Pagina inhoud

    HR 9 februari 2024 (procesfinancier/MFE c.s.)

    Niet alle bevoegdheden van de pandgever gaan na mededeling van het pandrecht over op de pandhouder

    Al in het arrest HR 14 februari 2014 (Imune Age/Neo River) heeft de Hoge Raad uitgemaakt, dat bij de vestiging van een beperkt recht op een vordering – zoals pandrecht – niet alle schuldeisersbevoegdheden van de eigenaar van de vordering overgaan op de pandhouder.

    De pandhouder wordt conform art. 3:246 lid 1 B.W. en art. 3:246 lid 2 B.W. na de mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar van de vordering (slechts) bevoegd tot inning en opzegging. Zie ook de pagina Pandrecht.

    In dit arrest HR 9 februari 2024 (procesfinancier/MFE) gaat de Hoge Raad in op de strekking van Imune Age/Neo River in de situatie waarin de pandhouder de pandgever in een procedure tegen de debiteur van de verpande vordering terzijde wil schuiven via schorsing van de procedure en overname daarvan.

    Feiten van HR 9 februari 2024 (procesfinancier/MFE c.s.)

    In deze zaak had Mark Four Enterprises B.V. (MFE) het advocatenkantoor Stibbe ingeschakeld om een vordering geldend te maken tegen een derde partij wegens afgebroken onderhandelingen. Die procedure liep verkeerd af, waarna MFE een procedure tegen Stibbe begon waarin zij schadevergoeding vorderde en terugbetaling van reeds betaalde declaraties. Voor het voeren van deze procedure had zij een overeenkomst gesloten met een procesfinancier. Tot zekerheid van deze financiering had de procesfinancier een stil pandrecht op de vordering op Stibbe bedongen.

    Centrale vraag in cassatie: kan de pandhouder na openbaar maken van het pandrecht de procedure van de pandgever overnemen?

    De vraag die in deze procedure bij de Hoge Raad aan de orde was, was of de pandhouder (de procesfinancier) de procedure van de pandgever (MFE) tegen Stibbe kon overnemen na mededeling van het stille pandrecht. De procesfinancier wilde dit doen door schorsing van de procedure (inmiddels in hoger beroep) op de voet van art. 225 lid 1 Rv. en aansluitend hervatting daarvan met haar als appellante.

    De bepaling waar het hier om draaide – wat betreft het pandrecht – was  art. 3:246 lid 1 B.W., dat luidt:

    “Rust het pandrecht op een vordering, dan is de pandhouder bevoegd in en buiten rechte nakoming daarvan te eisen en betalingen in ontvangst te nemen.

    Deze bevoegdheden blijven bij de pandgever, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld.”

    De wet bepaalt dus, dat – na openbaar maken van het pandrecht door mededeling daarvan aan de debiteur van de verpande vordering – de bevoegdheid om in en buiten rechte nakoming te eisen van de verpande vordering en terzake daarvan betalingen in ontvangst te nemen overgaat op de pandhouder.

    Degene bij wie deze bevoegdheid berust, is krachtens art. 3:246 lid 2 B.W. ook bevoegd tot het opeisbaar maken van de vordering door opzegging daarvan. Blijkens het arrest HR 14 februari 2014 (Imune Age/Neo River) gaan de bevoegdheden van de pandhouder echter niet verder dan dat. Het Hof verwoordde de strekking van Imune Age/Neo River in de zaak van MFE als volgt:

    “De wet kent aan de pandhouder geen andere dan de hiervoor genoemde schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering toe, zodat moet worden aangenomen dat andere bevoegdheden bij de pandgever blijven rusten.

    De pandgever blijft bevoegd handelingen te verrichten zoals het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en het omzetten van de vordering tot nakoming in een vordering tot schadevergoeding. Verder blijft de pandgever bevoegd tot ontbinding en beëindiging van de overeenkomst waaruit de vordering voortspruit, hetgeen eveneens gevolgen voor de vordering heeft of kan hebben.”

    Gelet op het gesloten systeem van het goederenrecht kunnen pandgever en pandhouder daar ook geen andersluidende afspraken over maken waardoor de pandhouder wel meer bevoegdheden zou krijgen. Het Hof overwoog:

    “Uit dit arrest van de Hoge Raad <MdV: Imune Age/Neo River> volgt dat deze wettelijke regeling berust op een bewuste keuze van de wetgever, waaraan ten grondslag ligt dat de genoemde bevoegdheden bij de pandgever behoren te blijven, omdat deze zijn rechten en belangen diepgaand treffen en de pandhouder slechts in het verpande is geïnteresseerd, voor zover dit hem verhaal voor zijn vordering waarborgt.

    De pandgever kan immers groot belang erbij hebben om in de verhouding tot zijn schuldenaar of contractuele wederpartij bedoelde bevoegdheden te kunnen uitoefenen en daarvoor niet afhankelijk te zijn van de toestemming van de pandhouder of een machtiging van de kantonrechter (vgl. artikel 3:246 lid 4 BW).

    De wetgever heeft de pandhouder voldoende beschermd geacht tegen benadeling in het belang dat hij bij het verpande heeft door de mogelijkheid de desbetreffende rechtshandeling te vernietigen op de voet van artikel 3:45 BW.”

    Op grond hiervan oordeelde het Hof dat het geheel terzijde stellen van MFE niet paste binnen dit systeem van de wet.

    Wettelijke regels inzake schorsing en hervatting van het geding

    De procesfinancier wilde zich in de procedure in hoger beroep in de plaats stellen van MFE door middel van een akte tot schorsing ex art. 225 lid 1 Rv. sub c. Zij stelde, dat de rechtsbetrekkingen tussen MFE en Stibbe door de mededeling van het pandrecht waren opgehouden te bestaan, en dat deze waren overgegaan op haar.

    Art. 225 lid 1 Rv. sub c luidt:

    “Gronden voor schorsing van het geding zijn:

    c. het ophouden van de betrekkingen waarin een partij het geding voerde, hetzij ten gevolge van rechtsopvolging onder algemene titel op een ander, hetzij door een andere oorzaak.”

    De Hoge Raad overwoog over het beroep van de procesfinancier op deze bepaling als volgt (r.o. 3.1.3 slotzin):

    “Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 225 Rv, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-generaal onder 3.19-3.20, blijkt dat onder deze schorsingsgrond mede het geval van rechtsopvolging onder bijzondere titel is begrepen.”

    Onder rechtsopvolging onder bijzondere titel is ook verpanding te verstaan. Maar of de oorspronkelijke procespartij hierbij steeds geheel terzijde geschoven kan worden is maar de vraag. De Hoge Raad overwoog hierover (r.o. 3.1.4):

    “In geval van rechtsopvolging onder bijzondere titel kan de oorspronkelijke procespartij belang erbij hebben om partij in het geding te blijven. Gelet hierop moet worden aangenomen dat schorsing en hervatting van het geding op de grond dat sprake is van rechtsopvolging onder bijzondere titel (art. 225 lid 1, aanhef en onder c, Rv in verbinding met art. 227 Rv) niet mogelijk is indien de oorspronkelijke procespartij zich ertegen verzet dat zij als partij uit het geding verdwijnt. In dat geval wordt het geding voortgezet op naam van de oorspronkelijke partij (art. 225 lid 2, tweede volzin, Rv.).”

    De Hoge Raad verwijst voor de situatie waarin de oorspronkelijke procespartij er belang bij kan hebben procespartij te blijven naar HR 6 januari 1967 (indeplaatsstelling na cessie).

    Oplossing voor de derde-belanghebbende (zoals hier de procesfinancier) kan zijn om via tussenkomst of voeging deel uit te gaan maken van de procedure. De rechtsopvolger onder bijzondere titel kan desgewenst, indien aan de voorwaarden van art. 217 Rv is voldaan, door middel van een incidentele vordering tot voeging of tussenkomst naast de oorspronkelijke partij als partij tot het geding toetreden.

    Conclusie: combinatie van de regels van pandrecht en die van schorsing en hervatting

    De Hoge Raad komt dan ook tot de slotsom, dat de procesfinancier door het Hof terecht niet tot de procedure werd toegelaten om daarmee MFE terzijde te schuiven. De Raad overwoog (r.o. 3.1.5, 2e alinea):

    “Indien voorafgaand aan de mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar reeds een procedure aanhangig is gemaakt waarin de pandgever nakoming van de verpande vordering door de schuldenaar vordert, moet de overgang ingevolge art. 3:246 lid 1 BW van de inningsbevoegdheid op de pandhouder voor de toepassing van art. 225 lid 1, aanhef en onder c, Rv op een lijn worden gesteld met een rechtsovergang onder bijzondere titel.

    De pandhouder op wie de inningsbevoegdheid ter zake van de verpande vordering is overgegaan, kan dus op de voet van de art. 225 en 227 Rv het geding in de plaats van de pandgever voortzetten, tenzij de pandgever zich daartegen verzet.”

    Overname van de procedure door de pandhouder op grond van art. 3:246 lid 1 B.W. is dus wel mogelijk, maar niet als de pandgever zich daartegen verzet omdat hij er belang bij heeft om voor zijn rechtsbetrekkingen met de wederpartij op te komen. Dan is schorsing en indeplaatsstelling op de voet van art. 225 lid 1 aanhef en sub c Rv. en art. 227 Rv. dus niet mogelijk.

    Auteur & Last edit

    MdV, 8-04-2024

    Uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:217

    Hoge Raad

    9-02-2024

    Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

    Pagina inhoud

      HR 9 februari 2024 (procesfinancier/MFE c.s.)

      Niet alle bevoegdheden van de pandgever gaan na mededeling van het pandrecht over op de pandhouder

      Al in het arrest HR 14 februari 2014 (Imune Age/Neo River) heeft de Hoge Raad uitgemaakt, dat bij de vestiging van een beperkt recht op een vordering – zoals pandrecht – niet alle schuldeisersbevoegdheden van de eigenaar van de vordering overgaan op de pandhouder.

      De pandhouder wordt conform art. 3:246 lid 1 B.W. en art. 3:246 lid 2 B.W. na de mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar van de vordering (slechts) bevoegd tot inning en opzegging. Zie ook de pagina Pandrecht.

      In dit arrest HR 9 februari 2024 (procesfinancier/MFE) gaat de Hoge Raad in op de strekking van Imune Age/Neo River in de situatie waarin de pandhouder de pandgever in een procedure tegen de debiteur van de verpande vordering terzijde wil schuiven via schorsing van de procedure en overname daarvan.

      Feiten van HR 9 februari 2024 (procesfinancier/MFE c.s.)

      In deze zaak had Mark Four Enterprises B.V. (MFE) het advocatenkantoor Stibbe ingeschakeld om een vordering geldend te maken tegen een derde partij wegens afgebroken onderhandelingen. Die procedure liep verkeerd af, waarna MFE een procedure tegen Stibbe begon waarin zij schadevergoeding vorderde en terugbetaling van reeds betaalde declaraties. Voor het voeren van deze procedure had zij een overeenkomst gesloten met een procesfinancier. Tot zekerheid van deze financiering had de procesfinancier een stil pandrecht op de vordering op Stibbe bedongen.

      Centrale vraag in cassatie: kan de pandhouder na openbaar maken van het pandrecht de procedure van de pandgever overnemen?

      De vraag die in deze procedure bij de Hoge Raad aan de orde was, was of de pandhouder (de procesfinancier) de procedure van de pandgever (MFE) tegen Stibbe kon overnemen na mededeling van het stille pandrecht. De procesfinancier wilde dit doen door schorsing van de procedure (inmiddels in hoger beroep) op de voet van art. 225 lid 1 Rv. en aansluitend hervatting daarvan met haar als appellante.

      De bepaling waar het hier om draaide – wat betreft het pandrecht – was  art. 3:246 lid 1 B.W., dat luidt:

      “Rust het pandrecht op een vordering, dan is de pandhouder bevoegd in en buiten rechte nakoming daarvan te eisen en betalingen in ontvangst te nemen.

      Deze bevoegdheden blijven bij de pandgever, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld.”

      De wet bepaalt dus, dat – na openbaar maken van het pandrecht door mededeling daarvan aan de debiteur van de verpande vordering – de bevoegdheid om in en buiten rechte nakoming te eisen van de verpande vordering en terzake daarvan betalingen in ontvangst te nemen overgaat op de pandhouder.

      Degene bij wie deze bevoegdheid berust, is krachtens art. 3:246 lid 2 B.W. ook bevoegd tot het opeisbaar maken van de vordering door opzegging daarvan. Blijkens het arrest HR 14 februari 2014 (Imune Age/Neo River) gaan de bevoegdheden van de pandhouder echter niet verder dan dat. Het Hof verwoordde de strekking van Imune Age/Neo River in de zaak van MFE als volgt:

      “De wet kent aan de pandhouder geen andere dan de hiervoor genoemde schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering toe, zodat moet worden aangenomen dat andere bevoegdheden bij de pandgever blijven rusten.

      De pandgever blijft bevoegd handelingen te verrichten zoals het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en het omzetten van de vordering tot nakoming in een vordering tot schadevergoeding. Verder blijft de pandgever bevoegd tot ontbinding en beëindiging van de overeenkomst waaruit de vordering voortspruit, hetgeen eveneens gevolgen voor de vordering heeft of kan hebben.”

      Gelet op het gesloten systeem van het goederenrecht kunnen pandgever en pandhouder daar ook geen andersluidende afspraken over maken waardoor de pandhouder wel meer bevoegdheden zou krijgen. Het Hof overwoog:

      “Uit dit arrest van de Hoge Raad <MdV: Imune Age/Neo River> volgt dat deze wettelijke regeling berust op een bewuste keuze van de wetgever, waaraan ten grondslag ligt dat de genoemde bevoegdheden bij de pandgever behoren te blijven, omdat deze zijn rechten en belangen diepgaand treffen en de pandhouder slechts in het verpande is geïnteresseerd, voor zover dit hem verhaal voor zijn vordering waarborgt.

      De pandgever kan immers groot belang erbij hebben om in de verhouding tot zijn schuldenaar of contractuele wederpartij bedoelde bevoegdheden te kunnen uitoefenen en daarvoor niet afhankelijk te zijn van de toestemming van de pandhouder of een machtiging van de kantonrechter (vgl. artikel 3:246 lid 4 BW).

      De wetgever heeft de pandhouder voldoende beschermd geacht tegen benadeling in het belang dat hij bij het verpande heeft door de mogelijkheid de desbetreffende rechtshandeling te vernietigen op de voet van artikel 3:45 BW.”

      Op grond hiervan oordeelde het Hof dat het geheel terzijde stellen van MFE niet paste binnen dit systeem van de wet.

      Wettelijke regels inzake schorsing en hervatting van het geding

      De procesfinancier wilde zich in de procedure in hoger beroep in de plaats stellen van MFE door middel van een akte tot schorsing ex art. 225 lid 1 Rv. sub c. Zij stelde, dat de rechtsbetrekkingen tussen MFE en Stibbe door de mededeling van het pandrecht waren opgehouden te bestaan, en dat deze waren overgegaan op haar.

      Art. 225 lid 1 Rv. sub c luidt:

      “Gronden voor schorsing van het geding zijn:

      c. het ophouden van de betrekkingen waarin een partij het geding voerde, hetzij ten gevolge van rechtsopvolging onder algemene titel op een ander, hetzij door een andere oorzaak.”

      De Hoge Raad overwoog over het beroep van de procesfinancier op deze bepaling als volgt (r.o. 3.1.3 slotzin):

      “Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 225 Rv, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-generaal onder 3.19-3.20, blijkt dat onder deze schorsingsgrond mede het geval van rechtsopvolging onder bijzondere titel is begrepen.”

      Onder rechtsopvolging onder bijzondere titel is ook verpanding te verstaan. Maar of de oorspronkelijke procespartij hierbij steeds geheel terzijde geschoven kan worden is maar de vraag. De Hoge Raad overwoog hierover (r.o. 3.1.4):

      “In geval van rechtsopvolging onder bijzondere titel kan de oorspronkelijke procespartij belang erbij hebben om partij in het geding te blijven. Gelet hierop moet worden aangenomen dat schorsing en hervatting van het geding op de grond dat sprake is van rechtsopvolging onder bijzondere titel (art. 225 lid 1, aanhef en onder c, Rv in verbinding met art. 227 Rv) niet mogelijk is indien de oorspronkelijke procespartij zich ertegen verzet dat zij als partij uit het geding verdwijnt. In dat geval wordt het geding voortgezet op naam van de oorspronkelijke partij (art. 225 lid 2, tweede volzin, Rv.).”

      De Hoge Raad verwijst voor de situatie waarin de oorspronkelijke procespartij er belang bij kan hebben procespartij te blijven naar HR 6 januari 1967 (indeplaatsstelling na cessie).

      Oplossing voor de derde-belanghebbende (zoals hier de procesfinancier) kan zijn om via tussenkomst of voeging deel uit te gaan maken van de procedure. De rechtsopvolger onder bijzondere titel kan desgewenst, indien aan de voorwaarden van art. 217 Rv is voldaan, door middel van een incidentele vordering tot voeging of tussenkomst naast de oorspronkelijke partij als partij tot het geding toetreden.

      Conclusie: combinatie van de regels van pandrecht en die van schorsing en hervatting

      De Hoge Raad komt dan ook tot de slotsom, dat de procesfinancier door het Hof terecht niet tot de procedure werd toegelaten om daarmee MFE terzijde te schuiven. De Raad overwoog (r.o. 3.1.5, 2e alinea):

      “Indien voorafgaand aan de mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar reeds een procedure aanhangig is gemaakt waarin de pandgever nakoming van de verpande vordering door de schuldenaar vordert, moet de overgang ingevolge art. 3:246 lid 1 BW van de inningsbevoegdheid op de pandhouder voor de toepassing van art. 225 lid 1, aanhef en onder c, Rv op een lijn worden gesteld met een rechtsovergang onder bijzondere titel.

      De pandhouder op wie de inningsbevoegdheid ter zake van de verpande vordering is overgegaan, kan dus op de voet van de art. 225 en 227 Rv het geding in de plaats van de pandgever voortzetten, tenzij de pandgever zich daartegen verzet.”

      Overname van de procedure door de pandhouder op grond van art. 3:246 lid 1 B.W. is dus wel mogelijk, maar niet als de pandgever zich daartegen verzet omdat hij er belang bij heeft om voor zijn rechtsbetrekkingen met de wederpartij op te komen. Dan is schorsing en indeplaatsstelling op de voet van art. 225 lid 1 aanhef en sub c Rv. en art. 227 Rv. dus niet mogelijk.

      Auteur & Last edit

      MdV, 8-04-2024

      Uitspraak

      ECLI:NL:HR:2024:217

      Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

      Zoeken binnen de kennisbank

      Lawyrup, jouw gratis kennisbank over burgerlijk (proces)recht!