijzen. Zie over deze hoofdregel en de uitzonderingen daarop de pagina Algemene bepalingen bewijsrecht).

De vraag rijst, of het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 B.W. gekwalificeerd moet worden als een verzwaarde stelplicht of een omkering van de bewijslast. In HR 19 april 2019 (vrouw/man) gaat de Hoge Raad in op dit bewijsvermoeden.

Lees de overwegingen van HR 19 april 2019 (Vrouw/man)

De Hoge Raad heeft over dit bewijsvermoeden het volgende overwogen:

“3.3.2 … Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden.”

en verder:

“… Zoals het hof terecht heeft overwogen, heeft het in art. 1:141 lid 3 BW omschreven bewijsvermoeden uitsluitend betrekking op de vraag of het aanwezige vermogen al dan niet gefinancierd is uit hetgeen verrekend had moeten worden (zie r.o.. 3.4.3 van HR 8 juni 2012). Ten aanzien van de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen op de peildatum gelden de gewone regels voor stelplicht en bewijslast.

Dat brengt enerzijds mee dat de rechter daarop betrekking hebbende stellingen van de ene echtgenoot die door de andere echtgenoot niet of niet voldoende zijn betwist, in beginsel als vaststaand moet aannemen (art. 149 lid 2 Rv). Anderzijds dient een echtgenoot wiens stellingen met betrekking tot de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen voldoende betwist zijn, in beginsel de juistheid van zijn stellingen te bewijzen. In dit verband is echter van belang dat ingevolge de slotzin van art. 1:141 lid 3 BW in verbinding met art. 1:143 BW echtgenoten jegens elkaar verplicht zijn om tot beschrijving van het vermogen over te gaan. Aldus kan de verrekenvordering worden vastgesteld, waarbij zo nodig op grond van art. 1:143 lid 2 BW in verbinding met art. 679 Rv een deskundige kan worden benoemd om de waarde van bepaalde goederen te schatten.

Opmerking verdient dat de verzoeken tot beschrijving van het vermogen en tot het benoemen van een deskundige weliswaar volgens de zojuist genoemde bepalingen tot de kantonrechter moeten worden gericht, maar dat dit ook op verlangen van een der partijen kan worden bevolen door de rechter voor wie een geding op de voet van art. 1:141 BW aanhangig is (vgl. aldus art. 679 lid 2 Rv voor het geval van een geding over de verdeling van een gemeenschap).”

De uitleg van art. 1:141 lid 3 B.W. zijn blijkens het arrest HR 16 oktober 2020 (aandelen A Holding en schuld Stork N.V.) slechts aldus op te vatten, dat op de verwerende partij een verzwaarde stelplicht rust (ten aanzien van het overgespaarde vermogen).

De echtgenoten in kwestie waren op grond van de gemaakte huwelijkse voorwaarden buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd (zgn. “koude uitsluiting”). In dit geval verdiende de man meer dan de vrouw, en moest de man dus – na aftrek van het door hem aan de gemeenschappelijke huishouding bestede geld – de helft van zijn inkomen aan de vrouw voldoen. Omgekeerd gold dat krachtens dit beding ook, maar kennelijk bleef er bij de man meer over dan bij de vrouw, zodat zij per saldo een vordering op hem verkreeg.

De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.3):

“Het hof heeft in rov. 5.11 terecht vooropgesteld dat het, in het licht van het in art. 1:141 lid 3 BW verwoorde uitgangspunt, op de weg van de man ligt om aannemelijk te maken dat de door de vrouw genoemde vermogensbestanddelen, waaronder de aandelen in [A], niet tot het te verrekenen vermogen behoren. De man stelt zich op het standpunt dat de uitkering van ƒ 2.500.000,– en de aandelen [A] niet voor verrekening in aanmerking komen. Hij dient daarom het vermoeden van art. 1:141 lid 3 BW te weerleggen. Van de man mag in dit verband worden verwacht dat hij aanvoert hoe de uitkering van ƒ 2.500.000,– is gefinancierd en hoe hij de aandelen in [A] heeft verkregen, en dat hij zo nodig bescheiden overlegt die dit afdoende onderbouwen.”

Auteur & Last edit

[MdV, 10-12-2020; laatste bewerking 21-03-2021]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.

Vond je deze content nuttig? Steun Lawyrup met een donatie naar keuze.

Doneren