Pagina inhoud

    HR 19 december 2019 (De Zeester)

    Maatstaven executiegeschil in kort geding

    In het arrest HR 19 december 2019 (Standhotel De Zeester) heeft de Hoge Raad de criteria van het arrest Ritzen/Hoekstra verduidelijkt. Dit arrest is thans het standaardarrest voor executiegeschillen in kort geding (ook bij de Kantonrechter).

    Wanneer kan de rechter in kort geding de executie van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis schorsen?

    De Hoge Raad voorziet het arrest allereerst van een inleiding (r.o. 2.1 en 2.2):

    “2.1 In deze zaak is aan de orde welke maatstaf de rechter moet hanteren bij de beoordeling van een vordering of verzoek om de tenuitvoerlegging te schorsen van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak. Meer in het bijzonder speelt daarbij de vraag of de rechter die in kort geding oordeelt over een vordering zoals bedoeld in art. 438 lid 2 Rv, daarbij dezelfde maatstaf moet hanteren als de rechter die in hoger beroep oordeelt over een incidentele vordering of een incidenteel verzoek zoals bedoeld in art. 351 Rv respectievelijk art. 360 lid 2 Rv..

    2.2 De Hoge Raad heeft eerder uitspraken gedaan die met deze vragen samenhangen. Zoals blijkt uit de conclusie van de Advocaat-generaal (onder 3.6-3.10), geven die uitspraken nog onvoldoende duidelijkheid en roepen zij in de rechtspraktijk vragen op. Hoewel in deze zaak zal worden geoordeeld dat eiser in cassatie geen belang heeft bij het cassatieberoep, zal de Hoge Raad daarom toch ingaan op de hiervoor in 2.1 genoemde vragen. Bij de beantwoording van die vragen betrekt de Hoge Raad ook de maatstaf aan de hand waarvan de beoordeling dient plaats te vinden van de incidentele vorderingen of verzoeken om in hoger beroep een uitspraak alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (art. 234 Rv) of om aan de uitvoerbaarheid bij voorraad een voorwaarde te verbinden (art. 235 Rv).

    De slotsom zal onder meer zijn dat er onvoldoende grond is om uiteenlopende maatstaven te hanteren voor enerzijds de rechter die in hoger beroep in een incident moet oordelen over een vordering of verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging en anderzijds de rechter in kort geding die in gevallen waarin een rechtsmiddel is ingesteld of nog openstaat, over een dergelijke vordering heeft te oordelen. Ook zal de Hoge Raad de maatstaven verduidelijken die in eerdere uitspraken zijn gegeven. De Hoge Raad zal voorts gedeeltelijk terugkomen van die eerder gedane uitspraken.”

    Voor de beoordeling van een vordering tot schorsing van de executie gelden dezelfde maatstaven in kort geding als bij een incidentele vordering

    In r.o. 5.3.1 tot en met 5.7.2 spint de Hoge Raad vervolgens de rechtsregels voor een executiegeschil in kort geding uit, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak. Daarbij past de Hoge Raad de regels zoals aangekondigd deels aan. De samenvatting van dit alles vinden we in r.o. 5.8.1:

    “Het voorgaande kan als volgt worden samengevat.

    a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.

    b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

    c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

    d. Het voorgaande geldt in de volgende gevallen:

        i. in een incident tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad;

       i. in een incident tot zekerheidstelling;

       ii. in een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging;

       iii. in een kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging indien tegen de ten uitvoer te leggen uitspraak een rechtsmiddel is of nog kan worden ingesteld.

    e. In een kort geding over de tenuitvoerlegging van een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, geldt dat de schorsing alleen kan worden uitgesproken indien de (verdere) tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid zou opleveren.”

    Deze uitspraak wordt behandeld op de pagina Algemene regels tenuitvoerlegging.

    [MdV, 21-06-2023]

    Uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:2026

    Hoge Raad

    19-12-2019

    Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

    Pagina inhoud

      HR 19 december 2019 (De Zeester)

      Maatstaven executiegeschil in kort geding

      In het arrest HR 19 december 2019 (Standhotel De Zeester) heeft de Hoge Raad de criteria van het arrest Ritzen/Hoekstra verduidelijkt. Dit arrest is thans het standaardarrest voor executiegeschillen in kort geding (ook bij de Kantonrechter).

      Wanneer kan de rechter in kort geding de executie van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis schorsen?

      De Hoge Raad voorziet het arrest allereerst van een inleiding (r.o. 2.1 en 2.2):

      “2.1 In deze zaak is aan de orde welke maatstaf de rechter moet hanteren bij de beoordeling van een vordering of verzoek om de tenuitvoerlegging te schorsen van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak. Meer in het bijzonder speelt daarbij de vraag of de rechter die in kort geding oordeelt over een vordering zoals bedoeld in art. 438 lid 2 Rv, daarbij dezelfde maatstaf moet hanteren als de rechter die in hoger beroep oordeelt over een incidentele vordering of een incidenteel verzoek zoals bedoeld in art. 351 Rv respectievelijk art. 360 lid 2 Rv..

      2.2 De Hoge Raad heeft eerder uitspraken gedaan die met deze vragen samenhangen. Zoals blijkt uit de conclusie van de Advocaat-generaal (onder 3.6-3.10), geven die uitspraken nog onvoldoende duidelijkheid en roepen zij in de rechtspraktijk vragen op. Hoewel in deze zaak zal worden geoordeeld dat eiser in cassatie geen belang heeft bij het cassatieberoep, zal de Hoge Raad daarom toch ingaan op de hiervoor in 2.1 genoemde vragen. Bij de beantwoording van die vragen betrekt de Hoge Raad ook de maatstaf aan de hand waarvan de beoordeling dient plaats te vinden van de incidentele vorderingen of verzoeken om in hoger beroep een uitspraak alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (art. 234 Rv) of om aan de uitvoerbaarheid bij voorraad een voorwaarde te verbinden (art. 235 Rv).

      De slotsom zal onder meer zijn dat er onvoldoende grond is om uiteenlopende maatstaven te hanteren voor enerzijds de rechter die in hoger beroep in een incident moet oordelen over een vordering of verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging en anderzijds de rechter in kort geding die in gevallen waarin een rechtsmiddel is ingesteld of nog openstaat, over een dergelijke vordering heeft te oordelen. Ook zal de Hoge Raad de maatstaven verduidelijken die in eerdere uitspraken zijn gegeven. De Hoge Raad zal voorts gedeeltelijk terugkomen van die eerder gedane uitspraken.”

      Voor de beoordeling van een vordering tot schorsing van de executie gelden dezelfde maatstaven in kort geding als bij een incidentele vordering

      In r.o. 5.3.1 tot en met 5.7.2 spint de Hoge Raad vervolgens de rechtsregels voor een executiegeschil in kort geding uit, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak. Daarbij past de Hoge Raad de regels zoals aangekondigd deels aan. De samenvatting van dit alles vinden we in r.o. 5.8.1:

      “Het voorgaande kan als volgt worden samengevat.

      a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.

      b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

      c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

      d. Het voorgaande geldt in de volgende gevallen:

          i. in een incident tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad;

         i. in een incident tot zekerheidstelling;

         ii. in een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging;

         iii. in een kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging indien tegen de ten uitvoer te leggen uitspraak een rechtsmiddel is of nog kan worden ingesteld.

      e. In een kort geding over de tenuitvoerlegging van een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, geldt dat de schorsing alleen kan worden uitgesproken indien de (verdere) tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid zou opleveren.”

      Deze uitspraak wordt behandeld op de pagina Algemene regels tenuitvoerlegging.

      [MdV, 21-06-2023]

      Uitspraak

      ECLI:NL:HR:2019:2026

      Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

      Zoeken binnen de kennisbank

      Lawyrup, jouw gratis kennisbank over burgerlijk (proces)recht!