Pagina inhoud

    HR 25 februari 2022 (wijziging testament onder curatele gestelde)

    In het arrest HR 25 februari 2022 (wijziging testament onder curatele gestelde) deed zich de vraag voor, of de wijziging van het testament van een wegens geestelijke stoornis onder curatele gestelde vrouw – die in 2017 overleed en de respectabele leeftijd van 105 jaar had bereikt – rechtsgeldig was.

    Hierbij is art. 4:55 lid 2 B.W. van belang, dat bepaalt dat degeen die wegens diens lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele staat, slechts met toestemming van de kantonrechter uiterste wilsbeschikkingen kan maken. Verder ook de regeling van de wils- en vertrouwensleer bij het verrichten van rechtshandelingen art. 3:34 B.W. (zie de pagina Rechtshandelingen).

    Feiten van HR 22 februari 2022 (wijziging testament onder curatele gestelde)

    In 2012 had zij haar neef als enig erfgenaam aangewezen. Vervolgens heeft zij via haar curator – en met instemming van haar huisarts, de curator, de notaris en de Kantonrechter – haar testament in 2015 gewijzigd. De notaris had daarbij het “stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid” gevolgd op grond waarvan onder meer een onderzoek is aangevraagd bij een onafhankelijke arts.

    Daarbij heeft zij haar erfenis nagelaten aan een fonds, onder meer ten gunste van muziekverenigingen en ouderenverenigingen in Sassenheim. De neef kreeg nog slechts een aandeel in haar huis, en Partiar werd aangewezen als executeur-testamentair. Het Hof vernietigde de beslissing van de rechtbank, die de vorderde dat het testament uit 2015 nietig verklaard werd. De Hoge Raad casseerde.

    Oordeel Hoge Raad inzake wijziging testament onder curatele gestelde

    De Hoge Raad beschrijft allereerst het wettelijk kader:

    “3.2.1 Voor het maken van een uiterste wilsbeschikking is een op rechtsgevolg gerichte wil noodzakelijk, die zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW). Indien de verklaring afkomstig is van iemand van wie de geestvermogens zijn gestoord, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te hebben ontbroken, indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan (art. 3:34 lid 1 BW).

    3.2.2 Ook een persoon die wegens diens geestelijke toestand onder curatele is gesteld, kan een uiterste wilsbeschikking maken (art. 4:55 lid 1 BW). Daarvoor is toestemming van de kantonrechter nodig (art. 4:55 lid 2 BW).”

    Vervolgens ging de Hoge Raad na, of de toestemming van de Kantonrechter op juiste wijze tot stand gekomen is, en de vrouw – ondanks haar geestelijke toestand – in casu in staat was haar wil te bepalen. De Hoge Raad overwoog:

    “3.3.1 In cassatie staat vast dat voorafgaande aan het opstellen van het testament uit 2015 een onafhankelijk arts erflaatster heeft onderzocht en dat met erflaatster is gesproken door de kantonrechter en de notaris. De onafhankelijk arts heeft geconcludeerd dat erflaatster in staat is haar eigen uitdrukkelijke wil voldoende duidelijk en consistent kenbaar te maken en dat zij wilsbekwaam wordt geacht. De huisarts van erflaatster heeft dit bevestigd en verklaard dat hij zijn mening baseert op de jarenlange band die hij met haar heeft gehad. Ook de notaris achtte erflaatster wilsbekwaam. De kantonrechter heeft geconstateerd dat de inhoud van het concepttestament overeenstemt met hetgeen erflaatster daarover aan haar heeft meegedeeld en geoordeeld dat voldoende is gebleken dat de geestelijke stoornis van de curanda niet verhindert dat zij de gevolgen van het testament voldoende overziet en dat de wil van curanda in overeenstemming is met haar verklaring.

    3.3.2 Het hof heeft in het tussenarrest aan zijn voorlopige oordeel dat erflaatster mede bezien haar geestestoestand de gevolgen van het testament uit 2015 niet heeft overzien de volgende omstandigheden ten grondslag gelegd:

    (i) het initiatief tot het maken dan wel wijzigen van het testament door erflaatster was mede gelegen bij de curator,
    (ii) de curator was bij alle gesprekken tussen erflaatster en de notaris, kantonrechter en de bestuurder van Partiar aanwezig,
    (iii) gelet op de leeftijd van de erflaatster bestaat er een redelijk vermoeden dat zij in enige mate lichamelijk en geestelijk afhankelijk was van de curator die voor haar de zaken regelde,
    (iv) aan de kantonrechter is wel het concepttestament overgelegd maar de wijze waarop het een en ander tot stand is gekomen is hem niet medegedeeld, althans dat hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven, kan niet uit de beschikking worden opgemaakt,
    (v) de kantonrechter heeft geen inzicht kunnen hebben in de financiële en fiscale consequenties van de uiterste wil van erflaatster,
    (vi) het betrof een complex testament, en
    (vii) de verklaring van de onafhankelijke arts is te algemeen om te kunnen vaststellen of de geestestoestand van erflaatster zodanig was dat zij ook de inhoud van een dergelijk complex testament zou kunnen overzien.

    Bij eindarrest heeft het hof geoordeeld dat Partiar niet in de bij tussenarrest gegeven (tegen)bewijsopdracht is geslaagd. Het heeft daarmee het voorlopige oordeel definitief gemaakt en daartoe in de kern nog overwogen dat het de gang van zaken rond het testament uit 2015 zeer zorgelijk vindt, dat de notaris erflaatster niet heeft gewezen op de wijziging van het testament ten opzichte van het testament uit 2012 en dat erflaatster een afhankelijke vrouw van 104 jaar oud met een ernstige visuele handicap was.

    De Hoge Raad volgde het Hof Den Haag echter niet in dit oordeel. Hij overwoog:

    “3.3.3 De hiervoor in 3.3.2 genoemde omstandigheden kunnen, mede in het licht van hetgeen hiervoor in 3.3.1 is overwogen, het oordeel dat de geestelijke stoornis van erflaatster een redelijke waardering van de bij het testament uit 2015 betrokken belangen belette, niet dragen. Zonder nadere motivering is immers onbegrijpelijk waarom deze omstandigheden betrekking hebben op de geestelijke stoornis van erflaatster en op de eventuele invloed van deze stoornis op de bekwaamheid van erflaatster tot waardering van de bij het testament uit 2015 betrokken belangen.

    3.4 Voor zover onderdeel 2 klaagt dat het hof in het tussenarrest op basis van de hiervoor in 3.3.2 genoemde omstandigheden voorshands bewezen heeft geacht dat erflaatster mede bezien haar geestestoestand de gevolgen van het testament uit 2015 niet heeft overzien, slaagt het, gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.3 is overwogen, eveneens.”

    De Hoge Raad legt dus een strict criterium aan bij de toetsing, of de wijziging van het testament was toe te schrijven aan de geestelijke stoornis van de erflaatster – en of die stoornis haar hinderde in het vormen van haar wil als bedoeld in art. 3:34 B.W.. Dat verband zag de Hoge Raad niet, en mede gelet op de waarborgen van de bij de wijziging betrokken instanties (notaris, huisarts, onafhankelijke arts, de Kantonrechter) oordeelde hij dat de wijziging geldig was.

    De zaak werd vervolgens verwezen naar Hof Amsterdam. Deze uitspraak komt aan de orde op de pagina Wie uiterste wilsbeschikkingen kunnen maken.

    Executiegeschil voorlopige voorzieningen o.g.v. vonnis rechtbank uit hoofde van eerste testament uitbetaalde bedragen

    De zaak heeft nog een – in het licht van executie- en procesrecht – interessant vervolg gekregen met het arrest Hof Amsterdam 20 december 2022 (voorlopige voorziening terugvordering uitbetaling erfenis). Partiar vorderde in een voorlopige voorziening van de neef de terugbetaling van een bedrag van ruim 2 ton. Het Hof oordeelde, dat nu het vonnis van de rechtbank – die het latere testament geldig achtte – weer was herleefd, de betalingen aan de neef op basis van het arrest van Hof Den Haag – die het latere testament nietig achtte – moesten worden teruggedraaid. Dit arrest was immers vernietigd, waardoor voorshands het rechtbankvonnis weer van kracht was. Zie ook de pagina Onverschuldigde betaling voor terugvordering betaalde uit hoofde van een vernietigde uitspraak.

    Er was onder meer een bedrag van EUR 100.000 geparkeerd op de derdengeldrekening van de advocaat van de neef, waarbij was afgesproken dat dit daar zou blijven staan totdat de cassatie was afgerond. Dat was niet zo slim, want na de verwijzing kon dit bedrag op basis van die afspraak niet langer worden vastgehouden door de neef. Beter was geweest af te spreken ’tot het einde van de instantie’…

    Auteur & Last edit

    MdV, 14-04-2024

    Uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:307

    Hoge Raad

    22-02-2022

    Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

    Pagina inhoud

      HR 25 februari 2022 (wijziging testament onder curatele gestelde)

      In het arrest HR 25 februari 2022 (wijziging testament onder curatele gestelde) deed zich de vraag voor, of de wijziging van het testament van een wegens geestelijke stoornis onder curatele gestelde vrouw – die in 2017 overleed en de respectabele leeftijd van 105 jaar had bereikt – rechtsgeldig was.

      Hierbij is art. 4:55 lid 2 B.W. van belang, dat bepaalt dat degeen die wegens diens lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele staat, slechts met toestemming van de kantonrechter uiterste wilsbeschikkingen kan maken. Verder ook de regeling van de wils- en vertrouwensleer bij het verrichten van rechtshandelingen art. 3:34 B.W. (zie de pagina Rechtshandelingen).

      Feiten van HR 22 februari 2022 (wijziging testament onder curatele gestelde)

      In 2012 had zij haar neef als enig erfgenaam aangewezen. Vervolgens heeft zij via haar curator – en met instemming van haar huisarts, de curator, de notaris en de Kantonrechter – haar testament in 2015 gewijzigd. De notaris had daarbij het “stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid” gevolgd op grond waarvan onder meer een onderzoek is aangevraagd bij een onafhankelijke arts.

      Daarbij heeft zij haar erfenis nagelaten aan een fonds, onder meer ten gunste van muziekverenigingen en ouderenverenigingen in Sassenheim. De neef kreeg nog slechts een aandeel in haar huis, en Partiar werd aangewezen als executeur-testamentair. Het Hof vernietigde de beslissing van de rechtbank, die de vorderde dat het testament uit 2015 nietig verklaard werd. De Hoge Raad casseerde.

      Oordeel Hoge Raad inzake wijziging testament onder curatele gestelde

      De Hoge Raad beschrijft allereerst het wettelijk kader:

      “3.2.1 Voor het maken van een uiterste wilsbeschikking is een op rechtsgevolg gerichte wil noodzakelijk, die zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW). Indien de verklaring afkomstig is van iemand van wie de geestvermogens zijn gestoord, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te hebben ontbroken, indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan (art. 3:34 lid 1 BW).

      3.2.2 Ook een persoon die wegens diens geestelijke toestand onder curatele is gesteld, kan een uiterste wilsbeschikking maken (art. 4:55 lid 1 BW). Daarvoor is toestemming van de kantonrechter nodig (art. 4:55 lid 2 BW).”

      Vervolgens ging de Hoge Raad na, of de toestemming van de Kantonrechter op juiste wijze tot stand gekomen is, en de vrouw – ondanks haar geestelijke toestand – in casu in staat was haar wil te bepalen. De Hoge Raad overwoog:

      “3.3.1 In cassatie staat vast dat voorafgaande aan het opstellen van het testament uit 2015 een onafhankelijk arts erflaatster heeft onderzocht en dat met erflaatster is gesproken door de kantonrechter en de notaris. De onafhankelijk arts heeft geconcludeerd dat erflaatster in staat is haar eigen uitdrukkelijke wil voldoende duidelijk en consistent kenbaar te maken en dat zij wilsbekwaam wordt geacht. De huisarts van erflaatster heeft dit bevestigd en verklaard dat hij zijn mening baseert op de jarenlange band die hij met haar heeft gehad. Ook de notaris achtte erflaatster wilsbekwaam. De kantonrechter heeft geconstateerd dat de inhoud van het concepttestament overeenstemt met hetgeen erflaatster daarover aan haar heeft meegedeeld en geoordeeld dat voldoende is gebleken dat de geestelijke stoornis van de curanda niet verhindert dat zij de gevolgen van het testament voldoende overziet en dat de wil van curanda in overeenstemming is met haar verklaring.

      3.3.2 Het hof heeft in het tussenarrest aan zijn voorlopige oordeel dat erflaatster mede bezien haar geestestoestand de gevolgen van het testament uit 2015 niet heeft overzien de volgende omstandigheden ten grondslag gelegd:

      (i) het initiatief tot het maken dan wel wijzigen van het testament door erflaatster was mede gelegen bij de curator,
      (ii) de curator was bij alle gesprekken tussen erflaatster en de notaris, kantonrechter en de bestuurder van Partiar aanwezig,
      (iii) gelet op de leeftijd van de erflaatster bestaat er een redelijk vermoeden dat zij in enige mate lichamelijk en geestelijk afhankelijk was van de curator die voor haar de zaken regelde,
      (iv) aan de kantonrechter is wel het concepttestament overgelegd maar de wijze waarop het een en ander tot stand is gekomen is hem niet medegedeeld, althans dat hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven, kan niet uit de beschikking worden opgemaakt,
      (v) de kantonrechter heeft geen inzicht kunnen hebben in de financiële en fiscale consequenties van de uiterste wil van erflaatster,
      (vi) het betrof een complex testament, en
      (vii) de verklaring van de onafhankelijke arts is te algemeen om te kunnen vaststellen of de geestestoestand van erflaatster zodanig was dat zij ook de inhoud van een dergelijk complex testament zou kunnen overzien.

      Bij eindarrest heeft het hof geoordeeld dat Partiar niet in de bij tussenarrest gegeven (tegen)bewijsopdracht is geslaagd. Het heeft daarmee het voorlopige oordeel definitief gemaakt en daartoe in de kern nog overwogen dat het de gang van zaken rond het testament uit 2015 zeer zorgelijk vindt, dat de notaris erflaatster niet heeft gewezen op de wijziging van het testament ten opzichte van het testament uit 2012 en dat erflaatster een afhankelijke vrouw van 104 jaar oud met een ernstige visuele handicap was.

      De Hoge Raad volgde het Hof Den Haag echter niet in dit oordeel. Hij overwoog:

      “3.3.3 De hiervoor in 3.3.2 genoemde omstandigheden kunnen, mede in het licht van hetgeen hiervoor in 3.3.1 is overwogen, het oordeel dat de geestelijke stoornis van erflaatster een redelijke waardering van de bij het testament uit 2015 betrokken belangen belette, niet dragen. Zonder nadere motivering is immers onbegrijpelijk waarom deze omstandigheden betrekking hebben op de geestelijke stoornis van erflaatster en op de eventuele invloed van deze stoornis op de bekwaamheid van erflaatster tot waardering van de bij het testament uit 2015 betrokken belangen.

      3.4 Voor zover onderdeel 2 klaagt dat het hof in het tussenarrest op basis van de hiervoor in 3.3.2 genoemde omstandigheden voorshands bewezen heeft geacht dat erflaatster mede bezien haar geestestoestand de gevolgen van het testament uit 2015 niet heeft overzien, slaagt het, gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.3 is overwogen, eveneens.”

      De Hoge Raad legt dus een strict criterium aan bij de toetsing, of de wijziging van het testament was toe te schrijven aan de geestelijke stoornis van de erflaatster – en of die stoornis haar hinderde in het vormen van haar wil als bedoeld in art. 3:34 B.W.. Dat verband zag de Hoge Raad niet, en mede gelet op de waarborgen van de bij de wijziging betrokken instanties (notaris, huisarts, onafhankelijke arts, de Kantonrechter) oordeelde hij dat de wijziging geldig was.

      De zaak werd vervolgens verwezen naar Hof Amsterdam. Deze uitspraak komt aan de orde op de pagina Wie uiterste wilsbeschikkingen kunnen maken.

      Executiegeschil voorlopige voorzieningen o.g.v. vonnis rechtbank uit hoofde van eerste testament uitbetaalde bedragen

      De zaak heeft nog een – in het licht van executie- en procesrecht – interessant vervolg gekregen met het arrest Hof Amsterdam 20 december 2022 (voorlopige voorziening terugvordering uitbetaling erfenis). Partiar vorderde in een voorlopige voorziening van de neef de terugbetaling van een bedrag van ruim 2 ton. Het Hof oordeelde, dat nu het vonnis van de rechtbank – die het latere testament geldig achtte – weer was herleefd, de betalingen aan de neef op basis van het arrest van Hof Den Haag – die het latere testament nietig achtte – moesten worden teruggedraaid. Dit arrest was immers vernietigd, waardoor voorshands het rechtbankvonnis weer van kracht was. Zie ook de pagina Onverschuldigde betaling voor terugvordering betaalde uit hoofde van een vernietigde uitspraak.

      Er was onder meer een bedrag van EUR 100.000 geparkeerd op de derdengeldrekening van de advocaat van de neef, waarbij was afgesproken dat dit daar zou blijven staan totdat de cassatie was afgerond. Dat was niet zo slim, want na de verwijzing kon dit bedrag op basis van die afspraak niet langer worden vastgehouden door de neef. Beter was geweest af te spreken ’tot het einde van de instantie’…

      Auteur & Last edit

      MdV, 14-04-2024

      Uitspraak

      ECLI:NL:HR:2022:307

      Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

      Zoeken binnen de kennisbank

      Lawyrup, jouw gratis kennisbank over burgerlijk (proces)recht!