Prorogatie (Titel 6, Boek 1 Rv.)

Inleiding prorogatie van rechtspraak aan het Gerechtshof

Titel 6 Boek 1 Rv., dat de zgn. “prorogatie” behandelt, omvat slechts 3 artikelen. Prorogatie houdt strikt genomen in, dat partijen ervoor kiezen een andere instantie hun geschil te laten behandelen dan welke volgens de normale procesregels daarvoor is aangewezen.

Bij prorogatie in de zin van Titel 6, Boek 1 Rv. kiezen partijen ervoor om de normale 1e feitelijke instantie (de rechtbank) over te slaan, en de procedure meteen voor het Gerechtshof als 1e feitelijke instantie te brengen. Het Hof is dan ook meteen de enige feitelijke instantie, en de procedure kent dan in afwijking van de normale regels maar twee instanties. De volledige procedure is dan wel sneller afgerond.

Daarnaast bestaat er nog de zgn. “omgekeerde prorogatie”: de keuze van partijen om hun geschil ex art. 96 Rv. te laten beslechten door de Kantonrechter.

Een procedure omvat normaal gesproken drie fasen: twee “feitelijke” instanties, de eerste instantie bij rechtbank en het hoger beroep bij het Gerechtshof (kortweg ook wel Hof genoemd). En tot slot de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad.

In een procedure stellen partijen vorderingen in gebaseerd op voor de procedure relevante feiten, die worden geplaatst in het kader van rechtsgronden, die uitmonden in een vordering. Relevant zijn alle feiten, die volgens de rechtsgrond (de materiële rechtsregel) tot een bepaald gevolg leiden waar een vordering in de procedure op kan worden gebaseerd. Bij voorbeeld bij een aanrijding stelt de eisende partij dat er een aanrijding heeft plaatsgevonden, waarbij schade is ontstaan, en dat dit de schuld van de gedaagde is. De rechtsgrond voor de vordering tot schadevergoeding is dan onrechtmatige daad.

Feitelijke instantie

In de feitelijke instanties kunnen partijen hun standpunten uiteenzetten en het gerecht ook onderzoek laten doen (bvb. door getuigenverhoor) – en beslissingen laten nemen – over de voor het geding van belang zijnde feiten. In cassatie kan dat niet: de Hoge Raad oordeelt alleen over de juiste toepassing van het recht, uitgaande van de door de lagere rechters vastgestelde feiten.

De feitelijke instanties zijn dus wel van belang. Het is nuttig dat er in twee feitelijke instanties geprocedeerd kan worden, omdat het debat tussen partijen zich meestal ontwikkelt, en in hoger beroep een eerder gekozen grondslag nog kan worden aangepakt en andere feiten daarbij aan de orde kunnen komen.

Overeenkomst tot prorogatie

Omdat niemand tegen zijn wil van de rechter kan worden afgehouden, die normaal gesproken bevoegd zou zijn, is voor prorogatie een overeenkomst tussen partijen nodig om een feitelijke instantie over te slaan en de zaak meteen bij het Gerechtshof aan te brengen (art. 329 Rv.). Voorwaarde is wel dat deze keuze “ter vrije beschikking van partijen” staat.

Prorogatie ligt met name voor de hand, als partijen een principiële rechtsvraag beantwoord willen hebben, terwijl de feiten niet ingewikkeld zijn. Wanneer men er bij het Hof niet uitkomt, kan zo nodig meteen worden doorgepakt naar cassatie. Een andere methode om dit doel te bereiken is wel starten bij de rechtbank, maar vervolgens sprongcassatie instellen. Is het echter een betrekkelijk klein belang of een “aardzaak” waarin de Kantonrechter bevoegd is, dan zou men kunnen vrezen dat een Kantonrechter als unus iudex een te willekeurige beslissing zou kunnen nemen terwijl van het Hof meer rechtskundige diepgang verwacht wordt. Een voorbeeld is wellicht HR 28 januari 2000 (Hospitaal Televisie Service/Dienst Omroepbijdragen).

Het is ook mogelijk een partij, die eerder niet in de procedure betrokken was, in hoger beroep bij weg van prorogatie alsnog daarbij te betrekken – uiteraard als deze daaraan wil meewerken. Zie  HR 18 oktober 2002 (Buter q.q./N.V. Besix).

Voogden, bewindvoerders en curatoren

In art. 330 Rv. is bepaald dat ook zij een overeenkomst tot prorogatie kunnen sluiten, mits met inachtneming van de voor hen geldende regels. Dit met name vanwege het toezicht op de door hen behartigde belangen. Een faillissementscurator zal bvb. fiat R-C moeten hebben.

Procesregels 1e instantie toepasselijk

In procedures die bij prorogatie door het Hof worden beoordeeld, gelden de procesregels van de rechtbank (art. 331 lid 1 Rv.). Uit de aard der zaak is de uitspraak van het Hof de uitspraak in “hoogste ressort”, voor wat betreft de feitelijke instantie.

Rechtspraak

HR 18 oktober 2002 (Buter q.q./N.V. Besix) – voorbeeld van prorogatie m.b.t. een in 1e instantie niet in de procedure betrokken partij

HR 28 januari 2000 (Hospitaal Televisie Service/Dienst Omroepbijdragen) – voorbeeld van principiële vraag voorgelegd door prorogatie

Andere relevante pagina’s

Civiele procedure (Boek 1 Rv.)

Algemene bepalingen procesrecht (Titel 1, Boek 1 Rv.)

Dagvaardingsprocedures (Titel 2, Boek 1 Rv.)

Verzoekschriftprocedures (Titel 3, Boek 1 Rv.)

Prorogatie (Titel 6, Boek 1 Rv.)

Hoger beroep (Titel 7, Boek 1 Rv.)

Verzet door derden (Titel 9, Boek 1 Rv.)

Herroeping van vonnissen (Titel 10, Boek 1 Rv.)

Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad (Titel 10A, Boek 1 Rv.)

NB de links naar de wettekst op deze pagina verwijzen naar de versie voor niet-digitaal procederen.

[MdV, 21-07-2018; bijgewerkt 22-10-2018]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.