Roham-arrest d.d. 15-03-2013 (Biek Holding)

Inleiding aansprakelijkheid maatschap

Zoals ook uitgelegd in de pagina over de maatschap is deze samenwerkingsvorm – mede door de verouderde wettelijke regeling – juridisch erg complex. De problemen waar iemand tegenaan loopt, die de in een maatschap samenwerkende personen in rechte wil betrekken, komen goed tot uitdrukking in het arrest van de Hoge Raad over een dergelijke zaak gewezen op 15 maart 2015. In deze casus betrof het advocaten, maar het kunnen natuurlijk ook andere beroepsbeoefenaren zijn zoals accountants, artsen, tandartsen enz..

Feiten

De bouwondernemingen Bouw- en Exploitatiemaatschappij Roham B.V. en haar holding Wide Alley Properties B.V. hebben (samen met de eiseres in cassatie) een advocatenmaatschap in de periode van medio 1994 tot medio 2004 opdracht gegeven voor werkzaamheden, die uitgevoerd zijn door één van de advocaten van de maatschap (“Advocaat A”). Deze maatschap werd in deze periode gevormd door een aantal advocaten, waarbij sommigen niet zelf maar via een B.V. (een zgn. praktijkvennootschap) aan de maatschap deelnamen.

De samenstelling van de maatschap “A & C Advocaten” was achtereenvolgens:

  • Advocaat A sinds 1991 via een praktijkvennootschap
  • Advocaat B eveneens sinds 1991 via een praktijkvennootschap
  • Advocaat C sinds 2000 via een praktijkvennootschap
  • Advocaat D sinds 1994 persoonlijk en vanaf 2002 via een praktijkvennootschap
  • Advocaat E sinds 2000 persoonlijk en vanaf 2003 via een praktijkvennootschap

Roham c.s. hadden daarvoor een andere advocaat (advocaat X), van wie zij meende dat die beroepsfouten gemaakt had. Advocaat A had advocaat X namens Roham c.s. gedagvaard op 8 februari 1996. De procedure eindigde met een arrest in hoger beroep – waarbij Roham c.s. verloor – op 17 september 2003 .

Roham c.s. hebben advocaat A hierna opdracht gegeven advocaat X opnieuw te dagvaarden. Gelet op de termijn van art. 3:316 lid 2 BW moest de dagvaarding uiterlijk op 17 juni 2004 (binnen zes maanden na de eindbeslissing) zijn betekend. Betekening heeft echter pas op 23 juni 2004 plaatsgevonden. Uiteindelijk heeft het hof bij arrest van 22 mei 2008 alle vorderingen in die zaak afgewezen, voor een deel van de vorderingen omdat de termijn van art. 3:316 lid 2 BW was verstreken en voor het andere deel omdat de vijfjaarstermijn van art. 3:310 BW was verstreken.

Roham c.s. hebben bij brief van 8 juli 2004 de maatschap en ook alle maten van de maatschap aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van deze fout. De brief luidde:

(…) U hebt ons onlangs medegedeeld dat de dagvaarding die u voor XYZ Holdings B.V. zou doen uitbrengen aan mr [V.] (…) niet tijdig is betekend. Als gevolg hiervan is de stuitingstermijn van artikel 3.316 BW verlopen, en moet rekening worden gehouden met een beroep op verjaring door de gedaagden.

(…) Onze conclusie is dan ook dat de te late uitbrenging van de dagvaarding een beroepsfout van u is.

Hierbij stellen wij de maatschap [geïntimeerde sub 1]& [geïntimeerde sub 3] Advocaten alsmede alle maten van die maatschap aansprakelijk voor de schade als gevolg van deze beroepsfout. De rechtsvordering die met de dagvaarding is aangelegd, betreft de invordering van een bedrag van € 4.878.132,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 1994. (…)

Roham c.s. hebben onder verwijzing naar haar hiervoor genoemde brief van 8 juli 2004, bij brief van 17 juni 2009 gericht aan de advocaten A, B. C, D en E hen meegedeeld, dat de verjaring op grond van art. 3:316 lid 2 BW inmiddels onherroepelijk vaststaat, dat ook de verjaring op grond van art. 3:310 BW te wijten is aan een beroepsfout van advocaat A en dat zij zich het recht voorbehouden op de nakoming van de verbintenissen jegens hen. Roham c.s. vorderen in de procedure diverse bedragen van de maatschap wegens drie beroepsfouten van advocaat A.

Deze brief luidde:

Bij brief van 8 juli 2004 hebben wij de maatschap [geïntimeerde sub 1]& [geïntimeerde sub 3] Advocaten alsmede alle maten van die maatschap aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de in die brief omschreven beroepsfout, bestaande uit termijnoverschrijding door mr. [geïntimeerde sub 1] bij het uitbrengen van een dagvaarding aan mr [V.] (…)

Inmiddels is onherroepelijk vastgesteld dat de rechtsvorderingen die met de in de brief van 8 juli 2004 omschreven dagvaarding zouden worden aangelegd, verjaard zijn wegens het verlopen van de stuitingstermijn van artikel 3:316 BW.

In de procedure die met de te laat uitgebrachte dagvaarding is ingeleid, is op enig moment de eis vermeerderd met een rechtsvordering van Wide Alley Properties N.V. (de aandeelhouder van Roham), welke rechtsvordering ook aan [appellante] gecedeerd is. Deze rechtsvordering betreft een vordering, eveneens tegen mr. [V.] (…) tot betaling van een schadevergoeding van € 5.250.394, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 1991. De vordering vloeit voort uit het verzuim van mr. [V.] om de beroepsfout van mr. [W.] te herstellen, waarvoor verwezen wordt naar punt 11 sub a van eerdergenoemde dagvaarding die (te laat) op 25 juni 2004 is uitgebracht. Als gevolg van die beroepsfout heeft Wide Alley Properties N.V. de koopprijs gederfd uit de transactie die beschreven is op pagina 23 van de dagvaarding die (te laat) op 23 juni 2004 is uitgebracht. Die schade is een direct gevolg van de wanprestatie van mr. [V.] jegens Roham die een onrechtmatige daad oplevert jegens Wide Alley Properties B.V.

De rechtsvordering terzake van die schade is verjaard op grond van artikel 3:310 lid 1 BW. Die verjaring is een beroepsfout van mr. [geïntimeerde sub 1], omdat hij verzuimd heeft de betreffende rechtsvordering tijdig aan te leggen, c.q. de verjaring tijdig te stuiten.

Hierbij delen wij u mede dat [appellante] Holdings B.V. zich ondubbelzinnig haar rechten op nakoming van de verbintenissen die onderwerp zijn van deze brief, voorbehoudt. (…)”

Procedure in hoger beroep

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest d.d. 30-08-2011 de vorderingen van Roham c.s. inzake een drietal door haar gestelde beroepsfouten afgewezen, als volgt.

a. De vordering met betrekking tot de eerste beroepsfout is verjaard, omdat, de brief van 17 juni 2009 geen stuitende werking had. Anders dan de brief van 8 juli 2004 is deze brief niet gericht aan de maatschap of de gezamenlijke maten afzonderlijk, maar aan een vijftal natuurlijke personen. Het betoog van Roham c.s. dat zij heeft bedoeld zich met die brief tot de maatschap te richten en dat zij wist wie de maten waren omdat dit uit het briefpapier van de maatschap bleek, verwerpt het hof op dezelfde gronden als hierna vermeld voor de tweede en derde beroepsfout.

b. Met betrekking tot de tweede en derde beroepsfout geldt dat Roham c.s. heeft gecontracteerd met de maatschap en derhalve de maatschap in rechte diende te betrekken. Uit haar stellingen leidt het hof af dat dit ook haar bedoeling was en dat het er haar niet om is te doen tegen de advocaten A t/m E afzonderlijk te procederen.

Bij het dagvaarden van een openbare maatschap bestaat de keuze om de maatschap dan wel de gezamenlijke maten te dagvaarden (HR 5 november 1976, LJN AB7103, NJ 1977/586 (arrest-Moret Gudde Brinkman). Roham c.s. hebben niet de maatschap gedagvaard.

Indien de gezamenlijke maten worden gedagvaard, moeten de (rechts)personen worden gedagvaard die ten tijde van de dagvaarding als maat in de maatschap deelnemen. Indien nodig, zal de maatschap daarvoor de namen en woonplaatsen van de maten moeten opgeven. Ten tijde van de dagvaarding bestond de maatschap niet uit de advocaten A t/m E, maar uit hun praktijkvennootschappen. Roham c.s. stellen advocaten A t/m E te hebben gedagvaard omdat, gelet op de persoonsvermeldingen op het briefpapier van de maatschap ten tijde van de beroepsfouten, zij erop mocht vertrouwen dat de maatschap toen uit advocaten A t/m E bestond. Deze stelling gaat naar het oordeel van het hof niet op.

c. Het hof overweegt, dat de vermelding van namen op het briefpapier van een advocatenkantoor onvoldoende is om tot persoonlijke aansprakelijkheid te concluderen van diegenen die op dat papier met name zijn genoemd. Op gezette tijden in de periode van de beweerde beroepsfouten stond op het briefpapier nadrukkelijk vermeld dat de maatschap tevens beroepsvennootschappen omvat.

Deze mededeling is, blijkbaar geen reden voor Rohan c.s. geweest om zich daarover nader te informeren of de relatie met de maatschap te beëindigen. Zij werd bovendien een deel van de periode bijgestaan door een andere advocaat. Tegen die achtergrond kan het beroep van Rohan c.s. (als professionele en geïnformeerde partij) op gewekt vertrouwen of opgewekte schijn niet worden gehonoreerd.

d. Met betrekking tot de tweede en derde beroepsfout verwerpt het hof voorts het subsidiair door Rohan c.s. gedane beroep op persoonlijke aansprakelijkheid van advocaat A in verband met het in art. 7:404 BW bepaalde en het feit dat de gegeven opdrachten met het oog op zijn persoon zijn gegeven.

Volgens het hof is uitgangspunt dat advocaat A reeds vanaf 1991 slechts door middel van zijn “personenvennootschap” diensten als advocaat verrichtte. Rohan c.s. hebben niet toegelicht waarom advocaat A persoonlijk (en niet zijn praktijkvennootschap) aansprakelijk moet worden gehouden. Rohan c.s. hebben bovendien de stelling dat advocaat A de opdrachten heeft gekregen met het oog op zijn persoon, niet toegelicht of onderbouwd met stukken die dateren uit de tijd van de opdrachtverlening.

e. Voor wat betreft de persoonlijke aansprakelijkheid van advocaat E geldt dat deze in de periode waarin de beroepsfouten zouden zijn gemaakt noch persoonlijk, noch via zijn beroepsvennootschap, lid was van de maatschap. Het hof ziet daarom niet in op welke grond Rohan c.s. hem aansprakelijk houden.

Voor wat betreft de persoonlijke aansprakelijkheid van advocaat D hebben Rohan c.s. volgens het hof onvoldoende gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat advocaat D – die naar het hof overweegt bij de uitvoering van de opdrachten van Rohan c.s. niet was betrokken -, hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade vanwege de beweerde beroepsfouten van advocaat A, zodat haar (eventuele) vordering jegens advocaat D ook faalt.

De Hoge Raad

De klachten in cassatie zijn alleen gericht tegen overweging b) van het Hof. Die klachten worden gehonoreerd. De Hoge Raad zet het recht inzake personenvennootschappen (en met name de maatschap) uiteen:

De maatschap heeft geen rechtspersoonlijkheid.

Indien een overeenkomst wordt gesloten met een maatschap, zijn daarom de individuele maten jegens de wederpartij persoonlijk aansprakelijk voor de nakoming van daaruit voortvloeiende verplichtingen van de maatschap.

Is sprake van een tekortkoming in de nakoming van een deelbare prestatie, dan zijn de maten aansprakelijk voor gelijke delen (art. 7A:1679-1681 BW).

Ingeval evenwel, zoals hier, sprake is van een door de maatschap aanvaarde opdracht, dan is op grond van art. 7:407 lid 2 BW iedere maat jegens de opdrachtgever aansprakelijk voor het geheel.

De persoonlijke aansprakelijkheid jegens de contractuele wederpartij op grond van deze artikelen blijft bestaan indien de maat uittreedt.

Vorderingen uit een overeenkomst die met een maatschap is aangegaan, kunnen ook worden ingesteld tegen de maatschap als zodanig.

In dat geval kunnen zij bij toewijzing worden verhaald op het vermogen van de maatschap, dat een afgescheiden vermogen vormt; vgl. voor dit laatste art. 3:192 BW in verbinding met art. 3:189 lid 2 BW met betrekking tot de ontbonden maatschap.

Aangezien een maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, dienen dergelijke vorderingen te worden ingesteld tegen de gezamenlijke (rechts)personen die ten tijde van de dagvaarding maat zijn.

Zoals is aanvaard in HR 5 november 1976, LJN AB7103, NJ 1977/586 (Moret Gudde Brinkman), kan in de dagvaarding worden volstaan met vermelding van de naam van de maatschap indien de gezamenlijke maten onder die naam op voor derden duidelijk kenbare wijze aan het rechtsverkeer deelnemen.

De mogelijkheid om aldus de maatschap in rechte te betrekken doet niet af aan de daarnaast bestaande (en eventueel daarmee te combineren) mogelijkheid om de individuele (rechts)personen die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst maat waren, in rechte te betrekken ter zake van hun hiervoor genoemde persoonlijke aansprakelijkheid.

De schuldeisers van de maatschap hebben dus zowel de mogelijkheid van het aanspreken van de gezamenlijke maten (met de mogelijkheid van verhaal op het maatschapsvermogen) als van het aanspreken van individuele (rechts)personen die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst partij waren (met de mogelijkheid van verhaal op hun privévermogens).

Uit het vorenstaande volgt dat de onderdelen 1a, 1d en 1e terecht zijn voorgesteld. Anders dan het hof overweegt, volgt uit het feit dat met de maatschap is gecontracteerd, niet dat de maatschap in rechte moet worden betrokken. Roham c.s. kon ook ervoor kiezen (mede) de individuele maten te dagvaarden en eventueel tevens, zoals onderdeel 1d terecht aanvoert, om de individuele maten (niet alleen als maat persoonlijk aan te spreken, maar ook) aan te spreken wegens persoonlijke aansprakelijkheid uit anderen hoofde dan hun lidmaatschap van de maatschap. Hiernaast kunnen de door Roham c.s. ingestelde vorderingen – die ertoe strekken advocaten A t/m E individueel te veroordelen tot betaling van de hiervoor genoemde bedragen – en de daarvoor door haar aangevoerde gronden (zij heeft een beroep gedaan op de hiervoor vermelde art. 7:407 lid 2 BW en 7A:1679-1681 BW), ook niet anders worden opgevat dan dat zij advocaten A t/m E mede in hun hoedanigheid van individuele maat hebben gedagvaard in deze zaak.

Zij heeft advocaat A bovendien mede gedagvaard op de hem slechts persoonlijk – en dus niet als maat – betreffende grondslag van art. 7:404 BW. Hieruit volgt dat de vaststelling van het hof dat het de bedoeling van Roham c.s. is geweest om (uitsluitend) de maatschap in rechte te betrekken, onbegrijpelijk is, zoals onderdelen 1b en 1c terecht aanvoeren.

Overigens verdient opmerking dat indien blijkt dat bedoeld is de gezamenlijke maten te dagvaarden, maar niet alle (rechts)personen zijn gedagvaard die ten tijde van de dagvaarding maat waren, de rechter, op verzoek van een procespartij – of zo hij het nodig oordeelt dat de niet gedagvaarde maten aan het geding (kunnen) deelnemen – in beginsel gelegenheid behoort te geven om die personen alsnog in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv.

Onderdelen 1 en 4 klagen voorts terecht dat het hof onder (b) en (e) heeft miskend dat de maten voor verplichtingen van de maatschap persoonlijk aansprakelijk zijn op de hiervoor vermelde gronden.

Degene die maat is op het tijdstip dat de in art. 7:407 lid 2 BW bedoelde opdracht is aanvaard, is in beginsel op grond van die bepaling voor het geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming in de nakoming daarvan.

Degene die maat is op het tijdstip dat de betrokken schuld van de maatschap ontstaat, is daarvoor voor een gelijk deel aansprakelijk op grond van art. 7A:1679-1681 BW.

Anders dan het hof tot uitgangspunt heeft genomen, vallen geen nadere eisen te stellen voor persoonlijke aansprakelijkheid van de maten. In het geval van advocaat E is derhalve voor persoonlijke aansprakelijkheid reeds voldoende dat hij in 2000 als maat is toegetreden tot de maatschap, na welk tijdstip een deel van de door Roham c.s. gestelde schulden is ontstaan, en in het geval van advocaat D dat hij maat was toen de opdrachten door de maatschap werden aanvaard of toen de door Roham c.s. gestelde schulden zijn ontstaan.

Op grond van het vorenstaande is ook onderdeel 5 gegrond dat zich richt tegen het onder (a) vermelde oordeel van het hof, dat de brief van 17 juni 2009 geen stuitende werking heeft gehad nu deze niet is gericht aan de maatschap of de gezamenlijke maten, maar aan een vijftal natuurlijke personen. Dit oordeel berust op dezelfde onjuiste rechtsopvatting.

Ook onderdeel 3 slaagt. Art. 7:404 BW houdt in dat indien een opdracht is verleend met het oog op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een beroep of bedrijf uitoefent, die persoon gehouden is de betrokken werkzaamheden zelf te verrichten, behoudens voor zover uit de opdracht voortvloeit dat hij deze onder zijn verantwoordelijkheid door anderen mag laten verrichten. Voor eventuele tekortkomingen in de uitvoering van die opdracht is die persoon in dat geval naast de opdrachtnemer hoofdelijk aansprakelijk. Bij deze regeling is onder andere gedacht aan de advocaat die werkzaam is in maatschapsverband, waarbij de maatschap optreedt als opdrachtnemer (Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 329-333).

Tegen de achtergrond van het voorgaande geeft het onder (d) vermelde oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is dat oordeel niet naar behoren gemotiveerd. De door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat advocaat A zijn beroep van advocaat uitoefent door middel van een praktijkvennootschap en het die vennootschap is die maat is van de maatschap, sluit niet uit dat de opdracht met het oog op de persoon van advocaat A is verleend, noch dat advocaat A op grond daarvan persoonlijk aansprakelijk is voor tekortkomingen in de uitvoering van de opdracht. In dit geval staat vast dat advocaat A in de (aaneengesloten) periode van 1994 tot 2004 als advocaat de opdrachten heeft uitgevoerd. In dit licht valt niet in te zien dat Roham c.s. haar stelling in dit verband nog nader had moeten toelichten of onderbouwen, zoals het hof overweegt.

[MdV, 23-10-2016]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]