Pagina inhoud

    Hof Amsterdam 10 november 2020 (DJ Van Dyk/Alda Events)

    Feiten van Hof Amsterdam 10 november 2020 (Van Dyk/Arda)

    In de zaak Hof Amsterdam 10 november 2020 (DJ Van Dyk/Alda Events) had Arda Events B.V. de Duitse DJ Paul van Dyk had ingehuurd om op te treden op het door DJ Armin van Buren georganiseerde State of Trance Festival in Utrecht op 27 en 28 februari 2016. Partijen hadden – via algemene voorwaarden – in de overeenkomst een arbitragebeding opgenomen, waarin werd afgesproken dat het recht van de Staat Californië op de overeenkomst van toepassing was en dat geschillen zouden worden voorgelegd aan arbiters in Los Angeles, volgens de regels van de American Arbitration Association.

    Op 28 februari viel DJ Van Dyk enkele meters naar beneden, doordat hij op DJ tafel was gaan staan en naar voren stapte op een zwart oppervlak, dat een zwart doek bleek te zijn. Vervolgens vorderde de productiemaatschappij van Van Dyk schadevergoeding van Alda Events in een procedure bij een scheidsgerecht in Californië. Die wees aan Van Dyk voor materiële schade een bedrag van ca. 5,7 mio USD toe en voor immateriële schade 5,5 mio USD. Vervolgens verzochten Van Dyk en zijn Duitse productiemaatschappij erkenning en tenuitvoerlegging van de Californische arbitrale uitspraak in Nederland.

    Verweer Alda tegen executie Californisch arbitraal vonnis

    Alda Events verweerde zich tegen die erkenning en tenuitvoerlegging, omdat uit de overeenkomst volgens haar niet duidelijk genoeg bleek, dat Van Dyk zelf ook partij bij die overeenkomst was. De ondertekening was zeg maar rommelig, hoewel zijn naam wel in het contract stond. De arbiter in Californië had dit verweer kennelijk gepasseerd en beslist dat Van Dyk ook partij was en dus aanspraak kon maken op schadevergoeding wegens het hem overkomen letsel, en gevolgschade (onder meer 2 mio USD inkomstenderving).

    Strijd met Nederlandse openbare orde wegens hoogte letselschade?

    Volgens Alda kon het arbitrale vonnis in Nederland niet erkend worden, omdat dit in strijd zou komen met de openbare orde. De beslissing zou strijdig zijn met art. 6 EVRM, waarin burgers de waarborg wordt gegeven dat geschillen door een overheidsrechter beslecht worden en hen dat niet kan worden onthouden. Van Dyk (althans zijn diensten) waren volgens haar slechts ‘voorwerp’ van de overeenkomst, maar hij was volgens Alda geen partij. Daarnaast klaagt Alda, dat de toegewezen – naar Nederlandse maatstaven zeer hoge – immateriële schadevergoeding ook te zeer in strijd komt met de Nederlandse rechtsorde.

    De P-G citeert de klachten van Alda aldus:

    “Dat aan Van Dyk (en anderen) in de Overeenkomst zekere rechten worden toegekend, maakt niet dat hij partij is geworden bij de Overeenkomst, en al helemaal niet dat hij, zoals artikel 6 EVRM vereist, ondubbelzinnig met arbitrage en daarmee met afstand van het recht op toegang tot de bij de wet ingestelde gerechten heeft ingestemd. Nu ten aanzien van Van Dyk een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt, doet zich de weigeringsgrond van artikel 1076 lid 1 onder Aa Rv dan wel die van artikel V(1)(a) van het Verdrag van New York voor, aldus Alda in haar verweerschrift. Dat de arbiter heeft geoordeeld dat Van Dyk partij was bij de arbitrageovereenkomst hoewel hij noch de Overeenkomst noch de arbitrageovereenkomst heeft getekend, maakt de erkenning en tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis tevens strijdig met de (Nederlandse) openbare orde, zo voegde Alda hier bij de (eerste) mondelinge behandeling aan toe.

    Erkenning en uitvoerbaarverklaring van het arbitrale vonnis is volgens Alda bovendien strijdig met de Nederlandse openbare orde omdat de toegewezen schadevergoeding voor bijna de helft uit zuiver punitieve schadevergoeding bestaat, althans een excessieve vorm van immateriële schadevergoeding inhoudt.”

    Oordeel Hof: Californisch arbitraal vonnis niet in strijd met Nederlandse openbare orde, ook niet wegens hoge letselschade vergoeding

    Het Hof wijst deze verweren van Alda van de hand, overwegend dat het begrip ‘openbare orde’ in de zin van artikel 1076 lid 1 B Rv restrictief dient te worden opgevat, zo blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit wetsartikel. En voorts dat artikel 1076 lid 1 Aa Rv bij overnemen van de opvatting van Alda betekenisloos zou zijn, nu dat artikellid juist voorschrijft dat de geldigheid van het arbitraal beding beoordeeld moet worden naar het recht van het land dat op de arbitrageovereenkomst van toepassing is. Ook dat noopt tot een restrictieve uitleg van het begrip ‘openbare orde’ in de zin van artikel 1076 lid 1 B Rv. Het beroep van Alda op strijd met de (Nederlandse) openbare orde in dit opzicht faalt daarom. Het Hof is ook nagegaan, of de toetsing van het arbitragebeding door de Californische arbiter gemotiveerd was, en Van Dyk had ook nog een legal opinion overgelegd waaruit de juistheid van dat oordeel bleek. Daartegen had Alda geen onderbouwd verweer gevoerd, zodat verder (deskundigen)bewijs niet werd toegelaten.

    Ook het verweer van Alda ten aanzien van strijd van de immateriële schadevergoeding met de Nederlandse openbare orde treft geen doel. Hiervoor gelden vergelijkbare argumenten als voor de vorige klacht. De restrictieve uitleg van art. 1076 lid 1 B Rv. staat aan die toets in de weg. Ook al is dit een veel hogere vergoeding dan in Nederland zou zijn toegewezen maakt dit niet strijdig met de Nederlandse openbare orde. Het Hof ziet ook niet, dat de Californische rechter naast schadevergoeding ook ‘punitive damages’ zou hebben toegewezen.

    Beoordeling in cassatie van Van Dyk/Alda

    In de conclusie van de P-G mr. D.J. Drijber van 12 november 2021 worden de klachten van Alda besproken, en concludeert de P-G tot verwerping. Dit advies heeft de Hoge Raad gevolgd. Het ingewikkelde aan het verweer van Alda was onder meer, dat de erkenning door Van Dyk zelf van het arbitragebeding niet vaststond. In het licht van het feit dat Van Dyk de arbitrage zelf aanhangig gemaakt had was dit lastig staande te houden. Doorgaans wordt het verschijnen voor een gerecht opgevat als het prijsgeven van het verweer van onbevoegdheid van dat gerecht, zo ook hier.

    Deze uitspraak komt ter sprake op de pagina Arbitrage buiten Nederland.

    [MdV, 24-09-2023]

    Uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2020:3094

    Gerechtshof Amsterdam

    10 november 2020

    Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

    Pagina inhoud

      Hof Amsterdam 10 november 2020 (DJ Van Dyk/Alda Events)

      Feiten van Hof Amsterdam 10 november 2020 (Van Dyk/Arda)

      In de zaak Hof Amsterdam 10 november 2020 (DJ Van Dyk/Alda Events) had Arda Events B.V. de Duitse DJ Paul van Dyk had ingehuurd om op te treden op het door DJ Armin van Buren georganiseerde State of Trance Festival in Utrecht op 27 en 28 februari 2016. Partijen hadden – via algemene voorwaarden – in de overeenkomst een arbitragebeding opgenomen, waarin werd afgesproken dat het recht van de Staat Californië op de overeenkomst van toepassing was en dat geschillen zouden worden voorgelegd aan arbiters in Los Angeles, volgens de regels van de American Arbitration Association.

      Op 28 februari viel DJ Van Dyk enkele meters naar beneden, doordat hij op DJ tafel was gaan staan en naar voren stapte op een zwart oppervlak, dat een zwart doek bleek te zijn. Vervolgens vorderde de productiemaatschappij van Van Dyk schadevergoeding van Alda Events in een procedure bij een scheidsgerecht in Californië. Die wees aan Van Dyk voor materiële schade een bedrag van ca. 5,7 mio USD toe en voor immateriële schade 5,5 mio USD. Vervolgens verzochten Van Dyk en zijn Duitse productiemaatschappij erkenning en tenuitvoerlegging van de Californische arbitrale uitspraak in Nederland.

      Verweer Alda tegen executie Californisch arbitraal vonnis

      Alda Events verweerde zich tegen die erkenning en tenuitvoerlegging, omdat uit de overeenkomst volgens haar niet duidelijk genoeg bleek, dat Van Dyk zelf ook partij bij die overeenkomst was. De ondertekening was zeg maar rommelig, hoewel zijn naam wel in het contract stond. De arbiter in Californië had dit verweer kennelijk gepasseerd en beslist dat Van Dyk ook partij was en dus aanspraak kon maken op schadevergoeding wegens het hem overkomen letsel, en gevolgschade (onder meer 2 mio USD inkomstenderving).

      Strijd met Nederlandse openbare orde wegens hoogte letselschade?

      Volgens Alda kon het arbitrale vonnis in Nederland niet erkend worden, omdat dit in strijd zou komen met de openbare orde. De beslissing zou strijdig zijn met art. 6 EVRM, waarin burgers de waarborg wordt gegeven dat geschillen door een overheidsrechter beslecht worden en hen dat niet kan worden onthouden. Van Dyk (althans zijn diensten) waren volgens haar slechts ‘voorwerp’ van de overeenkomst, maar hij was volgens Alda geen partij. Daarnaast klaagt Alda, dat de toegewezen – naar Nederlandse maatstaven zeer hoge – immateriële schadevergoeding ook te zeer in strijd komt met de Nederlandse rechtsorde.

      De P-G citeert de klachten van Alda aldus:

      “Dat aan Van Dyk (en anderen) in de Overeenkomst zekere rechten worden toegekend, maakt niet dat hij partij is geworden bij de Overeenkomst, en al helemaal niet dat hij, zoals artikel 6 EVRM vereist, ondubbelzinnig met arbitrage en daarmee met afstand van het recht op toegang tot de bij de wet ingestelde gerechten heeft ingestemd. Nu ten aanzien van Van Dyk een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt, doet zich de weigeringsgrond van artikel 1076 lid 1 onder Aa Rv dan wel die van artikel V(1)(a) van het Verdrag van New York voor, aldus Alda in haar verweerschrift. Dat de arbiter heeft geoordeeld dat Van Dyk partij was bij de arbitrageovereenkomst hoewel hij noch de Overeenkomst noch de arbitrageovereenkomst heeft getekend, maakt de erkenning en tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis tevens strijdig met de (Nederlandse) openbare orde, zo voegde Alda hier bij de (eerste) mondelinge behandeling aan toe.

      Erkenning en uitvoerbaarverklaring van het arbitrale vonnis is volgens Alda bovendien strijdig met de Nederlandse openbare orde omdat de toegewezen schadevergoeding voor bijna de helft uit zuiver punitieve schadevergoeding bestaat, althans een excessieve vorm van immateriële schadevergoeding inhoudt.”

      Oordeel Hof: Californisch arbitraal vonnis niet in strijd met Nederlandse openbare orde, ook niet wegens hoge letselschade vergoeding

      Het Hof wijst deze verweren van Alda van de hand, overwegend dat het begrip ‘openbare orde’ in de zin van artikel 1076 lid 1 B Rv restrictief dient te worden opgevat, zo blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit wetsartikel. En voorts dat artikel 1076 lid 1 Aa Rv bij overnemen van de opvatting van Alda betekenisloos zou zijn, nu dat artikellid juist voorschrijft dat de geldigheid van het arbitraal beding beoordeeld moet worden naar het recht van het land dat op de arbitrageovereenkomst van toepassing is. Ook dat noopt tot een restrictieve uitleg van het begrip ‘openbare orde’ in de zin van artikel 1076 lid 1 B Rv. Het beroep van Alda op strijd met de (Nederlandse) openbare orde in dit opzicht faalt daarom. Het Hof is ook nagegaan, of de toetsing van het arbitragebeding door de Californische arbiter gemotiveerd was, en Van Dyk had ook nog een legal opinion overgelegd waaruit de juistheid van dat oordeel bleek. Daartegen had Alda geen onderbouwd verweer gevoerd, zodat verder (deskundigen)bewijs niet werd toegelaten.

      Ook het verweer van Alda ten aanzien van strijd van de immateriële schadevergoeding met de Nederlandse openbare orde treft geen doel. Hiervoor gelden vergelijkbare argumenten als voor de vorige klacht. De restrictieve uitleg van art. 1076 lid 1 B Rv. staat aan die toets in de weg. Ook al is dit een veel hogere vergoeding dan in Nederland zou zijn toegewezen maakt dit niet strijdig met de Nederlandse openbare orde. Het Hof ziet ook niet, dat de Californische rechter naast schadevergoeding ook ‘punitive damages’ zou hebben toegewezen.

      Beoordeling in cassatie van Van Dyk/Alda

      In de conclusie van de P-G mr. D.J. Drijber van 12 november 2021 worden de klachten van Alda besproken, en concludeert de P-G tot verwerping. Dit advies heeft de Hoge Raad gevolgd. Het ingewikkelde aan het verweer van Alda was onder meer, dat de erkenning door Van Dyk zelf van het arbitragebeding niet vaststond. In het licht van het feit dat Van Dyk de arbitrage zelf aanhangig gemaakt had was dit lastig staande te houden. Doorgaans wordt het verschijnen voor een gerecht opgevat als het prijsgeven van het verweer van onbevoegdheid van dat gerecht, zo ook hier.

      Deze uitspraak komt ter sprake op de pagina Arbitrage buiten Nederland.

      [MdV, 24-09-2023]

      Uitspraak

      ECLI:NL:GHAMS:2020:3094

      Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

      Zoeken binnen de kennisbank

      Lawyrup, jouw gratis kennisbank over burgerlijk (proces)recht!