Pagina inhoud

    PHR 26 juni 2020 (Erven Franz Koenigs/Museum Boymans Van Beuningen)

    De conclusie van de P-G PHR 26 juni 2020 (Erven Franz Koenigs/Museum Boymans Van Beuningen) is verhelderend voor de logische juridische argumentatie, die komt kijken bij de beoordeling van de toe te passen systematiek voor stellen en bewijzen. Van belang is allereerst de vraag: wat is precies de stelling van de eisende partij? Die stelling moet de eiser bewijzen. De gedaagde kan volstaan met een aannemelijke weerlegging. De P-G duidt dit aan met het verschil tussen “nee, want” en “ja, maar”. Als de verweerder met een “ja, maar” verweer komt, dan verspringt de bewijsplicht naar de kant van de verweerder, zo kun je uit die uitleg van de P-G afleiden.

    Feiten van PHR 26 juni 2020 (Erven Franz Koenigs/Boymans Van Beuningen)

    De casuspositie was als volgt. Franz Koenigs was een kunstverzamelaar, die een verzameling schilderijen en tekeningen aan het museum Boymans in Rotterdam in bruikleen had gegeven. Destijds was de naam van Van Beuningen – die in deze casus wel een rol speelt – nog geen onderdeel van de naam van het museum. Het museum was een gemeentelijk museum van de gemeente Rotterdam, en viel onder een “Dienst” van de gemeente. Later is dit verzelfstandigd en is het museum en de collectie ondergebracht in een stichting, in deze procedure één van de verweerders naast de gemeente.

    Koenig was in 1935 een krediet aangegaan bij de Joodse bank Lisser & Rosenkranz, en had daarbij de collectie schilderijen en tekeningen, die in bruikleen waren gegeven aan museum Boymans onder de noemer ‘Collectie Koenig”, aan de bank in onderpand gegeven tot zekerheid. Destijds vond dit plaats door zgn. “fiduciaire eigendomsoverdracht”, waarbij het onderpand in eigendom onder ontbindende voorwaarde van betaling van het krediet overging naar de bank. In 1992 is deze vorm van onderpand bij invoering van het nieuwe B.W. vervangen door het stil pandrecht (zie de pagina Pandrecht).

    Omdat de directie van bank Lisser & Rosenkranz voorzag, dat het de verkeerde kant op ging besloot zij op 2 april 1940 om de bank te liquideren (naar valt aan te nemen om vervolgens een veilig heenkomen te zoeken). Daarom sprak zij met Koenigs af, dat deze zijn krediet afloste door overdracht van de collectie bij wijze van betaling van het krediet. In de procedure werd een brief van Koenigs aan het museum als bewijsstuk aangevoerd, waarin Koenigs het museum laat weten de collectie aan de bank ter betaling te hebben overgedragen, zodat de – volgens die brief – overeenkomst van bruikleen van Koenigs met het museum eindigde.

    Je zou ook kunnen denken: de bruikleen eindigde door deze ‘traditio longa manu’ (zie de pagina Verkrijging en verlies van goederen) niet, maar doordat de bank eigenaar was geworden kon deze de bruikleen wel opzeggen. Zie ook de pagina Bruikleen.

    Vervolgens liet de bank aan het museum weten dat zij de collectie opeiste. Het museum trad – op initiatief van Koenigs mede met bemiddeling van de eveneens Joodse kunsthandelaar Goudstikker – in onderhandeling met de bank, wat leidde tot verkoop van de Collectie Koenigs aan de heer D.G. van Beuningen. Deze verkocht een deel aan Dr. Hans Posse, die destijds in opdracht van Adolf Hitler kunst aankocht ten behoeve van het op te richten Führermuseum te Linz. De overige werken schonk Van Beuningen aan de Stichting Boijmans. Daarmee werd de Collectie Koenigs ervoor behoed ‘roofkunst’ te worden.

    De erfgenamen van Koenigs vorderden een verklaring voor recht dat zij krachtens erfrecht eigenaren van de ‘Collectie Koenigs’ (althans van een aantal boeken met tekeningen) waren geworden, doordat Koenigs de eigendom niet had verloren. Rechtbank en Hof wezen die vordering af, omdat uit de hiervoor beschreven gang van zaken bleek, dat Koenigs de collectie tekeningen had overgedragen aan de bank. De Erven klaagden in cassatie, dat rechtbank en Hof hiermee hadden miskend dat het aan het museum was om te stellen en te bewijzen, dat zij de eigendom hadden verkregen.

    Bewijstechnisch verschil tussen ‘Nee want‘ versus ‘ja maar’

    De P-G legt aan de hand van de vergelijking tussen “nee, want” (weerlegging van de stelling van de eiser, die deze stelling moet bewijzen) en “ja, maar” (erkenning van de stelling van de eiser, met een tegenstelling op grond waarvan de verweerder toch in het gelijk gesteld wordt; de verweerder moet die stelling dan bewijzen). Het museum hoefde niet te bewijzen, dat zij eigenaar was geworden (en hoe dan), zij kon volstaan met de weerlegging van de stelling van de eisers, dat Koenigs eigenaar van de collectie was gebleven. In de redenering dus een schakel eerder.

    De Erven proberen er wat anders van te maken, door te stellen dat de bruikleenovereenkomst niet was geëindigd, en het museum moet bewijzen dat die wel is geëindigd. Dat is echter niet juist: het gaat erom of Koenigs nog eigenaar was. En uit de stukken bleek, dat dit niet het geval was (waarbij enige deductie nodig was omdat de bijlage bij de akte van overdracht ontbrak). De bewijslast lag dus bij de Erven.

    Het ingewikkelde ping-pong spel van stelplicht en bewijsplicht tussen de bruikleengever en de bruiklener, in de situatie waarin de bruikleengever de in bruikleen gegeven zaken weer opeist, wordt door de P-G uiteengezet in overweging 4.17. De bewijsvermoedens omtrent bezit en houderschap werken hier dus in het voordeel van de – niet in deze procedure betrokken – derde (de bank), waardoor de bewijslast ondanks het “ja, maar” verweer van museum Boymans toch niet op haar is komen te rusten.

    Deze uitspraak wordt behandeld op de pagina Algemene bepalingen bewijsrecht.

    [MdV, 18-05-2023]

    Conclusie

    ECLI:NL:PHR:2020:651

    Hoge Raad

    26-06-2020

    Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

    Pagina inhoud

      PHR 26 juni 2020 (Erven Franz Koenigs/Museum Boymans Van Beuningen)

      De conclusie van de P-G PHR 26 juni 2020 (Erven Franz Koenigs/Museum Boymans Van Beuningen) is verhelderend voor de logische juridische argumentatie, die komt kijken bij de beoordeling van de toe te passen systematiek voor stellen en bewijzen. Van belang is allereerst de vraag: wat is precies de stelling van de eisende partij? Die stelling moet de eiser bewijzen. De gedaagde kan volstaan met een aannemelijke weerlegging. De P-G duidt dit aan met het verschil tussen “nee, want” en “ja, maar”. Als de verweerder met een “ja, maar” verweer komt, dan verspringt de bewijsplicht naar de kant van de verweerder, zo kun je uit die uitleg van de P-G afleiden.

      Feiten van PHR 26 juni 2020 (Erven Franz Koenigs/Boymans Van Beuningen)

      De casuspositie was als volgt. Franz Koenigs was een kunstverzamelaar, die een verzameling schilderijen en tekeningen aan het museum Boymans in Rotterdam in bruikleen had gegeven. Destijds was de naam van Van Beuningen – die in deze casus wel een rol speelt – nog geen onderdeel van de naam van het museum. Het museum was een gemeentelijk museum van de gemeente Rotterdam, en viel onder een “Dienst” van de gemeente. Later is dit verzelfstandigd en is het museum en de collectie ondergebracht in een stichting, in deze procedure één van de verweerders naast de gemeente.

      Koenig was in 1935 een krediet aangegaan bij de Joodse bank Lisser & Rosenkranz, en had daarbij de collectie schilderijen en tekeningen, die in bruikleen waren gegeven aan museum Boymans onder de noemer ‘Collectie Koenig”, aan de bank in onderpand gegeven tot zekerheid. Destijds vond dit plaats door zgn. “fiduciaire eigendomsoverdracht”, waarbij het onderpand in eigendom onder ontbindende voorwaarde van betaling van het krediet overging naar de bank. In 1992 is deze vorm van onderpand bij invoering van het nieuwe B.W. vervangen door het stil pandrecht (zie de pagina Pandrecht).

      Omdat de directie van bank Lisser & Rosenkranz voorzag, dat het de verkeerde kant op ging besloot zij op 2 april 1940 om de bank te liquideren (naar valt aan te nemen om vervolgens een veilig heenkomen te zoeken). Daarom sprak zij met Koenigs af, dat deze zijn krediet afloste door overdracht van de collectie bij wijze van betaling van het krediet. In de procedure werd een brief van Koenigs aan het museum als bewijsstuk aangevoerd, waarin Koenigs het museum laat weten de collectie aan de bank ter betaling te hebben overgedragen, zodat de – volgens die brief – overeenkomst van bruikleen van Koenigs met het museum eindigde.

      Je zou ook kunnen denken: de bruikleen eindigde door deze ‘traditio longa manu’ (zie de pagina Verkrijging en verlies van goederen) niet, maar doordat de bank eigenaar was geworden kon deze de bruikleen wel opzeggen. Zie ook de pagina Bruikleen.

      Vervolgens liet de bank aan het museum weten dat zij de collectie opeiste. Het museum trad – op initiatief van Koenigs mede met bemiddeling van de eveneens Joodse kunsthandelaar Goudstikker – in onderhandeling met de bank, wat leidde tot verkoop van de Collectie Koenigs aan de heer D.G. van Beuningen. Deze verkocht een deel aan Dr. Hans Posse, die destijds in opdracht van Adolf Hitler kunst aankocht ten behoeve van het op te richten Führermuseum te Linz. De overige werken schonk Van Beuningen aan de Stichting Boijmans. Daarmee werd de Collectie Koenigs ervoor behoed ‘roofkunst’ te worden.

      De erfgenamen van Koenigs vorderden een verklaring voor recht dat zij krachtens erfrecht eigenaren van de ‘Collectie Koenigs’ (althans van een aantal boeken met tekeningen) waren geworden, doordat Koenigs de eigendom niet had verloren. Rechtbank en Hof wezen die vordering af, omdat uit de hiervoor beschreven gang van zaken bleek, dat Koenigs de collectie tekeningen had overgedragen aan de bank. De Erven klaagden in cassatie, dat rechtbank en Hof hiermee hadden miskend dat het aan het museum was om te stellen en te bewijzen, dat zij de eigendom hadden verkregen.

      Bewijstechnisch verschil tussen ‘Nee want‘ versus ‘ja maar’

      De P-G legt aan de hand van de vergelijking tussen “nee, want” (weerlegging van de stelling van de eiser, die deze stelling moet bewijzen) en “ja, maar” (erkenning van de stelling van de eiser, met een tegenstelling op grond waarvan de verweerder toch in het gelijk gesteld wordt; de verweerder moet die stelling dan bewijzen). Het museum hoefde niet te bewijzen, dat zij eigenaar was geworden (en hoe dan), zij kon volstaan met de weerlegging van de stelling van de eisers, dat Koenigs eigenaar van de collectie was gebleven. In de redenering dus een schakel eerder.

      De Erven proberen er wat anders van te maken, door te stellen dat de bruikleenovereenkomst niet was geëindigd, en het museum moet bewijzen dat die wel is geëindigd. Dat is echter niet juist: het gaat erom of Koenigs nog eigenaar was. En uit de stukken bleek, dat dit niet het geval was (waarbij enige deductie nodig was omdat de bijlage bij de akte van overdracht ontbrak). De bewijslast lag dus bij de Erven.

      Het ingewikkelde ping-pong spel van stelplicht en bewijsplicht tussen de bruikleengever en de bruiklener, in de situatie waarin de bruikleengever de in bruikleen gegeven zaken weer opeist, wordt door de P-G uiteengezet in overweging 4.17. De bewijsvermoedens omtrent bezit en houderschap werken hier dus in het voordeel van de – niet in deze procedure betrokken – derde (de bank), waardoor de bewijslast ondanks het “ja, maar” verweer van museum Boymans toch niet op haar is komen te rusten.

      Deze uitspraak wordt behandeld op de pagina Algemene bepalingen bewijsrecht.

      [MdV, 18-05-2023]

      Conclusie

      ECLI:NL:PHR:2020:651

      Cicero Law Pack software advocaten juridische activiteiten online

      Zoeken binnen de kennisbank

      Lawyrup, jouw gratis kennisbank over burgerlijk (proces)recht!