Pandrecht (Afd. 2, Titel 9, Boek 3 B.W.)

Inleiding pandrecht

De regeling van het pandrecht is nader uitgewerkt in Afd. 2 van Titel 9 Boek 3 B.W. De titel omvat 23 bepalingen (art. 3:236 B.W. tot en met art. 3:258 B.W.).

Wijze van vestigen

De wijze van vestigen van het pandrecht op roerende zaken en op vermogensrechten is uitgewerkt in art. 3:236 B.W. en art. 3:237 B.W.. Zie ook de pagina Verkrijging en verlies van goederen, waar de verschillende wijzen van levering worden behandeld.

Pandrecht op een aandeel in een goed wordt gevestigd op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige gevolgen als voorgeschreven ten aanzien van de vestiging van pandrecht op dat goed (art. 3:240 B.W.).

Pandrecht op roerende zaken; vuistpand

De vestiging van een pandrecht op een roerende zaak (of een recht aan toonder, dat belichaamd is in het toonderpapier) vindt op dezelfde wijze plaats als de wijze waarop dat goed zou worden geleverd om de eigendomsoverdracht daarvan te bewerkstelligen. Het recht op een roerende zaak wordt dan ook conform art. 3:90 B.W. gevestigd door het goed in de macht van de pandnemer te brengen (zgn. “vuistpand”) (art. 3:236 B.W.). Dit geldt ook voor rechten aan toonder of aan order (conform art. 3:93 B.W.). Bij vorderingen aan order is tevens endossement vereist.

Vestiging van pandrecht op goederen niet zijnde roerende zaken of rechten aan toonder of order

De vestiging van pandrecht op andere goederen – niet zijnde onroerend goed, waarvoor de regeling van het hypotheekrecht geldt – vindt plaats op de voor overdracht van die soort goederen bepaalde wijze (lid 2). Naast het pandrecht op roerende zaken is voor de praktijk het belangrijkst het pandrecht op vorderingen. Dit wordt gevestigd op de wijze zoals geldt voor de overdracht van vorderingen, de cessie (art. 3:94 B.W). Die vindt plaats door een authentieke akte of een onderhandse geregistreerde akte, met mededeling van de pandakte aan de schuldenaar van de verpande vordering. We spreken dan van een openbaar pandrecht. Zie ook de pagina Akten en vonnissen over het verschil tussen beide en de wijze waarop een onderhandse akte geregistreerd kan worden.

Bezitloos pandrecht

Alternatief voor het vuistpand op roerende zaken (of rechten aan toonder, of op het vruchtgebruik van de roerende zaak of het recht aan toonder) is het vestigen van een pandrecht door middel van een authentieke akte of een onderhandse geregistreerde akte (art. 3:237 B.W.). Daarbij blijven de zaken in bezit van de pandgever. Deze vorm van pandrecht wordt bezitloos pandrecht genoemd. Deze is volgens de wet niet mogelijk bij een recht aan order.

De pandgever moet in de akte verklaren dat hij tot de verpanding bevoegd is (lid 2). Ook moet hij verklaren dat op het goed geen beperkte rechten rusten, of als die er wel zijn, welke dat zijn.

Wanneer de pandgever – of de schuldenaar – in zijn verplichtingen jegens de pandhouder tekort schiet – of goede reden geeft om te vrezen dat hij tekort zal schieten – kan de pandhouder het verpande goed alsnog opeisen om vuistpand te vestigen (lid 3). Deze bepaling regelt ook de situatie dat er meerdere bezitloze pandhouders zijn en deze de zaak willen opeisen. De pandgever en de schuldenaar hoeven niet dezelfde persoon te zijn. Iemand kan ook een pandrecht verstrekken ten behoeve van een ander, tot zekerheid van diens schuld.

Wanneer het pandrecht bestaat uit een bij voorbaat gevestigd pandrecht op te velde staande vruchten of beplantingen, dan heeft de pandhouder het recht bij tekortschieten van de pandgever – of de schuldenaar – om de vruchten of beplantingen met machtiging van de Kantonrechter zelf in oogsten (lid 4). Hoger beroep daartegen staat niet open (lid 5).

Goede trouw pandhouder

De regeling van art. 3:86 B.W. inzake de bescherming van de derde-verkrijger te goeder trouw is van overeenkomstige toepassing bij pandrecht. Wanneer degeen die een pandrecht op een roerende zaak (of recht aan order of toonder) verkrijgt te goeder trouw is ten tijde van het in bezit krijgen (d.w.z. wanneer het een vuistpand wordt), dan is het pandrecht rechtsgeldig, ook al was de pandgever op het moment van het verlenen daarvan niet beschikkingsbevoegd (art. 3:238 lid 1 B.W.). Het vuistpand kan ook worden gevestigd door het goed in bezit van een derde – ten behoeve van de pandhouder – te brengen.

Lid 2 bepaalt dat de vuistpandhouder zijn later verkregen pandrecht dan ook kan inroepen tegen degeen die een eerder beperkt recht op de zaak heeft verkregen. In die situatie gaat het vuistpand boven het oudere beperkte recht.

Ook de regeling van art. 3:86 lid 3 B.W. met betrekking tot pandrecht op gestolen goed is van overeenkomstige toepassing. Lid 4 maakt een uitzondering voor art. 3:86a B.W. en art. 3:86b B.W..

De regel van verkrijging door diefstal van art. 3:86 B.W. is van overeenkomstige toepassing. Dan trekt de verkrijger in beginsel aan het kortste eind.

Stil pandrecht

Pandrecht op een vorderingsrecht – niet zijnde een recht aan toonder of aan order – kan ook worden gevestigd door middel van een authentieke of gergistreerde onderhandse akte zonder (onmiddellijke) mededeling aan de debiteur (art. 3:239 lid 1 B.W.). Dit kan worden gevestigd op één of meerdere vorderingen tegelijk

Bijzondere voorwaarde van het stille pandrecht op vorderingen is, dat het vorderingsrecht op het tijdstip van de vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding. Ook hierbij moet de pandgever verklaren, dat hij beschikkingsbevoegd is en er geen beperkte rechten op de vorderingen rusten (of anders, welke deze beperkte rechten zijn) (lid 2).

Komt de pandgever – of de schuldenaar – zijn verplichtingen niet na, dan is de pandhouder bevoegd mededeling te doen van het pandrecht aan de schuldenaren van de verpande vorderingen (lid 3). Pandgever en pandhouder kunnen echter overeenkomen dat deze bevoegdheid op een ander tijdstip ingaat.

De bescherming van de pandhouder op grond van art. 3:88 B.W. – tegen beschikkingsonbevoegdheid van de pandgever die voortvloeit uit de ongeldigheid van een eerdere overdracht van het goed, anders dan de onbevoegdheid van de eerdere vervreemder – geldt in dit geval alleen als de pandhouder ten tijde van de mededeling te goeder trouw is (lid 4).

Deze vorm van pandrecht wordt aangeduid als stil pandrecht. In de financieringspraktijk is het pandrecht op alle debiteuren van de pandgever algemeen gebruikelijk.

Rechten en plichten van pandgever en pandhouder

De pandhouder moet aan de pandgever op diens verzoek een schriftelijke verklaring afgeven van de aard en het bedrag van de vordering waarvoor het verpande tot zekerheid strekt (art. 3:241 B.W.). Dit laatste voor zover mogelijk.

De pandhouder mag het verpande goed niet herverpanden, tenzij dit uitdrukkelijk is overeengekomen (art. 3:242 B.W.).

De pandhouder moet goed zorg dragen voor het verpande goed (art. 3:243 lid 1 B.W.). Dit ziet uit de aard der zaak met name op roerende zaken. Als de pandhouder kosten moet maken ter onderhoud of behoud van de verpande zaak, dan komen die voor rekening van de pandgever (lid 2). Dit geldt ook voor aan de zaak verbonden lasten Het pandrecht strekt mede ter dekking van die kosten.

Als degeen die het onderpand in bezit heeft dit ernstig verwaarloost, kunnen zowel de pandgever als de pandhouder bij de rechtbank vorderen, dat de verpande zaak in de macht van één van hen gebracht wordt, of van een door de rechtbank aan te wijzen bewaarder (art. 3:257 B.W.).

Het pandrecht strekt daarnaast mede ter dekking van drie jaar rente over de vordering waarvoor het pandrecht is verstrekt (art. 3:244 B.W.). Van dit beding kunnen partijen afwijken (regelend recht).

Tot het instellen van rechtsvorderingen tegen derden ter bescherming van het pandobject zijn zowel pandgever als pandhouder bevoegd (art. 3:245 B.W.). Voorwaarde is dat de andere betrokkene – de pandhouder c.q. de pandgever – tijdig mede in het geding wordt betrokken (zie ook de pagina Voeging en tussenkomst).

De bevoegdheid tot uitoefening van stemrecht, verbonden aan een goed waarop een pandrecht rust, blijft aan de pandgever toekomen, tenzij anders is bedongen (art. 3:247 B.W.). Het stemrecht op aandelen kan alleen op de pandhouder overgaan indien wordt voldaan aan het bepaalde in de art. 2:89 B.W. (voor de N.V.) en art. 198 B.W. (voor de B.V.). De pandhouder moet voldoen aan de eis, dat de aandelen vrijelijk aan hem zouden kunnen worden overgedragen. Voor de B.V. ziet dit met name op de blokkeringsregeling.

Inningsbevoegdheid van verpande vorderingen

Art. 3:246 lid 1 B.W. bepaalt voor het pandrecht op vorderingen, dat de de pandhouder na mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar van de verpande vordering bevoegd is in en buiten rechte nakoming van de verpande vordering(en) te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Tot aan de mededeling blijven deze bevoegdheden bij de pandgever. Het gaat hierbij dus vooral om stil pandrecht om vorderingen. Bij een openbaar pandrecht wordt immers meteen meegedeeld en gaat de inningsbevoegdheid ook meteen over op de pandgever.

In het arrest van de Hoge Raad d.d. 14 februari 2014 (Imune Age/Neo River) heeft de Hoge Raad uitgemaakt, dat bij de vestiging van een beperkt recht op een vordering – zoals pandrecht – niet alle schuldeisersbevoegdheden van de eigenaar van de vordering overgaan op de pandhouder. De pandhouder wordt conform art. 3:246 lid 1 B.W. en rt. 3:246 lid 2 B.W. na de mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar van de vordering (slechts) bevoegd tot inning en opzegging.

De overige bevoegdheden van de pandgever blijven bij hem, zoals de bevoegdheid van de pandgever tot kwijtschelding, art. 6:160 BW. Vanwege het accessoire karakter van het pandrecht gaat dit hierdoor met de vordering teniet. Dit is een bewuste  keuze van de wetgever geweest. De pandhouder is dus bij voorbeeld niet bevoegd minnelijke regelingen te treffen met de schuldenaar. Wanneer een bank bij faillissement van de pandgever regelingen wil treffen met schuldenaren van verpande vorderingen, dan heeft zij daarvoor de medewerking van de curator nodig.

Hierin verschilt het pandrecht met recht van vruchtgebruik op vordering, art. 3:210 B.W. en de blokkerende werking van een beslag, art. 475h Rv.. Zie ook het artikel van mr. Wibier over dit arrest in Ars Aequi februari 2015.

Executie door de pandhouder; parate executie

De pandhouder heeft – in het geval de pandgever in gebreke blijft in de nakoming van zijn verplichtingen waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekt – een bijzondere bevoegdheid: het recht op “parate executie” (art. 3:248 lid 1 B.W.). Normaal gesproken kan een vorderingsrecht slechts tenuitvoergelegd worden op de vermogensbestanddelen van de schuldenaar nadat de schuldeiser een vonnis heeft verkregen, op basis waarvan de deurwaarder kan gaan executeren. De bevoegdheid tot parate executie is dus uitzonderlijk binnen het systeem van de wet. Partijen kunnen overigens (vooraf) afspreken dat er eerst een rechterlijk oordeel moet zijn waarin wordt vastgesteld dat de schuldenaar in verzuim is (lid 2).

Een lager gerangschikte pandhouder, of een beslaglegger, kan het verpande object slechts verkopen met inachtneming van de hoger gerangschikte pandrechten (lid 3). Deze zal dan in de rangregeling van art. 480 Rv. kunnen meedelen in de opbrengst. Zie ook de pagina Rangregeling.

De pandhouder die wil gaan executeren moet dit vooraf meedelen aan de schuldenaar en aan de pandgever (voor zover dit verschillende personen zijn). Ook aan beslagleggers en andere beperkt gerechtigden moet dit worden meegedeeld. De mededeling moet tenminste drie dagen tevoren plaatsvinden, met melding van tijd en plaats van de executoriale verkoop (art. 3:249 lid 1 B.W.). De pandhouder moet daarbij aangeven voor welk bedrag het pand kan worden “gelost”.

Openbare verkoop uitgangspunt

In art. 3:250 lid 1 B.W. wordt vooropgesteld, dat de verpande zaak door middel van een openbare verkoop verkocht moet worden. Betreft het op een markt verhandelbare zaken, dan kan de verkoop worden uitgevoerd door een op die markt actieve tussenpersoon (lid 2). In het arrest van de Hoge Raad d.d. 22 juni 2018 (Bethanie N.V./Rabobank) over een door het Hof gegeven beslissing tot afwijkende verkoop van aandelen, wijdt de Hoge Raad enkele overwegingen aan de achtergrond van deze regels:

“Uitgangspunt bij parate executie door de pandhouder is openbare verkoop op de voet van art. 3:250 BW.
De achtergrond hiervan is de bescherming van de belangen van de pandgever en de andere schuldeisers. Het doel van openbare verkoop is het behalen van een zo hoog mogelijke, althans objectief bepaalde opbrengst en het verkleinen van de kans dat de executerende pandhouder met de koper samenspant ten nadele van de pandgever en de andere schuldeisers.”

De pandhouder mag bij de openbare verkoop zelf ook op de verpande zaak bieden (lid 3).

Afwijkende wijze van verkoop met rechterlijke machtiging

De wet biedt de mogelijkheid om de Voorzieningenrechter (bij verzoekschrift) te verzoeken een afwijkende wijze van verkoop toe te staan (art. 3:251 lid 1 B.W.). Zowel de pandhouder als de pandgever kunnen daarom vragen. De pandhouder kan de rechter ook vragen te bepalen, dat de verpande zaak aan hem als koper verblijft.

In het arrest Bethanie/Rabobank zegt de Hoge Raad over de afwijkende wijze van verkoop:

Niettemin kunnen er goede redenen bestaan om het verpande goed te verkopen op een andere wijze dan in art. 3:250 BW voorzien. Daarom is in art. 3:251 lid 1 BW, voor zover hier van belang, bepaald dat, tenzij anders is bedongen, de voorzieningenrechter op verzoek van de pandhouder kan bepalen dat het pand zal worden verkocht op een van art. 3:250 BW afwijkende wijze.”

Uit dit arrest blijkt voorts, dat tegen de beslissing van de Voorzieningenrechter – behoudens de in dat arrest vermelde gronden – geen hogere voorziening open staat:

“Tegen een toewijzende beschikking op de voet van art. 3:251 lid 1 BW staat geen hogere voorziening open (zie o.m. HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1401, NJ 1995/367 en HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:213, NJ 2018/98).”

Overeenstemming onderhandse verkoop tussen pandhouder en pandgever

Een andere optie is, dat pandhouder en pandgever – dus niet mede de schuldenaar, tenzij de pandgever en de schuldenaar één en dezelfde zijn – met elkaar afspreken dat de verpande zaak onderhands verkocht zal worden (art. 3:251 lid 2 B.W.). Dit kan echter niet vooraf bij de verpanding worden afgesproken: pas nadat de pandgever in verzuim is geraakt kunnen pandgever en pandhouder dit met elkaar afspreken. Wel zal medewerking van een eventuele beslaglegger en andere beperkt gerechtigde dan nodig zijn. Van dit beding kan echter contractueel worden afgeweken bij de verpanding.

In geval van faillissement zal de curator vaak met de pandhouder (doorgaans de bank) tot afspraken komen over onderhandse verkoop, tegen betaling van een boedelbijdrage. Daartoe is een specifieke regeling opgenomen in de Separatistenregeling (zie ook de pagina Separatisten).

Een dergelijke verkoop heeft nog steeds te gelden als een executoriale verkoop. Zie Hoge Raad d.d. 25 februari 2011 (ING/Hielkema q.q.).

Kennisgeving van de voltooiing van de (openbare) verkoop

Art. 3:252 B.W. bepaalt, dat de de pandhouder verplicht is uiterlijk op de dag volgende op die van de executoriale verkoop daarvan kennis te geven aan de schuldenaar en de pandgever, alsmede aan hen die op het goed een beperkt recht hebben of daarop beslag hebben gelegd. Dit behoudens andersluidend beding.

Voor deze mededeling geldt de Algemene Termijnenwet niet, aldus art. 7A:2031 B.W. (zie de pagina Slotbepaling Algemene Termijnenwet).

Verdeling van de executieopbrengst

Na de verkoop moet de pandhouder de opbrengst afrekenen. Uiteraard mag de pandhouder van de opbrengst afhouden wat aan hem toekomt krachtens zijn vorderingsrecht waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekt (art. 3:253 lid 1 B.W.). Allereerst worden echter de executiekosten op de opbrengst in mindering gebracht. Wat resteert is de zgn. “netto-opbrengst” van de executie. Het restant keert de pandhouder uit aan de pandgever.

Zijn er echter meerdere gerechtigden – andere pandhouders of beperkt gerechtigden – dan moet de opbrengst worden verdeeld volgens de regels van de rangregeling. Zie de pagina Verdeling executieopbrengst roerende zaak.

De pandhouder mag de uitkering krachtens de verdeling niet doen door middel van verrekening, behalve wanneer het een uitkering aan de pandgever betreft (art. 3:253 lid 2 B.W.). Dit kan echter ook jegens de pandgever niet, wanneer die in surseance, faillissement verkeert of in de WSNP zit (dit laatste tenzij het recht ontstond na ingang van de WSNP).

Wanneer de pandgever in overleg met de pandhouder verkoopt, dan geldt dit nog steeds als een executoriale verkoop en verliest de pandhouder daardoor niet haar recht op de opbrengst. Wanneer de pandhouder de bank is, en de betalingen van de verkochte goederen op een bij de bank aangehouden rekening worden bijgeschreven, dan mag de bank dit verrekenen en handelt zij niet in strijd met art. 54 Fw., aldus Hoge Raad d.d. 14 februari 2014 (Feenstra q.q./ING Bank).

Executie pandrecht volgens de regels van hypotheek

Wanneer het pandrecht rust op roerende zaken, die bestanddeel uitmaken van een onroerende zaak, waarop voor dezelfde vordering als waarvoor het pandrecht is verleend hypotheek rust, dan kunnen de verpande zaken – mits dit is bedongen bij vestiging – volgens de regels van hypotheek worden geëxecuteerd ( (art. 3:254 lid 1 B.W.). In geval van executie is in dat geval de toepassing van de regels van executie van pandrecht uitgesloten (lid 2). Dit beding kan ook in het hypotheekregister worden ingeschreven (lid 3).

Pandrecht op geldsom

Rust het pandrecht op een geldsom, dan kan de pandhouder zonder voorafgaande aankondiging zijn vordering voldoen uit het onder hem berustende bedrag (art. 3:255 B.W.). Als de pandgever dat vordert, is de pandhouder zelfs verplicht zijn vordering op die wijze te voldoen. Enige voorwaarde is dat de pandgever bevoegd is in die valuta te betalen. Na de voldoening moeten de pandgever en andere gerechtigden daarvan in kennis gesteld worden conform (art. 3:252 B.W.).

Teruggaaf onderpand na tenietgaan pandrecht

Wanneer het pandrecht teniet gaat, moet de pandhouder – desgevraagd onder afgifte van een verklaring van het tenietgaan – de verpande zaak weer aan de pandgever teruggeven (art. 3:256 B.W.). En alles doen wat nodig is om de pandgever weer het bezit te verschaffen.

Einde van het pandrecht door bezitsverkrijging pandgever of door afstand

Het pandrecht eindigt, wanneer de pandgever het onderpand (weer) in bezit krijgt. Uiteraard tenzij daarbij een stil pandrecht wordt gevestigd (art. 3:258 lid 1 B.W.).

De pandhouder kan door middel van een eenvoudige overeenkomst afstand doen van het pandrecht (art. 3:258 lid 2 B.W.). De instemming van de pandhouder moet wel blijken uit een schriftelijk of elektronische verklaring. In het laatste geval moet zijn voldaan aan de vereisten van art. 6:277a B.W..

Pandrecht en faillissement

Tijdens faillissement neemt de pandhouder een aparte positie in, waarin hij de verpande zaken buiten de boedel om kan uitwinnen. Zie ook in het onderdeel Faillissementswet de pagina Separatisten en de pagina Verificatie.

Rechtspraak

HR 14 februari 2014 (Imune Age/Neo River) bij de vestiging van een beperkt recht op een vordering – zoals pandrecht – gaan niet alle schuldeisersbevoegdheden van de eigenaar van de vordering overgaan op de pandhouder. De pandhouder wordt conform art. 3:246 lid 1 B.W. en rt. 3:246 lid 2 B.W. na de mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar van de vordering (slechts) bevoegd tot inning en opzegging. Het treffen van regelingen of kwijtschelding blijft toekomen aan de pandgever.

Auteur & Last edit

[MdV, 11-03-2018; bijgewerkt 9-11-2019]

0 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.